Van apart naar samen

Pleidooi voor een Deltaplan voor een geïntegreerde samenleving
Amsterdam – De Balie, 20 april 2002

Ik ben blij dat ik u vandaag de hoofdlijnen mag voorleggen van een Deltaplan voor een geïntegreerde samenleving. Immers de segreatie zoals die in de huidige samenleving steeds verder toeneemt, moet worden gekeerd. Het integratieproces moet vlot getrokken worden.

Dat Nederland zich in te veel opzichten ontwikkelt in de richting van een gesegregeerde maatschappij – zeg maar: aprtheid – wordt door de cijfers en de feiten aangetoond. Ik wil er u een aantal van noemen omdat ze de noodzaak van een ander beleid onderstrepen.

Op dit moment is het aandeel van niet-Westerse allochtonen in onze bevolking 8 procent. Volgens het CBS zal dat aandeel in 2015 toegenomen zijn tot 14 procent en tot 20 procent allochtonen vóór 2030.
In plaats van één op de elf inwoners zal dan één op de acht inwoners van Nederland van niet-Westerse afkomst zijn.
Tussen nu en 2015 zal het aantal autochtone inwoners stijgen met 8%; daarentegen zal het aantal inwoners met een Turkse achtergrond groeien met 35%, met een Marokkaanse achtergrond met 54%, met een Antilliaanse achtergrond met 36%, met een Surinaamse achtergrond met 43% en met een andere, voornamelijk Aziatische achtergrond met 193%.

Het landelijk gemiddelde, nu en in 2015 en 2030, is wat het zegt: een statistisch gemiddelde. Wie beter naar de cijfers kijkt, ziet dat er over de werkelijkheid heel wat meer te zeggen is.
De meeste allochtonen wonen in de vier grootste steden van ons land. Bijna eenderde van de bevolking daar is van een niet-westerse allochtone afkomst.
In de rest van Nederland gaat het om 10 procent.
In Nederland komen nu 23 postcodegebieden voor met een allochtone meerderheid. Op één na liggen die allemaal in Rotterdam, Amsterdam, Utrecht of Den Haag. Bekende grootstedelijke wijken met een overconcentratie aan allochtone bewoners zijn de Haagse Schildersbuurt (84%), het Rotterdame Delfshaven (69%), het Haagse Transvaalkwartier (80%), Amsterdam-zuidoost (70%) en Bos en Lommer (60%). Het zijn vooral mensen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse herkomst die de allochtone populatie in de grootste steden vormen.
Ook wonen de Kaapverdianen, de Ghanezenen de Pakistani voornamelijk in de grootste steden (resp. 83%, 74% en 70%). Mensen uit Irak, Irak, Afghanistan en Somalië worden meer landelijk gespreid.

Overigens, ook in de overige steden zien we concentratiewijken met niet-westerse allochtone bewoners, waarbij de aandelen allochtonen in de totale bevolking van de wijk doorgaans wel beduidend lager liggen dan in de vier grootste steden.

De concentratiewijken van allochtonen kenmerken zich volgens rapportages van het Sociaal en Cultureel Planbureau door een oververtegenwoordiging van kansarme, weinig op de Nederlandse samenleving geöriënteerde allochtone bewoners en relatief weinig autochtonen. De werkloosheid in deze wijken is bóvengemiddeld, het voorzieningenniveau benéden het gemiddelde en de kans om slachtoffer te worden van criminaliteit weer bóvengemiddeld – net als de kans om als dader bij crimineel handelen betrokken te raken.

