‘Jan is tegenwoordig zo áárdig’

Van Maoïst tot toffe parlementariër
Vrij Nederland, 21 december 2002

Toen hij hoorde dat Afrikaanse kindertjes niet in de hemel zouden komen omdat ze niet gedoopt waren, wankelde het godsbesef van Jan Marijnissen. Hij koos een andere verlosser: Mao Tse-toeng, en legde zich toe op het bestrijden van onrecht in de wereld.. ‘Het meest bewonder ik zijn vermogen om te veranderen en te vernieuwen.’

De volgens kiezers op ‘één na betrouwbaarste politicus van Nederland’ (na Balkenende, onderzoek in opdracht van SBS) rookt een pakje Gaulloise per dag. Scheurt in zijn Peugeot 406 jaarlijks zestigduizend kilometer door het land. Draagt uit principe nooit een stropdas. Lievelingsgerecht: zuurkool. Bracht twee Hema-rookworsten mee voor de koningin om tijdens zijn audiëntie de ‘eenheidsworst’ van de Nederlandse politiek aan de orde te stellen. Schoffeerde Thom de Graaf door hem ‘pyromaan’ te noemen (voor het bekritiseerde onderwijsbeleid zou De Graaf na zeven jaar Paars medeverantwoordelijk zijn: ‘Hij zet er eerst de fik in roept dan: brand!, brand!’)

Stelt aan zijn medewerkers even hoge eisen als aan zichzelf. Kan niet tegen een ongeordend bureaublad. Werd gekapitteld toen hij het lef had ‘effen dimmen’ tegen de Kamervoorzitter te roepen. Werd ooit het ziekenhuis ingeslagen door extreemrechtse Turkse nationalisten. Vrouw Mari-Anne (ex-wethouder) en zeventienjarige dochter Lilian (kandidaat raadslid) roeren zich in de plaatselijke politiek. Natuurliefhebber, bezoekt één keer per week de sportschool. Onderwerpt zijn medewerkers aan dezelfde spartaanse eisen als hij aan zichzelf stelt. Bracht Karel Adelmund van de PvdA in de Tweede Kamer aan het huilen door tijdens een WAO-debat in de uitspraken uit haar vakbondstijd op te rakelen. Moest zélf huilen toen hij hoorde dat de socialist Lula president van Brazillië was geworden. Kampioen vragensteller, de ongekroonde koning van de woordspeling: ‘Bak Ellende’, ‘na Paarsplus Bentley I’, ‘een toverballenkabinet’, ‘dit is geen kabinet, hooguit een omgevallen nachtkastje.’

Kortom. Wat zouden we nog meer over Johannes Guillaume Chris Tianus Andreas Marijnissen willen weten?

‘Jan is een laatbloeier’, zegt zijn vroegere vriend, de schrijver Koos van Zomeren. ‘Dertig jaar heeft hij zich rot gewerkt voor de partij, aanvankelijk zonder veel succes. Hij heeft een lange, moeizame weg moeten afleggen om de charismatische leider te worden die hij nu is.’ De SP staat op tweeëntwintig zetels in de peiling! Van Zomeren: ‘Zonder Marijnissen zou die partij waarschijnlijk niet meer hebben bestaan. Toen hij de leiding overnam, was de SP op sterven na dood.’

Hoe begon het ook al weer?
De pijpenla waar de Rotterdamse multinational Unilever tot 1977 archief hield, stond te koop voor een bedrag waar een kapitalist zijn sigaar mee aansteekt. Beroepsrevolutionair Daan Monjé zag wel iets in het pandje aan de Vijverhofstraat als nationaal hoofdkwartier van zijn Socialistiese Partij. Vijf jaar na de oprichting begon die club eindelijk ergens op te lijken; de naamswijziging van de Kommunistiese Partij Nederland (marxisties-leninisties) was een slimme zet gebleken.

