5 mei

The day after…

Gisteren 2 minuten stil in de auto, in een parkeergarage in Tilburg.
Op weg hoorde ik de toespraak van Geert Mak in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Een indrukwekkend en treffend verhaal.

Voorbij de blanco spaties

Ik ben een kind van Enola Gay. Ik ben een kind van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki die begin augustus 1945 een abrupt einde maakten aan de Tweede Wereldoorlog. Mijn moeder zat op dat moment in een Japans interneringskamp, mijn vader werkte als krijgsgevangene in Malakka.

Jaren later kwam ik erachter dat beiden op dat moment, menselijkerwijs gesproken, nog hooguit enkele weken te leven hadden. In Hiroshima en Nagasaki vielen ongeveer tweehonderdduizend slachtoffers, vooral vrouwen en kinderen. Volgens sommigen ben ik het kind van een oorlogsmisdaad, en ik geef ze geen ongelijk. Maar zonder die oorlogsmisdaad zou ik nu niet voor u staan. Alle moraal zakt hier weg in een onpeilbaar gat.

Waarom zijn wij hier bijeen, iedere vierde mei opnieuw? Om onze Nederlandse doden en geliefden te herdenken, maar ook om onze harten te laten uitgaan naar al die anderen die omkwamen, aan de stranden van Normandië en Walcheren, in de straten van Oosterbeek en Berlijn, bij het beleg van Leningrad, in de Javazee en op de konvooiroutes naar Moermansk, in de kampen van Belzee en Sachsenhausen, in de bergen van Birma en Italië, in de gevangenissen van Berlijn, Rome en Scheveningen.
We gedenken ze allemaal samen, en zo moet het ook, want het ging niet enkel om Nederland in die jaren, het was een Europese oorlog, een wereldoorlog, een fundamentele strijd om moraliteit, om recht, democratie, menselijke waardigheid, om alles wat onze huidige samenleving samenbindt – of zou moeten binden. Onze familiegeschiedenissen, onze historische ervaringen, ze mogen van land tot land diep verschillen, maar één ding hebben wij, Europeanen, allemaal gemeen: wij weten dat de historie geen brave bioscoopfilm is, dat geschiedenisverhalen meestal wreed, oneerlijk en onmenselijk zijn, dat ze zelden goed aflopen, en dat de ware helden vergeten worden. En we weten – of, beter gezegd, we kunnen weten – dat vrede broos is, en kostbaar, en allerminst vanzelfsprekend, en dat in de Europese geschiedenis uiteindelijk alles met alles samenhangt: inderdaad Berlijn valt niet te begrijpen zonder Versailles, Parijs niet zonder Verdun, Praag niet zonder München, Warscha niet zonder Moskou, Amsterdam niet zonder Bergen-Belsen en Omaha Beach.

