Het afscheid van Den Haag was voor Jan Marijnissen eigenlijk niks bijzonders. Het mag raar klinken, maar die woensdag de 16e juni waarop na zestien jaar zijn vertrek als Kamerlid werd beklonken, was ‘in feite een dag als alle andere’. ’s Middags werd hij toegesproken door Kamervoorzitter Gerdi Verbeet, ‘s avonds hadden de nieuwe Kamerleden en de medewerkers van de fractie ‘een fantastisch afscheid’ georganiseerd in de Haagse Kluis aan het Plein. En dat was het dan. ‘Die dag had voor mij geen specifieke emotionele lading. Het besluit om terug te treden had ik al twee jaar geleden genomen.’
Door Coen Verbraak voor Vrij Nederland, juli 2010
Hij oogt ontspannen, achteroverleunend in zijn stoel, in zijn achtertuin in Oss. Het is goed toeven in de luwte, vindt Marijnissen (57). Sinds kort heeft hij eindelijk weer tijd voor andere dingen. Onlangs heeft hij een verrekijker aangeschaft. Niet dat-ie een verstokte vogelaar is, maar hij wandelt graag in de natuur. ‘En met een verrekijker zie je nou eenmaal meer.’ En hij is bezig met een boek, ‘over het belang van de Heimat in een globaliserende wereld’. Dat is het mooie van zijn huidige situatie; zijn aandacht wordt niet langer voortdurend opgeslokt door de actualiteit, hij kan nu ook weer in langere lijnen denken. “Afscheid” is ook een beetje teveel gezegd. Hij blijft gewoon lid van de SP. Maar in Den Haag zullen ze ‘m niet meer zo vaak zien. Gek is dat, laatst zag hij beelden van Den Haag op televisie. En wat dacht je? Het deed ‘m eigenlijk wel wat. Vroeger beschouwde hij Den Haag vooral als “de stad van de kak”. ‘Wie had ooit kunnen denken dat ik daar zestien jaar van m’n leven zou doorbrengen? Ik ben in die jaren echt van de stad gaan houden.’ Het valt hem niet zwaar om afstand te nemen, zegt Marijnissen. ‘Ik ben –hoe pedant dat misschien ook klinkt- altijd meer een beschouwer dan een politicus geweest. In essentie ben ik veel meer een vragensteller dan een antwoordgever.’ Bovendien was het geen vrije keus; zijn gezondheid dwong hem twee jaar geleden om een forse stap terug te doen. Hij kreeg last van zijn hart en lag eind 2007 bovendien vier maanden plat vanwege een hernia. ‘Ik besefte dat het zo niet door kon gaan.’ Op de achtergrond speelde mee dat hij in toenemende mate een onthechtheid begon te voelen van wat zich rond het Binnenhof afspeelt. ‘De Tweede Kamer is voor mij nooit een inspirerende omgeving geweest. Het is bepaald niet zo dat daar honderdvijftig mensen gigantisch hun best lopen te doen om het land te dienen. Ze zijn gekozen in het parlement, en vinden het leuk om daar ‘ns een tijdje mee bezig te zijn. Zoals de pastoor die nou eenmaal af en toe de klok moet luiden doen zij nu en dan een debatje.’