Initiatiefnemer Monjé, beroepsrevolutionair en ex-pijpfitter in de haven, was er snel achter dat het ‘volk’ nooit bereikt zou worden door een organisatie die zich zowel ‘kommunistisch’ als ‘marxistisch’ als ‘leninistisch’ noemde. Te veel moeilijke woorden achter elkaar, bovendien van een dogmatische grimmigheid die de ‘massa’ zou afschrikken. Socialistiese Partij (SP) bekte beter en was voor meer dan één uitleg vatbaar. Hoe ‘socialistisch’ de partij was, zouden de mensen vanzelf wel merken.

Rode Daan was in 1964 uit de CPN gezet vanwege zijn tomeloze geestdrift voor Mao Tse-toeng, terwijl hij de ‘revisionistische’ kritiek op Stalin geenszins deelde. Monjé kende zijn klassieken. In de jaren vijftig had hij in de arbeidersstaat DDR gewerkt en later was hij herhaaldelijk naar China gereisd om zich persoonlijk van de voortgang van de Culturele Revolutie te vergewissen.

Met gelijkgestemde kameraden hoopte hij hier een poldervariant van de proletarische revolutie te verwezenlijken, maar hij kreeg mot met de daartoe opgerichte Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland marxisties-leninisties (KEN-ml). Monjé splitste zich af en begon zijn eigen maoïstische splinter. ‘In dit gebouw had ik in 1977 mijn eerste vergadering met het partijbestuur waar ik als afgevaardigde van het district Brabant deel van uitmaakte,’ wijst huidig SP-secretaris Tiny Kox om zich heen. ‘Daan zei simpelweg tegen ons: we gaan een gebouw kopen en jullie moeten zorgen dat het geld er komt. Met plastic zakken vol briefjes van duizend ging hij de koopsom cash overhandigen.’

‘Zonder Marijnissen zou die partij waarschijnlijk niet meer hebben bestaan’
Koos van Zomeren, schrijver en oud SP’er

Het partijcentrum zag er aanvankelijk uit als ‘een somber, duister hol’, maar dat veranderde toen Jan Marijnissen er in 1984 kwam werken. Zijn overkomst naar Rotterdam was dringend gewenst. In Oss hielp Marijnissen de meest succesvolle afdeling uit de grond stampen, nu kon hij met zijn kwaliteiten de partij wellicht opstuwen tot de langverwachte landelijke doorbraak. Kox: ‘De daken in dit gebouw zijn van glas, maar er lag allemaal zand en troep op. Een van de eerste dingen die Jan deed toen hij hier kwam, was de boel schoonmaken zodat de zon door de plafonds naar binnen scheen. De muren werden wit geschilderd en sindsdien is dit een licht, transparant kantoor. Een symbolische daad, het was heel goed dat we de ramen gingen openzetten. Als de SP was gebleven zoals die toen was, zou er niets van terecht zijn gekomen. Dan werkte ik hier niet meer.’ Toen Monjé in oktober 1986 aan een hartinfarct overleed, nam Jan Marijnissen de organisatorische leiding in de Vijverhofstraat over. Twee jaar later werd hij gekozen tot partijvoorzitter, een functie die hij sinds acht jaar combineert met het fractievoorzitterschap in de Tweede Kamer.

Het gezicht van Jan werd bekend van pers, radio, televisie en verkiezingsdrukwerk. Vindt hij eigenlijk best vervelend, dat zijn gezicht dat van de SP werd. Tegenstribbelend liet hij zich de rol aanmeten die hem bij iemand als Van Mierlo steeds zo had geërgerd. Bij D66 waren de ‘poppetjes’ altijd belangrijker geweest dan het partijprogramma. Het ging toch niet om de verpakking, maar om de inhoud? En was het wel kies om het opkomen voor de zwakken in de samenleving tot een personality show te verheffen? Maar ja, zo schijnt dat tegenwoordig helaas wél te werken. Dat had Marijnissen al begrepen uit de marketingcursus bij de Open Universiteit, waarmee hij zich op zijn komende functies voorbereidde. Hij zuchtte en zei: ‘Wat moet, dat moet’ – sinds dertig jaar zijn lijfspreuk.