Op het terrein van Auschwitz-Birkenau, in en rondom de ruïnes van de crematoria, is in de loop der jaren een zevental handschriften aangetroffen. Ze waren duidelijk met opzet verborgen door kampbewoners die hun ervaringen voor het nageslacht wilden vastleggen. Een van de manuscripten – om precies te zijn: het zogenaamde jiddisch-anonieme handschrift – maakt melding van een incident dat eind 1943 plaatsvond. Op een dag werden enkele honderden Nederlandse joden naar de gaskamers gebracht, samen met bijna tweehonderd Poolse partizanen. Toen ze zich allemaal hadden uitgekleed hield, aldus de auteur, een jonge Poolse vrouw een vurige redevoering, die ze besloot met de woorden: ‘We zullen nu niet sterven, de geschiedenis van ons volk zal ons vereeuwigen, onze wil en onze geest zullen leven en opbloeien.’ Ze wendde zich ook tot de joden van het Sonderkommando: ‘Vertel onze broeders, ons volk, dat we bewust en vol trots onze dood tegemoet gaan.’ Daarna zongen ze het Poolse volkslied, de joden zongen de Hatikwa en gezamenlijk zongen ze de Internationale. Tijdens het gezang werden de gaskristallen in de kamer gegooid en – ik citeer nu het handschrift – ‘allen gaven de geest onder gezang en extase, dromend van verbroedering en verbetering van de wereld.’
Overal in Europa hebben mensen zo hun laatste waardigheid bijeengepakt, en ze zijn het kwaad te lijf gegaan, vaak in een hopeloze strijd. Ik wil op deze plek een paar namen noemen, sommigen bekend, de meesten niet. Witold Pilecki, officier van het Poolse ondergrondse leger, die kans zag Auschwitz binnen te dringen en er twee jaar lang verzetscellen organiseerde. Jean Moulin, de voormalige profeet van Chartres, de grote organisator van de Franse résistance, die telkens opnieuw vanuit het veilige Londen zijn leven waagde in zijn bezette vaderland. Wally en Gijsbert van Hall, twee bankiers die de grootste bankfraude uit de Nederlandse geschiedenis op touw zetten, en daarmee zowat het hele verzet wisten te financieren. De Italiaanse auteur Leone Ginzburg van de verzetsgroep Giustizia e Libertà, die zijn angst beschouwde als zijn grootste vijand, waartegen hij telkens weer al zijn krachten moest bundelen – hij stierf op 5 februari 1944 aan de gevolgen van marteling en mishandeling. Hans Oster, de Duitse Abwehr-officier die vanwege zijn anti-naziprincipes Hitlers aanvalsplannen aan Nederland doorgaf, en die vlak voordat hij in Flossenburg werd opgehangen aan zijn zoon schreef: ‘Wij blijven fatsoenlijke kerels. Kome wat komt!’
Ik herinner me het kleine joodse museum van Vilnius, de Galerij der Rechtvaardigen die ze daar hadden, de portretten van de paar Litouwers die, ondanks de waanzinnige risico’s, joodse gezinnen hadden beschermd in het tomeloze geweld dat daar plaatsvond. Ik zie de eenvoudige gezichten nog voor me, soms mooi, soms dik en goedig, altijd gewoon: een boer, een houtvester, een dorpspastoor, een spoorarbeider, een zorgzame buurvrouw.
Ik denk ook aan de redacteuren van het dagblad de Münchener Post, die tot het laatst toe Hitler en zijn bende met hun pen te lijf gingen – de meesten belandden, zoals te verwachten viel, in het concentratiekamp Dachau. De drie Belgische studenten die bij Mechelen bijna tweehonderdvijftig joden lieten ontsnappen door een deportatietrein tot stoppen te dwingen. De Denen die in oktober 1943 bijna alle joden met vissersboten naar Zweden lieten ontkomen. De Amsterdammers die het lef hadden om de Februaristaking te organiseren. De tienduizende Europese families die vervolgden een onderduikplek bode, de verzets- en partizanengroepen over het hele continent, de grote, machtige, internationale samenzwering van mensen die, simpelweg, deugden.