Tengevolge van de geografische concentratie van allochtonen neemt ook het aantal scholen met een meerderheid aan niet-westerse allochtone leerlingen toe.
Het aantal ‘zwarte’scholen (= met meer dan 50% niet-autochtone leerlingen) bedroeg bij de eeuwwisseling zo’n 500, gelegen in 82 gemeenten van ons land. De ‘zwarte’school is het gevolg van een ruimtelijke concentratie van allochtonen.
Desgevraagd zegt een kwart van de niet-westerse allochtone ouders dat ze het liefste zien dat hun kinderen naar een witte school gaan, terwijl 41% kiest voor een gemengde school. Allicht: volgens de onderwijsinspectie blijken allochtone leerlingen duidelijk beter te presteren op scholen met relatief veel kansrijke leerlingen dan op scholen met relatief veel kansarme leerlingen. In een rapportage van de Verengde Naties wordt niet voor niets gemeld dat Nederland verdergaande stappen zal moeten ondernemen om schoolsegregatie tegen te gaan. Verschillende onderzoeken illustreren dat ons huidige onderwijs slecht uitpakt voor allochtone kinderen. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau geldt dat, naarmate de concentratie van allochtone leerlingen op een school hoger is, de gemiddelde leerprestaties lager zijn. Bij concentraties boven de 30% zakt de schoolscore onder het landelijk gemiddelde. Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse leerlingen verlaten de basisschool met een gemiddelde leerachterstand van twee jaar. Van kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst bezoekt 60% het voortgezet speciaal onderwijs, het idividueel voorbereidend beroepsonderwijs of het voorbereidend beroepsonderwijs; dat percentage is bijna eens zo hoog als het percentage autochtone kinderen in deze onderwijsvormen. Slechts 10% van de Turkse en Marokkaanse kinderen bezoekt een HAVO- of VWO-school. Bij Surinaamse, Antilliaanse en andere niet-westerse allochtone kinderen is het aandeel in HAVO en VWO hoger: 30% (jongens) en 40% (meisjes).
Nog een cijfer: na vier jaar voortgezet onderwijs is het voortijdig schoolverlaten bij Turkse en Marokkaanse allochtone leerlingen drie keer zo hoog als onder autochtone kinderen: 12 tegenover 4%.

Tengevolge van het wonen in wijken met overconcentraties aan allochtone bewoners en tekortschietend onderwijs haalt van de Turkse en Marokkaanse jongeren onder 35 jaar een kwart geen enkel diploma. Voor Caribische jongeren is dat circa 12%.

Het aandeel allochtone jongeren dat zonder zogenaamde startkwalificatie de arbeidsmarkt betreedt (minimaal twee jaar mbo, leerlingwezen, havo of vwo) is 25%; voor Turkse en Marokkaanse jongeren is het zelfs het dubbele. Eenmaal op de arbeidsmarkt maken niet-westerse allochtone inwoners van ons land veel minder kans dan autochtone collega’s. Turken en Marokkanen staan er het slechtste voor.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de inkomenspositie van allochtonen ongunstiger is dan die van autochtonen. Hun netto-uurloon blijft in de praktijk ver achter, met name bij Turkse en Marokkaanse werknemers, in mindere mate bij Caribische groepen. Ook de kans om werkloos te worden is oneerlijk verdeeld.

Logisch dus dat armoede onder niet-westere allochtone bewoners van Nederland drie maal zo vaak voorkomt dan bij autochtone Nederlanders. Niet-westerse allochtonen zitten minder in de WW en vaker in de bijstand, wat duidt op harde werkloosheid; in de WAO zijn Marokkaanse en Turkse werknemers oververtegenwoordigd.

Over oudere allochtonen is nog niet zoveel te zeggen, omdat zij met slechts 32.000 personen vertegenwoordigd zijn in de totale bevolking boven de 65 . Zeker is wel dat hun inkomenspositie in ieder geval een stuk slechter van die van even oude autochtone Nederlanders. Eén op de vijf leeft onder het sociaal minimum.

Voldoende cijfers en feiten dunkt me om aan te tonen dat Nederland een probleem heeft, een groot probleem dat ons niet toestaat nog langer te aarzelen en ons verplicht tot beter beleid, zodat allochtone mensen meer kansen krijgen en autochtone mensen meer bij het oplossen van het probleem betrekt.
Niets doen is geen optie meer!

Om te komen tot een beleid dat segregatie tegengaat en integratie bevordert, moeten we enkele belangrijke dingen gaan doen. Met ‘we’ bedoel ik autochtonen en allochtonen, bedoel ik algemene maatschappelijke organisaties en speficieke organisaties van allochtonen – van migranten én van asielzoekers, en met ‘we’bedoel ik iedereen die zich bezig houdt met het nemen en uitvoeren van politieke besluiten die nodig zijn om een dergelijk integrateproces een kans te geven: op lokaal én nationaal niveau.

