‘Niet wegkijken, maar ingrijpen’

De oplossing verwacht ik al lang niet meer uit Den Haag. Die verwacht ik van mensen die hun mond opendoen.
Het Parool, 6 januari 2005

SP-leider Jan Marijnissen zoekt zijn heil vooral buiten de Kamer, soms tot ver buiten Nederland. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen moedeloosheid over de ‘cultuur van het wegkijken’, en hoop over nieuwe initiatieven ‘van onderop’. Alleen niet op het Binnenhof. ‘Hier verzandt alles in bureaucratie en breedsprakigheid.’

Tekst: Addie Schulte en Bas Soetenhorst

Het is weinigen opgevallen, maar sinds begin dit jaar verblijft SP-leider Jan Marijnissen één week per maand in een provincie. “Ik overnacht er ook. Ik wil me diepgaander met zaken bezighouden, of het nu gaat om het gevangeniswezen, het vmbo, verpleeghuizen of sportvoorzieningen. Het echte begrip gaat altijd door de zintuigen. Je kunt wel nota’s lezen, maar het is beter er zelf te zijn, te zien, te horen en te ruiken. Ik steek er ontzettend veel van op.” Dat de pers er nauwelijks weet van heeft, deert hem niet. “Des te beter, met camera’s erbij praten mensen niet vrijuit.”

Onlangs was Marijnissen in de penitentiaire inrichting in Nieuwegein. “Ik heb dat twee op één cel nu eens gezien.” Op een papiertje tekent hij hoe zo’n cel van vier bij twee meter eruit ziet. “Er ging een deur open, er zat iemand met zijn neus naar de deur op een stoel een boek te lezen. Zijn kompaan lag op bed, want ze hadden afgesproken dat de één overdag sliep en de ander ‘s nachts. Als hij ‘s nachts ligt te slapen, krijgt hij minimaal vijftien keer een schop onder zijn kont, omdat hij snurkt, en daar heeft de ander last van. Soms 22, soms 24 uur moeten ze achter de deur blijven.”

Marijnissen werd er voorgesteld aan een achttienjarige Marokkaan, die nergens aan de bak kwam en op een gegeven moment in wanhoop een winkelier aanbood twee maanden voor niks te werken. “Als je hoort dat zelfs dat wordt afgewezen, begrijp je dat de samenleving bezig is frustratie op te bouwen. Die gaat een uitweg zoeken. Dat kind van achttien moet twee jaar zitten en is bezig met de vraag wat hij daarna moet. Niemand zegt: ‘Wat wil je met je leven? Dan gaan we dit en dit doen’. Vroeger had je de reclassering en kwam het arbeidsbureau nog langs. Het is ook de frustatie van de gevangenisdirecteur en de cipiers, dat dat niet meer gebeurt.”

“Ik zei tegen die cipiers: ‘Waar is jullie beroepseer? Waarom doen jullie je mond niet open? Vecht voor die mensen! Doe iets! Je beurt je geld, maar je levert niet.’ Niks kan, krijg ik dan te horen. Maar begin met het opstellen van een zwartboek over wat met tien gevangenen gebeurt en wat had moeten gebeuren. Dat is toch niet zo’n moeite?”

“Dat fenomeen zie je in de hele publieke sector. Op microniveau doen mensen hun best. Maar het systeem is totaal vermolmd. Men spreekt elkaar niet aan op feilen. Waarom zwijgen rechters als procedures jaren duren? Neem de faillissementsfraude. In twee procent van de vermoede gevallen wordt iets gedaan. Dan rijst het beeld op van een bijna decadent land.”

Hij noemt het ‘de cultuur van het wegkijken’. “Als we niet in staat zijn dat te overwinnen en actief burgerschap te propageren, gaan we van kwaad tot erger. De oplossing verwacht ik al lang niet meer uit Den Haag. Die verwacht ik van mensen die hun mond opendoen.”

Het ontbreekt aan ‘moreel leiderschap’ in Nederland. De oorzaak ligt in de jaren zestig. “Hoewel ik zelf een flink activist was in die tijd, hebben de jaren zestig ook negatieve dingen voortgebracht. Er is een denkfout gemaakt door leiderschap gelijk te stellen aan autoritair leiderschap. Mijn stelling is dat een land niet kan zonder mensen die een moreel appèl kunnen doen, omdat ze als persoon onomstreden zijn, altijd getuigd hebben van een bepaalde consistentie, niet opportunistisch zijn of de waan van de dag volgen en niet hun eigen belang voorop stellen. Het probleem is dat we dat soort mensen bijna niet hebben. Bisschop Muskens is nog zo iemand.”