Verzet is nooit een vanzelfsprekendheid. Het is een pijnlijke vorm van dwarsliggen, die door je omgeving meestal niet in dank wordt afgenomen. Het duurt lang voordat het woord ‘illegaliteit’ een heldenstatus krijgt. Als je kijkt naar de leeftijden van de partizanen die zich in Warschau doodvochten, de jongens en meisjes in de Feranse maquis, de koeriersters en de knokploegen van het Nederlandse verzet, dan schiet het telkens weer door je heen: wat waren de meesten eigenlijk jong, zeventien, twintig, met commandanten van vier-, vijfentwintig. Voor verzet heb je idealen nodig, en passie, en grootsheid. En tegelijk een diep geworteld gevoel van moraliteit.
Veel mensen hebben moeten wennen aan het idee van verzet. Het waren brave burgers die er pas gaandeweg van overtuigd raakten dat hier alle grenzen werden overschreden. ‘Het algemeen verbreide besef dat je voor geweld niet wijkt maar je ertegen verzet is van nu, van achteraf, niet van toen,’ schreef Primo Levi, de grote Italiaanse chroniqeur van de concentratiekampen. En, laten we eerlijk zijn, bij velen is dat besef nooit gekomen. Ze keken niet, of ze keken weg. En ze weigerden de kwellende dialoog met zichzelf aan te gaan, omdat hun rust, hun loopbaan, en een ordelijk verloop der dingen voor hen zwaarder wogen.
Diezelfde Primo Levi heeft ooit zijn relatie beschreven met een Duitse collega-chemicus, waarmee hij in Auschwitz nauw samenwerkte. Ze deden dezelfde proeven, overlegden las gelijken over de vragen van hun vak, en er was maar één verschil tussen beiden: Levi zat ’s avonds binnen het prikkeldraad en zijn collega erbuiten. Deze Oberingenieur zei later dat hij van de gaskamers niets had geweten, hij had er nooit iemand naar gevraagd. ‘Hij trakteerde zichzelf niet op leugens,’ schreef Levi, ‘maar op lacunes, blanco spaties.’
De voorbeelden kennen we allemaal, ook uit onze eigen geschiedenis. Ik noem er één. Al voor de oorlog, in februari 1934, werd een jeugdige Duitser, een zekere Herbert Frahm, in Laren opgepakt, toen hij daar met een internationaal gezelschap van vervolgde linkse jongeren bijeenkwam om een antwoord te zoeken op de almaar toenemende nazi-terreur. Ze werden bij de grens van Zevenaar door de Nederlandse politie keurig aan de Gestapo overgedragen, de meesten verdwenen voorgoed. Blanco spaties. Alleen Herbert Frahm ontsprong de dans, Noorwegen stelde zich voor hem garant, en later zou hij, onder een nieuwgekozen naam, uitgroeien tot een van Europa’s grootste staatslieden: Willy Brandt.
Ik moet ook altijd terugdenken aan het lucide en bijna profetische portret dat de Duits/Britse journalist Sebastian Haffner midden in de oorlog publiceerde over Hitlers topmanager, de hoffelijke en intelligente Albert Speer, de keurige, briljante technocraat, die verder alleen aan zijn carrière dacht. Juist de lichtheid, schreef Haffner, dat niet-nadenken zorgde ervoor dat jongemannen van zijn soort de schrikwekkende machinerie van oorlog en onmenselijkheid tot het uiterste bleven bedienen. In zijn woorden: ‘Dit is hun tijd. De Hitlers en Himmlers raken we wel kwijt, maar de Speers, wat er met hen individueel ook moge gebeuren, zullen nog lang onder ons zijn.’
Ook het kwaad is, kortom, een ingewikkelde zaak. Het bestaat lang niet altijd uit monsters en beulen. Het kan charmant en beschaafd zijn, stipt en ordelijk. Het kan voortvloeien uit wreedheid en rassenhaat, maar ook uit angst, onverschilligheid en cynisme, uit, inderdaad, ‘blanco spaties’.