Als hem wordt hem gevraagd de oorzaak van zijn rebelse inslag te duiden, antwoordt Jan Marijnissen (52) nukkig dat hij ‘niet zo’n voorstander is van psychologiseren’. Zijn drie jaar oudere zus Ineke ondernam daartoe onlangs een poging in het Vara-programma Oog in oog. ‘Jan, het leven is jou bepaald niet in de schoot geworpen,’ begon ze. Er werden herinneringen opgehaald ‘een klein, kwetsbaar jongetje, observerend en heel stil’. Vader was ‘ontzettend blij’ met zijn jongste zoon; iedereen kon zien dat die twee het samen goed hadden.

Aan de idylle kwam abrupt een einde toen vader, ambtenaar bij de gemeente, plotseling stierf. Jan was tien en liep als misdienaar op kop van de rouwstoet door de sneeuw, een kruis met zich mee torsend dat groter was dan hijzelf. Zijn zussen mochten er niet bij zijn op het kerkhof, zoiets gaf voor meisjes in die dagen geen pas.
Een jaar later werd Jan ‘wegens onhandelbaar gedrag’ naar een kostschool gestuurd. Zus Ineke hield de ogen nauwelijks droog toen ze voor de tv-camera haar broer ernstig toesprak: ‘Al met al ben je altijd behoorlijk op jezelf teruggeworpen geweest, Jan. Vanuit die positie heb je je op een onconventionele manier ontwikkeld tot wie je nu bent.’

Terwijl de ontboezeming in de studio werd geprojecteerd, zat Marijnissen ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven. Hier houdt hij dus helemaal niet van. Dit zou allicht verkeerd worden uitgelegd. Zijn woede over het chronische onrecht in de wereld is oprecht. Dat gewroet in zijn psyche wekte ten onrechte de indruk dat zijn bevlogenheid niet meer is dan een vluchtheuvel voor jeugdtrauma’s.
Vooruit, een béétje zielenpijn hield hij er aan over; het kan best zijn dat een verkreukelde achtergrond hem tot op de dag van vandaag ‘enigszins beperkt in mijn affectieve mogelijkheden.’ In het internaat van de karmelieten in Oldenzaal werd ongehoorzaamheid bestraft met urenlang geknield op het zeil zitten. Dat klooster werd binnen twee jaar opgeheven, waarop de pupillen werden overgeheveld naar de norbertijnen in Heeswijk, die aardiger waren. Als je daar iets had uitgevreten dat niet mocht, moest je ‘s avonds om negen uur naar bed.

Toen begonnen de paters te vertellen over de arme kindertjes in Afrika die niet in de hemel zouden komen omdat ze niet waren gedoopt. Op slag wankelde bij voormalig misdienaar Marijnissen elk godsbesef. De barmhartigheid kwam blijkbaar niet van boven, eerder van een blozende, dikke meneer die hem toelachte vanaf een geïllustreerd tijdschrift dat in de refter rondslingerde. Dat was de eerste foto die hij van Mao Tse-toeng onder ogen kreeg. De prent maakte op hem een onuitwisbare indruk.

Op zijn vijftiende keerde hij terug naar het ouderlijk huis aan de Goudmijnstraat in Oss, waar het lawaaiige gezinsleven had plaatsgemaakt voor een bedompte stilte. De mongoloïde broer Chris, anderhalf jaar ouder dan Jan, was verhuisd naar een inrichting in Rosmalen. De twee bijna volwassen zussen woonden inmiddels op zichzelf. Moeder – door Jan voortaan aangesproken als ‘Marie’ – nam er een baantje bij als verkoopster van staatsloten.

Het was drie minuten lopen naar het Titus Brandsma Lyceum, waar bijdehante hbs’ers het docentenkorps inpeperden dat zelfs in de saaiste stad van Nederland de woelige jaren zestig waren aangebroken. Van Boekel, die handelsrekenen en boekhouden gaf, werd de provocerende vragen van Jan over de fundamentele verschillen tussen arbeid en kapitaal onderhand spuugzat.
‘We wilden dat gezapige Oss een beetje op stelten zetten,’ herinnert zich medescholier Joep Bijnen die met vrienden het ludieke ‘undergroundblad’ De Koe redigeerde. ‘Er hing verandering in de lucht, een ontwakend revolutionair bewustzijn. We lieten ons inspireren door de provo’s in Amsterdam. Van ons krantje verkochten we grif zeshonderd exemplaren per nummer.

