Over Paars, Europa en de globalisering

donderdag 04 april 2002 :: 12.11 uur

Toespraak in de Lutherse Kerk
Utrecht, 4 april 2002

Spanje, Italië, Duitsland en ons eigen land zijn eenheidsstaten, staten die allemaal gevormd zijn in de 19e eeuw. De stadstaten liepen tegen hun beperkingen aan en steden werden landen. De schaalvergroting ging een nieuwe fase in.
Je zou kunnen zeggen: Iets soortgelijks zien we nu bij de Europese integratie. De staten zijn te klein geworden om de problemen van vandaag te kunnen oplossen en de onderlinge concurrentie maakt dat we maatregelen moeten nemen om een race to the bottom te verhinderen. Dat zijn twee plausibele redenen om een pleitbezorger te worden van de Verenigde Staten van Europa.
Was het maar zo makkelijk.
Lange tijd is de Europese integratiegedacht op sterven na door geweest, tot ze werd wakker gekust door hen die er het meeste belang bij hadden, de Europese multinationals verenigd in the European Round Table. Deze bedrijven waaronder Philips, Siemens, Fiat, Daimler-Benz, Unilever, Nestlé, Bayer, Shell en BP hebben door middel van een zeer effectieve lobby vooraanstaande politici kunnen overtuigen van de noodzaak van een vergrote thuismarkt, de zogenaamde Interne Markt van ruim 300 miljoen consumenten. Het zou de bedrijven een enorm schaalvoordeel opleveren en hen daarmee in staat stellen wereldwijd de concurrentie aan te kunnen met de twee andere economisch machtsblokken: de VS en Japan. Deze geo-economische ambitie sloot wonderwel erg goed aan bij de geo-pólitieke ambitie van de Europese regeringsleiders, en zo kon het zijn dat vanaf halverwege de jaren tachtig de Europese integratie weer op de politieke agenda kwam en voortvarend ter hand werd genomen.
Eén ding is daarbij vanaf het allereerste begin tot nu toe steeds over het hoofd gezien: de bevolking. Voor de helderheid: Ik heb in Europa nooit één demonstratie gezien van voorstanders van de integratie. De integratie is ook nooit ergens door de bevolking echt gewíld. Elk onderzoek in welk land, op welk tijdstip dan ook, wijst erop dat de meerderheid van de mensen niet wil dat er allerlei bevoegdheden van de nationale staten worden overgeheveld naar ‘Brussel’. In veel landen wordt dan ook door de machthebbers systematisch geweigerd allerlei nieuwe Europese ontwikkelingen via een referendum aan de burgers voor te leggen. Men vreest een afgang. Nederland is een voorbeeld van dat soort landen.
Veel mensen zien de noodzaak van Europese samenwerking, maar wijzen overdracht van bevoegdheden aan een abstracte, vage, vierde bestuurslaag ergens in Bussel van de hand. Het vertrouwen van de Europeanen in de instituties van Europa (de Commissie en het parlement) is minimaal. Niet zo verwonderlijk want deze instituties behoren niet tot de leefwereld van de meeste mensen. Het is ver weg, ondoorzichtig en wát men erover hoort is vaak niet erg positief: traagheid, veel bureaucratie, en corruptie. Mensen hebben het gevoel dat Europa zich verhoudt met democratie als water staat tot vuur. En ze hebben gelijk. Democratie veronderstelt een dèmos, een volk, maar er bestaat geen Europees volk. Zeker, we hebben een gemeenschappelijke geschiedenis en we hebben tot op zekere hoogte een gemeenschappelijke cultuur, maar daar is wel alles mee gezegd. Identificatie – bijzondere situaties daargelaten – vindt vooral plaats met landgenoten en niet met continentgenoten. Deze werkelijkheid wordt door de Eurofielen te veel genegeerd. De democratie, de rechtstaat, de sociale verworvenheden zijn allemaal op nationaal niveau bevochten, dat is een gegeven van de geschiedenis. Dat wil niet zeggen dat dat nooit kan of zal veranderen, maar het tempo waarin de Europese integratie nu vorm gegeven wordt miskent die werkelijkheid. En dat is gevaarlijk. De vervreemding van de burger van het bestuur niet alsmaar toe, mensen hebben het gevoel dat er niet meer naar hen geluisterd wordt, dat het er niet meer toe doet wat ze vinden. Dat ze geregeerd worden zonder geconsulteerd te worden.