Ik ben een kind van de Enola Gay, van het einde van iedere moraliteit. Tegelijk is mijn hele generatie bepaald door een immense opluchting, door nieuwe principes en prioriteiten: nu zou alles goed komen, nu zou alles anders worden. Die verwachting drukt nog altijd op onze schouders, en we moeten er het beste van zien te maken.
Nooit zal ik mijn vaders verhaal vergeten over een Birmese vrouw die hem en een paar andere uitgeputte krijgsgevangenen, ondanks het getier van de Japanse bewakers, rustig een kop thee en een stuk koek kwam brengen. Wees goed voor ontheemden en schlemielen, want morgen kun je het zelf zijn, dat leerde ik zo. En respecteer iedere oude Birmese vrouw, want zij kan degene geweest zijn die je vader redde.
De oorlogservaringen van onze ouders hebben ons kracht gegeven, en inspiratie. Velen zijn zwaargewond uit de oorlog gekomen, geestelijk en lichamelijk, en niet zelden is het leven van hun kinderen mede daardoor bepaald. Tegelijkertijd is de oorlog ook de kiem geweest van een zeer zelfbewuste generatie. Mijn oudere broers en zussen lieten zich, na jaren bezetting en Jappenkamp, niets meer wijs maken. ‘Erger dan dood kan toch niet,’ zeiden ze, en ze klommen in de hoogste bomen. Het overleven van een ramp maakt een ongekende levenskracht los, die hele families en hele continenten doortrekt, dat kan ik u uit eigen ervaring verzekeren.
Maar luisteren we verder nog wel eens naar die stemmen van toen? Wat zouden ze zeggen, Leone Ginzburg, Wally van Hall, die Poolse vrouw in Birkenau? Hoe zouden hun verbaasde vragen klinken? Waar is onze gedroomde internationale broederschap? Waar is de Europese beweging, dat groots ingezette vredesproces, op uitgelopen? Wat heeft jullie generatie gedaan met de gerechtigheid en de vrijheid? Waarom hangen er wolken van cynisme rondom onze felbevochten democratie, overal in Europa? Waar is de passie? Waar het gevoel dat politiek ook groots kan zijn? Is het allemaal voor niets geweest, voorbije tijden, vergetelheid?
Wij, kinderen van de oorlog, moeten op die vragen, in deze zeldzaam gecompliceerde tijd, antwoorden vinden, op onze eigen manier. Wij moeten onze moraliteit weer bijeenrapen zoals vorige generaties hun moed en verzet moesten oppakken en heruitvinden. Hun levenslot vertelt ons dat gerechtigheid en vrijheid nooit vanzelfsprekend zijn, nooit gemakkelijk, en nooit alleen ons, relatief veilig levende Nederlanders, toebehoren. Het vraagt, eist een permanente waakzaamheid jegens ‘blanco spaties’.
Hun stemmen klinken zacht, steeds verder weg in de tijd, maar nooit zullen ze verstommen. En hun wil en hun geest zullen leven, bloeien.

Opties voor delen:
  • NuJIJ
  • eKudos
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google Bookmarks
  • email

woensdag 05 mei 2004 :: 18.05 uur

9 Comments

9 reacties

  1. Ja Jan mooie tekst
    vooral de tekst:
    “Verzet is nooit een vanzelfsprekendheid. Het is een pijnlijke vorm van dwarsliggen, die door je omgeving meestal niet in dank wordt afgenomen”.

    Reactie door Tim — woensdag 5 mei 2004 @ 21.02 uur

  2. Plinius De Jongere
    - In ons verdriet zoeken we troost bij de borstbeelden van onze doden die we in onze huizen opstellen. De standbeelden die op openbare plaatsen staan zouden ons nog veel meer troost moeten geven omdat deze behalve de vouw en het gelaat van de mensen ook hun roem en aanzien kunnen oproepen.

    Reactie door folkert de lepper — woensdag 5 mei 2004 @ 21.44 uur

  3. Toch wringt er iets in de tekst van Mak. Laten we het houden op literaire vrijheid. Maar in diverse publicaties is aangetoond dat de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki niet nodig waren. De oorlog was al zogoed als beeindigd. De enige reden voor het gooien van de bommen was het bestuderen van de effecten van de atoombom en een signaal naar de wereld. Bovendien was het een aanval op de burgerbevolking. Een oorlogsmisdaad dus.
    Ik geloof niet dat Geert Mak er niet zou geweest zijn als die bommen niet gevallen waren. Japan was al van plan te capituleren.
    Verder niets dan lof voor deze mooie toespraak.