Jan bood aan een thema-aflevering over Herbert Marcuse samen te stellen. Had ik nog nooit van gehoord, maar het leek ons wel grappig omdat Marcuse een koe-klank had. We schrokken ons rot toen Jan de kopij inleverde. Er was niet doorheen te komen, zo moeilijk was dat. Het blad verscheen, maar we raakten de oplage aan de straatstenen niet kwijt. Dat was het einde van De Koe.’

Jan Marijnissen werd actief in de Wereldwinkel, voerde actie voor Cubaanse rietsuiker en wierp zich op als drijvende kracht van het Vredesburo in Oss. Nadat een gastspreker de uitbuiting van de Derde Wereld door multinationals had belicht, trok Jan er diezelfde nacht op uit om op de stoep van de Organon-fabriek ‘Akzo buit de Derde Wereld uit’ te kalken. De volgende ochtend zag hij ontgoocheld hoe gemeentewerkers bezig waren de trottoirtegels om te keren. Wég actie!

Met zijn vriend Leon van Liebergen beschilderde hij de toegangswegen van Oss met het woord Nixon (een hakenkruis verving natuurlijk de middelste letter), hij zamelde geld in voor de Vietcong en leidde demonstraties tegen Franco. Zeventien was hij, toen hij op 6 december 1969 de lezers van het Brabants Dagblad per ingezonden brief vermanend toevoegde: ‘Sinterklaas is een feest voor alle mensen. (…) U was blij, want u kreeg cadeautjes. Maar nog blijer zijn de fabrikanten. U denkt dat u vrij bent om te kopen wat u wilt en hoeveel u wilt. Maar dat is schijn. De reclame dwingt u tot meer kopen en daarvoor wordt de goedheiligman misbruikt. Sinterklaas kwam met zijn knecht. Die knecht is zwart. Staat u er wel eens bij stil dat zoiets beledigend kan zijn voor onze zwarte broeders?’
De rector van het Titus Brandsma Lyceum wilde dolgraag af van zo’n lastpak die de lesstof aangreep om permanent principiële discussies uit te lokken. Na een zoveelste woordenwisseling werd Jan Marijnissen van school gestuurd. Hij belandde op de gemeentelijke hbs in het rode bolwerk Nijmegen, maar toen het eindexamen in zicht kwam, haakte hij af.

Het werd tijd om zich metterdaad te overtuigen van het gelijk van Mao die stelde dat ‘de juiste ideeën in de praktijk ontstaan’. De scholingscursus marxisme, waar ze bij de Wereldwinkel op eigen kracht mee waren begonnen, dreigde te verzanden in vrijblijvend gebabbel. De afdeling van de KEN-ml in Nijmegen wist desgevraagd een oplossing voor dat probleem en vaardigde een kameraad af om de politieke vorming in Oss op het vereiste niveau te brengen. Na een aantal sessies meldde Jan zich aan als lid. Praten was zo makkelijk, nu kwam het op dáden aan.
Na het schisma in de KEN-ml koos Jan voor de KPN-ml (en later de SP) van Daan Monjé, die intellectuelen opriep om, indachtig het woord van Mao, in de fabriek te gaan werken: ‘Wij moeten leren ons onder de massa te begeven en van de massa te leren. Wij moeten uit ervaringen van mensen leerstellingen samenstellen en die vervolgens weer aan de massa overbrengen en de massa oproepen om ze in de praktijk te brengen om problemen op te lossen.’ (Het Rode Boekje, citaat 167).

Voor het station in Oss wacht het rode bestelbusje van de SP, waarmee raadslid (sinds zestien jaar) Paul Peters een stadstoer langs de historische plekken uit het leven van de partijvoorzitter zal verzorgen. Hij kent Jan al een dikke dertig jaar. Samen met een paar geestverwanten werden ze in 1971 lid van de KPN-ml en later de SP. Peters was toen zestien, hij is drie jaar jonger dan Jan. Het was overdag in de fabriek werken, met arbeiders discussiëren en horen wat de problemen waren om daar actie op te ondernemen. ‘s Avonds en in de weekend werd er gecolporteerd met De Tribune, vergaderd, actie gevoerd of gediscussieerd over problemen die de ‘mensen bezighielden’. Het was hard aanpoten, maar revolutie was om de drommel geen theekransje.