Bij het Verdrag van Maastricht in 1991 werd besloten tot de Interne Markt én tot de Economische en Monetaire Unie. En de EMU werd weer de basis waarop het Stabiliteitspact en de Euro werden gebouwd. Deze hebben ervoor gezorgd dat de vrijheid van de deelnemende landen om een eigen financieel beleid te voeren drastisch werden ingeperkt. A-symetrische schokken met grote gevolgen voor de economie kunnen niet meer door monetaire aanpassingen worden overwonnen. Dat zal gevolgen hebben. Maar er zijn ook nog andere redenen waarom deze kunstmatige, financieel-monetaire gelijkschakeling tot spanningen kunnen leiden. Ten eerste het gegeven dat de verschillende landen meestal gebaat zijn bij verschillende rentestanden, afhankelijk van de staat van hun economie. Toch zal de ECB in Frankfurt één rentestand opleggen. Ten tweede zijn er de verschillen in behandeling tussen de grote en de kleine landen. Vorig jaar kreeg de Ierse regering een berisping van de Europese Commissie omdat men vond dat Ierland de inflatie niet genoeg in de hand hield. Een jaar later ontkwam de Duitse regering aan zo’n aanmaning vanuit Brussel omdat het de Bondskanselier Schröder met het oog op de naderende verkiezingen slecht uitkwam.
De Europese integratie krijgt ook snel meer en meer vorm op terreinen als Justitie, Binnenlandse Zaken, vraagstukken van asielbeleid, buitenlandse politiek, en zelfs op het militaire vlak. ‘Europa’ lijkt steeds meer op een zwart gat dat bijna automatisch bevoegdheden naar zich toetrekt. De meeste partijen in de Tweede Kamer hebben daar geen moeite mee. Integendeel. Men pleit voor de totstandkoming van een politieke unie bovenop de economische unie die inmiddels gerealiseerd is. Zo denkt men aan een gekozen voorzitter van de Commissie en een Europese Grondwet.
Zoals ik al opmerkte, ik denk dat de vervreemding tussen burger en bestuur hierdoor alleen maar verder zal toenemen. Betekent dat dan dat ik en de andere sceptici tegen samenwerking zijn? Integendeel. Samenwerking moet, al was het maar omdat we nooit meer oorlog willen in Europa. Samenwerking is dus prima, federalisme niet.
De schaalvergroting kent zijn grenzen, als we de democratie als uitgangspunt nemen. Europa beslaat nu 15 landen en over een poosje 25 landen. Als we spreken over een Verenigde Staten van Europa dan kan het niet anders dan dat dit een bestuurlijk monster wordt als tegelijkertijd de bevoegdheden van ‘Europa’ worden vergroot.
Daarom moeten we als het gaat om de zogenaamde verdieping van Europa temporiseren, de tijd nemen om de burgers in de gelegenheid te stellen de nieuwe schaal te aanvaarden.

Maar er is méér te zeggen over Europa. Want behalve vraagstukken als de ‘verbreding’ (uitbreiding) en de ‘verdieping’ hebben we ook te maken met de inhoud van het beleid. En als ik dat moet typeren kan ik met één woord volstaan. De inhoud van het Europese beleid is bovenal neoliberaal. Europa heeft ons verplicht uitverkoop te houden van onze nutsbedrijven, Europa dwingt ons uit concurrentieoverwegingen in de pas te lopen met de rest waardoor de hoge inkomens en de bedrijven profiteren, Europa heeft ervoor gezorgd dat onze arbeidstijdenwet is geflexibiliseerd, Europa wil dat er concurrentie mogelijk wordt in het openbaar vervoer.
‘Europa’ als dienaar van de vooruitgang en als dienaar van de burgers, is een ander ‘Europa’ dan we nu zien. Het wantrouwen van de burgers ten aanzien van de Europese instituties is op drie dingen terug te voeren: de bureaucratie en de corruptie, de bemoeizucht en de te grote schaal, en het neoliberale karakter ervan.
Wijsheid is hier geboden anders kan het hele Europese project wel eens plotseling omslaan in precies dat wat het zegt te willen voorkomen namelijk dat Europeanen wéér tegenover elkaar komen te staan…..op het slagveld.