    Reactie door Hetty — woensdag 5 mei 2004 @ 22.39 uur

  4. Het is wel wat laat maar ik wil dit toch ook even schrijven.
    Mijn schoonvader heeft gevangen in Natzweiler gezeten, waar men zover ik weet aan projecten werkten waar weinig van bekend was, als het project gedaan was moesten de gevangen afgevoerd worden, waarna waarschijnlijk niet niets meer van hen vernomen werd. Een Dr. Braun was daar ook aanwezig die later voor de Amerikanen is gaan werken. Des ondanks haate hij de gewone Duitse soldaat en burger niet ,zij werden ook maar gestuurd zij hij altijd.

    Reactie door folkert de lepper — vrijdag 7 mei 2004 @ 22.40 uur

  5. Het is een vreemde toespraak en als ik hem lees weet ik niet wat ik er mee moet.
    Mijn opa zat in een jappenkamp en zat in de mijnen ten tijde dat de bommen vielen dankzij deze bommen is hij levend eruit gekomen daar ben ik het wel mee eens.
    Daar in tegen was mn opa wel heel vroeg overleden aan ziektes die toen nog niet echt bekend waren.
    Mijn moeder was een gezonde vrouw die plots rond haar vierentwintigste begon te kwakkellen met de gezondheid. Ik zal u de details onthouden wat het ziektebeeld betreft want zo plezierig was dit niet , maar onderzoek heeft geleerd dat deze plotselinge ommezwaai van gezondheid goed aan de bommen van Hiroshima en Nagasaki te wijten waren.
    En of het nu wel of geen misdaad is geweest ik ben er blij mee dat ik nu hier kan typen, dus misschien ook wel dat deze bommen zijn gevallen ……………. of toch niet ?

    Hoe dan ook de toespraak van Geet Mak heeft een hoop indruk op mij gemaakt!

    Reactie door marc — zaterdag 8 mei 2004 @ 10.39 uur

  6. Een treffende toespraak, veel stof tot overdenken en introspectie: ‘wat zou ik zelf gedaan hebben…?’

    Hierin worden in feite extremen beschreven: ‘duivels’ tegenover ‘engelen’. In het dagelijks leven komen deze niet voor dan bij hoge uitzondering.
    Ik wil aan de hand van een ramp een proces illustreren, dat vergelijkbaar is met hetgeen Mak heeft geschetst.

    Er was eens …., er is nog ….. (naar dr. Schuurman)