We moeten snel en onbevangen samen de werkelijkheid onder ogen zien.
En ophouden met het creëren van wensbeelden; we moeten samen kiezen, kiezen waarnaartoe we willen als samenleving; we moeten zorgen dat we, en voorál onze kinderen, samen kunnen leren, dat we, autochtonen en allochtonen, samen kunnen wonen, en dat we, inwoners van Nederland, waar onze wieg ook gestaan mag hebben, in de ware zin van het woord samen kunnen léven.

Op basis van die uitgangspunten willen wij 20 voorstellen voorleggen aan de samenleving, voorstellen waarover wij dolgraag het debat willen aangaan en waar mogelijk snel van woorden tot daden willen komen.
We moeten gebruik maken van het momentum nu meer mensen dan ooit tevoren ervan blijkt geven dat ze inzien dat het anders móet. Ook onder politici lijkt er een kentering te komen.

Dames en heren,
Politici, maar ook vertegenwoordigers van organisaties, kunnen mensen niet integreren in de samenleving. Dat is iets van de mensen zélf!
Wat de overheid, gesteund door maatschappelijke organisaties, wél kan en móet doen, is zorgen voor de best mogelijke voorwaarden om de integratie te doen slagen.

Met die aantekening van bescheidenheid in het achterhoofd, noem ik u nu de 20 hoofdbestanddelen van ons Deltaplan voor een geïntegreerde samenleving.

1. Om vast te stellen wat er allemaal is misgegaan met het integratiebeleid en waarom, moet er een parlementaire enquête komen naar de effecten van het tot nu toe gevoerde beleid.

2. De procedure tot het verkrijgen van het staatsburgerschap moet worden vereenvoudigd, worden gestandaardiseerd en gratis zijn.

3. Het kiesrecht voor de gemeenteraad moet voortaan niet eerst na vijf jaar maar al na drie jaar worden verleend. Voor de provincie dient een soortgelijjk kiesrecht te komen.

4. Mensen moeten er voortaan voor kunnen kiezen om geen specifieke ‘allochtone’of ‘autochtone’ maar ‘gewone’inwoner van dit land te zijn.

5. Wie kiest voor teruggaan naar het land van herkomst dient geholpen te worden bij het realiseren van de terugkeer. Bestaande belemmeringen moeten worden weggenomen worden en de remigratieregeling moet worden verruimd. Verder moeten er bureausvoor advies en informatie voor remigranten komen, hier en ook in Turkije en Marokko.

6. Er dient een steeds verdergaande integratie van algemeen en bijzonder onderwijs in samenwerkingsscholen tot stand te komen. We moeten af van ‘witte’en ‘zwarte’scholen en op weg naar ‘gemengde’ scholen. Dat kan door actieve stimulering van gemengde scholen en een ontmoedigingsbeleid voor zwarte scholen.

7. Elke gemeente moet een actief scholieren-spreidingsplan maken om zo snel mogelijk gemengd onderwijs in de gemeente te realiseren. Er moet – indien nodig – goed en gratis scholierenvervoer geregeld worden.

8. Overal dienen schoolcontactfunctionarissen, die kunnen helpen om het schoolverzuim terug te dringen, te worden aangesteld. Door functionarissen uit de allochtone gemeenschappen in te zetten, kan het contact met de ouders verbeterd worden.

9. Buitenlandse geldstromen naar het onderwijs hier moeten niet langer worden toegestaan. Beïnvloeding van het onderwijs door organisaties uit het buitenland is onaanvaardbaar. Verenigingen en stichtingen in het onderwijs van wie blijkt dat zij toch geld ontvangen, verliezen hun recht op subsidie.

10. Er moet landelijk beleid ontwikkeld worden dat een doortastende aanpak van de ruimtelijke segregatie mogelijk maakt. De lokale overheden dienen effectieve en doorzichtige integratieplannen te maken op het terrein van ruimtelijke ordening en huisvesting. Deze plannen worden gefinancierd door de landelijk overheid.

11. De huidige witte wijken moeten van het slot en opengebroken worden voor allochtonen. Er moeten veel meer huurwoningen en goedkopere koopwoningen in witte wijken komen. In zwarte wijken dient de grootschalige sloop van betaalbare woningen te stoppen. Door beter woning- en woonomgevingsonderhoud moeten ze ook voor andere bewoners aantrekkelijk gemaakt worden.