In oktober 2000 was ik in Praag om samen met tienduizend anderen deel te nemen aan een demonstratie tegen de manier waarop de Wereld Handels Organisatie, het IMF, en de regeringen van de Westerse landen bezig zijn de wereld te herscheppen naar hun neoliberale ideaalbeeld. In de media worden deelnemers aan dit soort demonstraties steevast ‘anti-globalisten’ genoemd. Maar daarmee wordt de waarheid ernstig geweld aangedaan. Ik ben geen anti-globalist, en de mensen die in Praag, in Washington, in Stockholm en in Genua de straat op gingen, zijn dat evenmin. Integendeel, zij denken mondialer dan de ontwerpers van de neoliberale globalisering die nu plaatsvindt. Die zetten zich er namelijk vooral voor in om het voor Westerse bedrijven mogelijk te maken overal in de wereld handel te drijven, producten af te zetten, grondstoffen te kopen, goedkope arbeid in te huren, kapitaal te laten renderen, en bedrijven over te nemen. Zij spannen zich, kortom, in voor een verbetering van de concurrentiepositie van de economische machtsblokken die zij vertegenwoordigen: de Verenigde Staten, Europa, Japan en, in mindere mate, Zuidoost Azië. De demonstranten daarentegen laten zich inspireren door het oude socialistische ideaal van ‘alle Menschen werden Brüder’. Zij vechten gezamenlijk voor de virtus, het moreel goede. Zij strijden voor een wereld waarin alle landen en alle mensen deel kunnen hebben aan de welvaart en het levensgeluk waarvan nu nog miljarden mensen zijn uitgesloten. En zij confronteren de huidige machthebbers met de enorme negatieve gevolgen van het door hun gevoerde neoliberale beleid. Dáárvoor gaan zij de straat op, dáárvoor was ik in Praag.

Dames en heren, er is een rechte lijn te trekken van het beleid van Paars, naar de politieke koers van de EU, en van daar naar de globalisering zoals die op dit moment vorm krijgt. Die lijn is: het neoliberalisme. Vanaf grofweg 1980 heeft zich een economische en maatschappelijke wereldrevolutie voorgedaan die wordt voortgestuwd door een moderne variant van de liberale kapitalistische ideologie, kortweg het neoliberalisme. Het belangrijkste kenmerk van deze ideologie is dat zij een bovenmatig vertrouwen stelt in de ordenende werking van wat Adam Smith ooit genoemd heeft: de onzichtbare hand van de vrije markt. Om die onzichtbare hand zijn werk optimaal te laten doen moeten er drie dingen gebeuren, zeggen de neoliberalen: de rol van de overheid moet zo ver mogelijk worden teruggedrongen; de belastingen moeten fors worden verlaagd; en alle mogelijke belemmeringen voor het vrije ondernemerschap moeten zoveel mogelijk worden opgeheven. Deze mantra van ‘belastingverlaging, deregulering, liberalisering’ overheerst nu al meer dan twintig jaar het politieke en economische denken in de wereld. Maar heeft zij ons ook gebracht wat de neoliberale profeten ons hadden voorspeld: meer economische groei en minder armoede?
Het antwoord is: nee. Wat zij ons wel heeft gebracht is een grotere kloof tussen arm en rijk, een enorme verschuiving van de reële economie naar een virtuele economie (waarover later meer), en een snel groeiend cynisme en fanatisme onder diegenen die zijn uitgesloten van het grote consumeren zoals wij dat in de rijke landen kennen.

Laten we eens een aantal van de stokpaardjes van de neoliberale globalisten nader bekijken.