    Een van de ernstigste ongelukken door de mens teweeggebracht betreft de kernramp bij Tjernobyl. ‘Zoiets kan bij ons niet gebeuren’ luidde een krantenkop alhier. Uit onderzoek naar oorzaken van grote catastrofes blijkt volgens Prof. Wagenaar uit Leiden dat deze veelal ontstaan door een ingewikkelde samenloop van kleine fouten. Die fouten nemen zelden de vorm aan van kapitale blunders, waarvan iedereen de gevolgen had kunnen voorspellen. In de meeste gevallen worden deze fouten niet afgestraft met een ramp, en loopt het goed af. Deze kiemen van catastrofes, de eerste >puistjes= [om een medische vergelijking te gebruiken] zien we vaak over het hoofd, omdat we naar evidente blunders zoeken, naar ‘etterbuilen’. Hierdoor komen we tot de misplaatste geruststellende conclusie dat het bij ons niet kan gebeuren.
    Berichten over grove schendingen van mensenrechten elders in de wereld doen we af met ‘ach wat erg toch daar, maar zoiets kan bij ons niet gebeuren’. Laten we samen op onderzoek gaan of deze geruststellende uitspraak gerechtvaardigd is.
    In 1948 werd de Universele Verklaring voor de Rechten van de mens door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aanvaard. Wat is er bereikt in de ruim 50 jaar? Een geweldige bewustwording en het vormen van een sterke publieke opinie was het gevolg. Zeer invloedrijke niet-gouvernementele organisaties zoals onder meer Amnesty International werden in die periode opgericht.
    Nederland komt in het Jaarboek van Amnesty International niet voor als zijnde een land waar de mensenrechten structureel worden geschonden, de ‘etterbuilen’ zien we hier niet. De vraag die we onszelf moeten stellen is echter: kunnen we in onze omgeving en in onszelf de kiemen ontdekken van potentieel geweld in de brede zin van het woord? Alhoewel hier en daar lichamelijk geweld kan worden waargenomen, zien de meeste van ons dit als ‘not done’ als ordinair, zeker bij de wat beter opgeleiden.
    Maar wat ten aanzien van psychisch, geestelijk, economisch of juridisch geweld? Het is helaas lang geen uitzondering dat zwakkeren economisch, juridisch of psychisch worden verpletterd. Een voorbeeld: denk aan de jarenlange juridische strijd die slachtoffers met letselschade moeten voeren – voor zover deze financieel, geestelijk en lichamelijk opgebracht kan worden – tegen sommige verzekeringsmaatschappijen die chicaneren met uitbetalingen. Is dit niet op te vatten als strijdig met de mensenrechten?
    In de werksfeer komt het veel voor dat de directie medewerkers proberen weg te pesten via het tussenkader zoals afdelingshoofden. De volgende persoonlijke ervaring is naar mijn mening geenszins uniek, sterker ik heb het vermoeden dat het in veel bedrijven en instellingen voorkomt. Een oud- directeur van de wetenschappelijke waar ik werkzaam was sprak mij eens toe: ‘jij bent niet geschikt voor de wetenschap, wel voor de commercie’ en of ik maar elders werk zou willen zoeken. Hij baseerde dit op het feit dat hij zelf in Indonesië was geboren en de aard van de Chinezen kende. Ik heb aan dit verzoek geen gevolg gegeven. Het gevolg was wel dat ik tegenwerking ondervond door de jaren heen tot mijn pensionering, dus ook van opvolgende directeuren en afdelingshoofden. Interessante projecten werden aan collega’s gegund, wat overbleef mocht ik uitvoeren. Ben noodgedwongen geweest zelf de boer op te gaan; heb in de loop der jaren extern opdrachten weten te verkrijgen (bij elkaar f 2,5 miljoen). De kwestie aangekaart bij collegae, OR, hoofden. Niemand durfde het aan bij de directie protest aan te tekenen, sterker de meeste deden mee of keken een andere kant op. Dit ondanks dat geen ontslagdreiging, laat staan deportatie boven het hoofd hangt. Deze vorm van geweld en het actief of passief hieraan deelnemen komt dus heel veel voor. Ik noem dit ook geweld omdat de slachtoffers hierdoor allerlei lichamelijke en/of psychische aandoeningen kunnen oplopen.

    Ir. H.L. Oei

    Reactie door Ir. H.L. Oei — zondag 6 juni 2004 @ 13.27 uur

  7. Gelezen op een monument in Boston VS:

    “THEY CAME FIRST for the Communists,
    and I didn’t speak up because I wasn’t a Communist.

    THEN THEY CAME for the Jews,
    and I didn’t speak up because I wasn’t a Jew.

    THEN THEY CAME for the trade unionists,
    and I didn’t speak up because I wasn’t a trade unionist.

    THEN THEY CAME for the Catholics,
    and I didn’t speak up because I was a Protestant.

    THEN THEY CAME for me,
    and by that time no one was left to speak up.”

    Reactie door Ir. H.L. Oei — zondag 6 juni 2004 @ 15.09 uur

  8. rake back

    rake back Socrates thought that if all our misfortunes were laid in one common heap, whence every one must take an equal portion, most persons wo

    Trackback door rake back — dinsdag 31 mei 2005 @ 22.31 uur

  9. ultimate bet…

    turns upbraid lawful patty betting football http://www.extra-sport-betting.com/ aesthetics unsatisfiability bet http://bet.get-sport-betting.com/

    Trackback door ultimate bet — woensdag 17 mei 2006 @ 19.15 uur