12. Het woningtoewijzingsbeleid moet worden gericht op aanmoediging van een meer evenredige spreiding van allochtonen en autochtonen. Allochtone woningzoekenden dienen extra kansen te krijgen op woningen in witte wijken en autochtone bewoners moeten volop ondersteuning krijgen bij het houden of vinden van een woning in ‘zwarte’ wijken. De kwaliteit van wijken met overconcentraties van allochtonen moet verbeterd worden zodat deze wijken aantrekkelijker worden voor íedereen. Het gedogen van praktijken die het leefklimaat aantasten, moet stoppen. Overal dienen dezelfde regels te gelden en gehandhaafd te worden, ook voor het vestigingsbeleid van winkels en andere ondernemingen.

13. Iemand kan pas de inburgeringscursus verlaten als hij of zij voldoende kennis van de Nederlands taal en de Nederlandse samenleving heeft opgedaan. Deelname dient verplicht te zijn, uitval moet niet worden toegestaan. Oorzaken van uitval moeten worden aangepakt.

14. Alle wachtlijsten voor taalonderwijs aan allochtonen dienen te verdwijnen. De kwaliteit moet drastisch worden verbeterd. Er moeten aanvullende laagdrempelige en toegankelijke taal- en oriëntatiecursussen komen op wijkniveau. Ook de televisie kan een prominentere rol spelen in het taalonderwijs.

15. De werkgelegenheid van allochtonen dient bevorderd te worden. Ondernemingen die in hun personeelsbestand duidelijk achterblijven bij het in dienst nemen van allochtonen dienen daarop aangesproken te worden.

16. Subsidies voor langdurig werklozen moeten ingezet worden in het verbeteren van de arbeidsmarktpositie en het maken van nieuw perspektief door opleiding en bijscholing. Doorstromingsfaciliteiten naar ‘gewoon’ werk moeten extra aandacht krijgen. De mogelijkheden van scholing en bijscholing dienen te worden uitgebreid, evenals de begeleiding van werknemers die uit het arbeidsproces zijn geweest of er voor het eerst aan deelnemen. Gesubsidieerde banen (waarin veel allochtonen werken) moeten worden omgezet in normaal betaalde banen.

17. Religieuze organisaties dienen bij te dragen aan de integratie. Daarom moet er een einde komen aan de komst van geestelijken die geen kennis hebben van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving. Wie een verblijfsvergunning wil krijgen als geestelijke dient vooraf aan te tonen dat de gewenste kennis daadwerkelijk bestaat.

18. Buitenlandse financiering van in Nederland opererende religieuze genootschappen moet volstrekt transparant zijn.

19. Het bestrijden van criminaliteit en overlast door jongeren moet praktischer en meer resultaatgericht worden. Hulpmiddelen daarbij zijn het maken van profielen van daders, het ontleden van de harde kern van recidivisten en het begeleiden van jongeren die dreigen te ontsporen. De betrokkenheid van de ouders dient drastisch vergroot te worden.

20. Er moeten experimenten komen met jongeren die meehelpen bij het toezicht op de leefbaarheid in de wijk. Er moet een landelijke adviesraad komen van en voor jongeren uit de minderheidsgroeperingen die deze experimenten kan begeleiden.

Dit zijn ze, de bouwstenen van onze schets van een Deltaplan voor een geïntegreerde samenleving. Ik geef toe: er zijn zeker nog meer concrete voorstellen mogelijk. Die voorstellen willen we graag van u en van anderen horen, om ze te betrekken bij de uitwerking van dit plan.

Als we de hoop op een samenleving waarin we daadwerkelijk samen en niet apart wonen, leren, werken, spelen, leven, als we die hoop kunnen voeden met dit initiatief en met uw bereidheid daaraan op uw eigen wijze bij te dragen, dan ben ik een blij mens.
En hopelijk u ook!

Opties voor delen:
  • NuJIJ
  • eKudos
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google Bookmarks
  • email

zaterdag 20 april 2002 :: 12.14 uur

Reacties uitgeschakeld