Allereerst: De vrijhandelsmythe.
Eigenlijk is de redeneertrant van de WTO, het IMF, en ook van Paarse politici als Eveline Herfkens, onze minister van Ontwikkelingssamenwerking, heel simpel: vrijhandel leidt tot meer economische groei en meer economische groei leidt tot minder armoede. In werkelijkheid is de veronderstelling dat vrijhandel leidt tot economische groei onder economen echter omstreden. Theoretische modellen hebben weinig waarde in de complexe werkelijkheid van onze planeet. Praktijkstudies naar het effect van handelsbeleid zijn onduidelijk en vaak statistisch ondeugdelijk (zo geeft zelfs vrijhandelskampioen The Economist toe). Wat wel zeker is, is dat de economische groei in de wereld, in tegenstelling tot wat velen denken, sinds 1980 sterk is afgenomen. Vooral in ontwikkelingslanden. De vaak genoemde succesnummers van de jaren tachtig en negentig, de ‘Aziatische tijgers’, hadden hun beleid niet gericht op vrijhandel maar juist op afscherming van hun binnenlandse markt met importtarieven, quota, subsidies voor strategische exportsectoren, en een zwakke patentwetgeving. Ook de drie grootste economieën ter wereld, de VS, Duitsland, en Japan zijn alle drie geïndustrialiseerd achter torenhoge tariefmuren – en zoals we onlangs hebben kunnen zien vinden de Verenigde Staten het nog steeds heel verdedigbaar wanneer zij zelf een noodlijdende industriële sector, in dit geval de staalindustrie, met hoge tolmuren beschermen. De eerste conclusie van een debat over globalisering moet dus zijn dat we simpelweg niet weten of neoliberale globalisering goed is voor economische groei, en dat er sterke aanwijzingen zijn om het tegenovergestelde te vermoeden.
Als het dus al niet duidelijk is of vrijhandel leidt tot meer economische groei, gaat het zeker te ver om te beweren dat het leidt tot vermindering van de armoede.
Het punt is nu, dat de huidige WTO-verdragen het voor de nog niet zo ontwikkelde landen vrijwel onmogelijk maken om de ontwikkelingsstrategie te volgen die voor Zuid-Korea, Japan, de VS en ja, ook voor Europa, zo succesvol is geweest. Wat de betogers in Praag voorstaan, wat ik voorsta, en wat mijn partij, de SP, voorstaat, is dat ontwikkelingslanden de vrijheid moeten hebben om zelf te kiezen voor het ontwikkelingsmodel dat hen het meeste aanstaat.

Dan een ander belangrijk element uit de neoliberale ideologie: dat van de privatisering en liberalisering.

De afgelopen jaren hebben we kunnen zien dat verzelfstandiging van overheidsdiensten en het dereguleren van voorheen sterk gereguleerde sectoren bepaald niet altijd probleemloos verlopen. Ik noem maar even de chaos op het spoor, de mislukte privatisering van de thuiszorg, de chaos in de taxiwereld, en, om een voorbeeld van wat verder van huis te noemen, de miljardenzwendel bij de kampioen van de geliberaliseerde energiemarkt in de VS, Enron.
Volgens hartstochtelijke verdedigers van het neoliberalisme, zoals minister Jorritsma van Economische Zaken, valt over al deze voorbeelden veel te zeggen, maar zeggen zij tezamen toch ook weer helemaal niets over het neoliberale geloofsartikel dat de markt het beste instrument van ordening is dat we hebben.
Ik denk daar, het zal u niet verbazen, anders over.
Er zijn goede redenen om publieke voorziening als energie, vervoer en water ook publiek te houden en niet te privatiseren. Die redenen zijn erin gelegen dat de belangen die met deze diensten zijn gemoeid niet parallel lopen met de belangen die op de markt, en zéker op een neoliberale markt, het zwaarste wegen: namelijk de belangen van de kapitaalverschaffers, oftewel: de shareholders. Als zelfs in uitstekend georganiseerde landen als het onze, of de VS, deregulering en privatisering zulke enorme negatieve gevolgen kunnen hebben – hoe moet dat dan wel niet gaan in landen waar de consument nauwelijks is georganiseerd, waar geen goede civiele rechtsspraak is, waar kortom de matigende en dempende krachten die hier nog hun werk kunnen doen, vrijwel geheel ontbreken? In welke positie bevindt zich de bewoner van een sloppenwijk in Peru zich tegenover het geprivatiseerde waterbedrijf, als dat bedrijf besluit om de prijzen flink te verhogen? Hoe kan een kleine Afrikaanse boer dezelfde prijs bedingen voor water of energie als de multinationale agro-industriële onderneming die als gevolg van de WTO-afspraken vrije toegang moet hebben tot zijn land? Hoe, kortom, zou een geliberaliseerde en gedereguleerde markt van zulke basisbehoeften als energie en water moeten leiden tot grotere gelijkheid, in plaats van grotere ongelijkheid?
Het antwoord mag duidelijk zijn: als naar de protesten van die zogenaamde anti-globalisten, die voorstanders van een andere globalisering niet wordt geluisterd, zal de ongelijkheid verder toenemen.