‘We zijn geworden wat we zijn dankzij de partij. Die haalde uit iedereen het beste naar boven’
Paul Peters, SP-raadslid Oss

Op het kantoor in Rotterdam is Peters de onvermoeibare organisator die bij de komende verkiezingscampagne weinig nachtrust zal zijn vergund. ‘Voor mij geldt een beetje hetzelfde als voor Jan Marijnissen,’ zegt hij. ‘We zijn geworden wat we zijn dankzij de partij. Die haalde uit iedereen het beste naar boven. Ik kon bijvoorbeeld niet typen, maar als je een pamflet in elkaar wilde zetten, dan moést je wel. Bij de SP heb ik leren organiseren.’
Peters stuurt het partijbusje richting Goudmijnstraat. Kijk, daar op nummer 53, een eenvoudige middenstandswoning waar de rolluiken zijn neergelaten, woonde Jan met zijn moeder. De straat wordt overschaduwd door lange, massieve hallen van wijlen tapijtfabriek Bergoss. Wat ze daar niet aan actie hebben gevoerd! Als jonge snotneuzen van nog geen twintig kregen ze het toch maar voor elkaar dat zeshonderd arbeiders in staking gingen.
Peters: ”s Morgens om zes uur stonden we met pamfletten aan de poort. Als Jan zich had verslapen, liepen we naar zijn huis en gooiden steentjes naar het raam om hem wakker te maken.’ De industrie, waar Oss zijn groei aan te danken had, is vrijwel verdwenen uit de stad. Onlangs werden bij Philips honderdvijftig banen geschrapt, het laatste varken bij vleesbedrijf Zwanenberg werd al halverwege de jaren tachtig geslacht. Marijnissen werkte anderhalf jaar als worstophanger bij Unox; hij werd er gedeeltelijk doof omdat hij constant in 105 decibel stond te werken.
Het busje passeert het Titus Brandsma Lyceum. Rechts ligt de Molenstraat met ijssalon Venezia die in de late jaren zestig als hangplek voor de politiek bewuste langharigen fungeerde. Jan leerde er zijn Mari-Anne kennen, met wie hij in 1976 in het huwelijk trad. Datzelfde jaar werd hij, drieëntwintig jaar oud, geïnstalleerd als het jongste raadslid van Nederland, maar bij eerdere verkiezingen had de partij toen al drie zetels in Oss veroverd.

De ‘massa-organisaties’ als de Bond van Huurders- en Woningzoekenden, Arbeidersmacht en de Vereniging Voorkomen Is Beter bleken, zoals verwacht, inderdaad adequate voertuigen op weg naar de triomf. Na een snelle rit door de Florialiastraat (‘Aha, Jan is thuis, zijn auto staat voor de deur,’ stelt Peters vast) wordt het tijd voor een bezoek aan de Peperstraat.
De meeste huizen in de smalle doorgang achter het centrum zijn afgebroken, maar nummer 7 staat er nog steeds. Tegenwoordig is er dameskapsalon Miriam in gevestigd, maar tot 1988 was dit het lokale partijcentrum waar het dag en nacht bruiste van activiteit. Voor de kameraden die de zolderverdieping bewoonden, schoot het privéleven erbij in. De laatste lokale verkiezingsoverwinning dateert van oktober, toen de SP uitkwam op vijftien zetels tegenover een schamele twee zetels voor de PvdA. Het was die avond groot feest in het SP-complex aan de Linkensweg, waar ook de groepspraktijk Ons Medisch Centrum onder auspiciën van de partij spreekuur houdt.