Ik zei in mijn inleiding al dat er de afgelopen jaren een enorme verschuiving heeft plaatsgevonden van de harde economie naar de virtuele – van de sectoren waarin goederen en diensten worden geproduceerd die direct van invloed zijn op het welzijn van mensen, naar een sector die in hoge mate abstract en ongrijpbaar is: die van het internationale flitskapitaal. De handel in aandelen en opties, derivaten en valuta. De dagelijkse omzet op de valuta en derivatenmarkt is opgelopen van 75 miljard dollar in 1979 tot 1500 tot 2000 miljard dollar vandaag de dag. In januari 1974 was de VS het eerste land dat overging tot liberalisering van het kapitaalverkeer, gevolgd door het Engeland van Thatcher in 1979. De meeste Europese landen volgden begin jaren tachtig. Japan volgde iets later onder zachte druk van de VS. De meeste ontwikkelingslanden werden onder druk van de structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s) van de jaren tachtig en begin jaren negentig gedwongen hun kapitaal verkeer te liberaliseren. De voorstanders van deze liberalisering betoogden dat regulering toch niet effectief was en liberalisering meer buitenlandse kapitaal zou aantrekken. Wat er echter makkelijker in kan, kan er ook weer makkelijker uit. Paniek kan daarom tot massale speculatiegolven leiden die hele economieën tot de bedelstaf brengen. De zogenaamde ‘Tequila-crisis’ van 1994 in Mexico was de eerste van deze soort maar sinds die tijd is er een hele storm over de wereld getrokken: Azië in 1997, Rusland in 1998 (‘Wodka-crisis’), Brazilië in 1999 (‘Samba-crisis’), en Argentinië vandaag (‘Tango crisis’). De vrolijke namen nemen niet weg dat de gewone mensen uiteindelijk de rekening betalen van dergelijke crises. Buitenlands kapitaal ontsnapt vaak de dans omdat het IMF-reddingspakket nog even de tijd geeft om je terug te trekken op de kosten van de mondiale belastingbetaler. Daarna gaan de prijzen van importgoederen voor de gewone burger drastisch omhoog. Vaak houden de door het IMF bedongen voorwaarden in dat er moet worden bezuinigd op voedselsubsidies en moeten publieke voorzieningen worden geprivatiseerd. De Azië crisis is ongetwijfeld de diepste crises geweest van deze soort. Naar schatting raakten hierdoor zo’n tien miljoen mensen hun baan kwijt en kwamen weer aan de verkeerde kant van de armoedegrens terecht. Wat weinige weten is dat het IMF vóór de Azië-crisis in geuren en kleuren sprak over het zogenaamde “Aziatische wonder”. Na de crisis zei het IMF echter dat de crisis lag aan “slecht beleid”.

Ook hier geld dat er meer keuzevrijheid moet zijn voor ontwikkelingslanden dan dat ene, neoliberale model waarbij het kapitaalverkeer volledig vrij is, maar de bevolking gevangen zit in een keurslijf.

Tot slot: De neoliberale wereldordening is er een waarin de menselijke maat maar ook menselijke waarden aan betekenis hebben ingeboet. Honger, oorlogen, schendingen van mensenrechten: ze zijn aan de orde van de dag voor honderden miljoenen mensen zonder dat er iemand in het rijke Westen zich écht zorgen over schijnt te maken.
Het cynisme als overlevingsstrategie. We zien het wel, we horen het, we weten het wel, maar we doen niets, we dien niets.
Voor sommigen waren de aanslagen van 11 september vorig jaar als donderslagen bij een heldere hemel. Voor anderen een zeker niet goed te keuren maar wel een te verwachten reactie op de mondiale ontwrichting zoals die zich de afgelopen tientallen jaren aan ons heeft geopenbaard.
Onze toekomst ligt niet in het ontkennen van de wereld als een global village want die bestaat inmiddels. Door de zich ongekend snel ontwikkelende technologie wordt de wereld kleiner en kleiner. De wereld is een huis geworden. Maar als we die metafoor aanhouden, dan moeten we vaststellen dat op de eerste verdieping men in weelde leeft terwijl de mensen in de kelders creperen. Zo’n situatie is onhoudbaar en vraagt dus om een antwoord.
Het is dát antwoord waar ik mij sterk voor wil maken, een antwoord dat zijn uitwerking moet krijgen op zowel economisch, als politiek en ideologisch vlak, een antwoord dat gebaseerd moet zijn op de drie volgende principiële uitgangspunten:

  • een waardig bestaan voor iedereen
  • de erkenning van de fundamentele gelijkwaardigheid van iedereen
  • de vaststelling dat iedereen weliswaar gelijkwaardig is maar daarmee nog niet gelijk, en we dus niet kunnen zonder…..solidariteit.
Opties voor delen:
  • NuJIJ
  • eKudos
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google Bookmarks
  • email

Reacties uitgeschakeld