Een muur in de grote zaal is behangen met affiches die de strijdbare geschiedenis ter plaatse in één oogopslag samenvatten. Bij een kopje koffie vergelijkt Paul Peters zijn vriend Jan met een oom, die als stoffeerder met weinig opleiding wél verdomd goed wist wat in de wereld te koop was en via zelfstudie kennis van het Latijn verwierf.
‘Zo is het met Jan ook, zo is het met veel van ons. Het is geen diplomawijsheid, maar door veel te lezen, te discussiëren, op onderzoek te gaan en nieuwsgierig te blijven is het mogelijk inzicht en een denkniveau te bereiken dat niet onderdoet voor dat van een academicus. Jan heeft de gave van het woord en is een uitstekend analyticus. Het meest bewonder ik zijn vermogen om zekerheden in twijfel te trekken, te veranderen en te vernieuwen.’

‘Goh, wat is die man veranderd,’ stelt oud-Tweede-Kamerlid Ina Muller-van Ast (75) uit Oss. Tot 1975 zat ze twaalf jaar voor de PvdA in de gemeenteraad van Oss, waar ze de SP-fractie leerde kennen als ‘een stelletje rotjongens’. Bikkelhard, overal op tegen en er kon nooit een lachje af, want humor hadden ze niet. Met een groep oud-parlementariërs bracht mevrouw Muller-van Ast onlangs een bezoek aan het Binnenhof en daar liep ze die Marijnissen weer tegen het lijf. ‘Ik herkende hem bijna niet meer terug. Zo aardig en charmant. Een heel ander type mens dan hij vroeger was.’

‘Iedereen die destijds bij die club zat, is veel aardiger geworden. Ikzelf ook,’ zegt schrijver Koos van Zomeren, die tussen 1970 en 1975 als fulltime agitator bij de partij in dienst was. Hij schreef de dogmatische ballast van zich af in een half dozijn boeken waar Marijnissen zichzelf nauwelijks in zegt te herkennen. Van Zomeren bewondert het vermogen van zijn vroegere kameraad om feilloos te verwoorden wat onder het volk leeft, al klinkt diens verbale lenigheid hem soms als klassieke SP-retoriek in de oren. ‘Maar dat heb ik bij Balkenende ook, die praat ook in de stijl van het oude CDA.’

‘Ik ben het volstrekt oneens met mensen die Jan Marijnissen een wolf in schaapskleren noemen’
Kees Slager, SP-kenner

Vanaf 1977 ondernam de SP verwoede pogingen om tot het parlement te worden toegelaten, maar het zou tot 1994 duren voordat kiezers de partij aan twee zetels in de Tweede Kamer hielpen. Het ziet er naar uit dat dit er bij de komende stembusstrijd meer dan tweeëntwintig zullen zijn. Niets is onmogelijk, Mao zei het al: ‘Uit een vonk kan een steppenbrand ontstaan.’
Kees Slager beschrijft in zijn meeslepende geschiedenisboek Het geheim van Oss hoe de vonk ruim dertig jaar geleden oversloeg. ‘Ik ben het volstrekt oneens met mensen die Jan Marijnissen een wolf in schaapskleren noemen. Er is geen wolf,’ vindt Slager.

‘Het enige dat me opviel toen ik al die SP’ers van het eerste uur in Oss interviewde, is dat Jan selectiever dan anderen was in zijn herinneringen over de maoïstische periode. Dat beschouwt hij echt als een afgesloten hoofdstuk. Hij praat daar niet graag meer over.’

Toon Voets, die bijna een kwarteeuw voor de SP in de gemeenteraad van Oss zat, vraagt zich af waar de felheid van Marijnissen is gebleven. ‘Ik zag hem vrolijk handenschudden bij het afscheid van Kok, terwijl er alle aanleiding was geweest om daar een kritisch geluid te laten horen. Jan is tegenwoordig zo áárdig tegen iedereen. Misschien moet je dat wel zijn om succes in Den Haag te hebben. Of misschien ga je na een tijdje vanzelf zo praten als je lang in de Kamer zit.’

Opties voor delen:
  • NuJIJ
  • eKudos
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google Bookmarks
  • email

zaterdag 21 december 2002 :: 15.06 uur

Reacties uitgeschakeld