Inspiratie deed Marijnissen op in Brazilië, waar hij vorige maand tien dagen was. Hij raakte onder de indruk van de socialistische president Lula en diens partij. “Dat is een soort doorbraakpartij, met mensen uit allerlei kringen met een concrete agenda. Lula heeft na twee jaar meer vertrouwen bij de bevolking dan toen hij gekozen werd. Dat heeft hij te danken aan zijn persoon en zijn bereidheid alles uit te leggen.” Marijnissen hoopt dat Nederland Lula’s initiatieven voor eerlijker wereldhandel gaat steunen.

De betrokkenheid van de Braziliaanse bevolking, dat zou een voorbeeld voor Nederland moeten zijn. “Als we de democratie praktischer maken, zodat mensen meer te zeggen krijgen over hun werk-, woon- en leefomstandigheden, ontstaat er een nieuwe, democratische zuil waar iedereen in kan. Als we de cultuur kunnen doen omslaan van wegkijken naar ingrijpen, aanpakken en mond opendoen, zul je zien dat heel veel mensen opstaan met morele autoriteit om dat te organiseren. Ik zie dat nu al gebeuren als bewoners zelf in actie komen om de buurt op te knappen.”

“Moreel leiderschap klinkt zo gedragen. Het gaat om gewoon je werk doen. Mijn vrouw zit 25 jaar in het onderwijs, veel familie ook. Op microniveau doen ze alles om er het beste van te maken. Maar als je ze aanspreekt op de teloorgang van het onderwijs als geheel, zeggen ze: daar heb ik geen tijd voor. Maar wie dan wel?”

Hoe dat te veranderen? De oplossing komt in ieder geval niet van de Haagse politiek, stelt Marijnissen. “Het appèl moet tot de mensen in het land worden gericht. Die gedachte heeft een enorme boost gekregen op 2 oktober, toen 300.000 mensen tegen het kabinetsbeleid demonstreerden op het Museumplein, tot verrassing van De Waal en Terpstra. Daar moeten we op voortborduren. Het heeft me een enorme steun in de rug gegeven. Een kabinet dat zo hoog van de toren heeft geblazen, is toch door de knieën gegaan. Dat geeft de burger moed. Je kunt iets bereiken als je bereid bent je nek uit te steken.”

“De omstandigheden die 2 oktober gegenereerd hebben, zijn er nog steeds: een asociaal kabinetsbeleid, een publieke sector die er heel slecht voor staat, een publieke moraal die verwaterd en verward is, al was het maar door de moord op Van Gogh, een zeer impopulair kabinet met een impopulaire premier, en de mogelijkheid van een alternatief van PvdA, SP en GroenLinks.”

Na de moord op Van Gogh sprak Marijnissen relativerende woorden in zijn eigen partij. “Theo is vermoord, er zijn honderdvijftig mensen die dat ook willen doen, er is white power, dat leidt allemaal tot niets, alleen maar tot Der Untergang. Maar in de allochtone gemeenschap heeft men gelukkig begrepen dat ze woordvoerders moeten hebben. Prima als er een moslimpartij komt. Laat ons in gesprek komen. Daar moet de oplossing gezocht worden, niet in al die theatrale bedoelingen. Er is iets gaan bewegen, bij allochtonen en autochtonen. Dat moeten we benutten om verder te komen in het integratie- en participatieproces.”

“Daarom heb ik ook niet meegedaan aan de hypes. Hetzelfde gebeurde na de moord op Fortuyn. Het hollen van hype naar hype maakt dat er voor de grote lijnen steeds minder oog is. Ik denk dat mensen dat flinterdunne verhaal ook wel gehad hebben. Er is niemand die zo vaak op tv is als Boris Dittrich, hij heeft ook overal een mening over. Inhoudelijk stelt het allemaal niet zoveel voor.”

Met gekromde tenen aanschouwde Marijnissen het Kamerdebat over de moord op Van Gogh. Hij plaatste geen enkele interruptie. VVD-fractievoorzitter Jozias van Aartsen riep op hoge toon minister Johan Remkes van Binnenlandse Zaken ter verantwoording, zegt Marijnissen. “Toen zei Remkes: ‘Ja, alles kan beter.’ Een dooddoener van heb ik jou daar. En toen was alles ineens in orde. Zo voedt Van Aartsen het cynisme. Zo’n grote discrepantie tussen het beeld dat je eerst opwekt en waar niets van overblijft als puntje bij paaltje komt. Ik heb hem de rattenvanger van Hamelen genoemd.”

Marijnissen wil mede door dit soort ervaringen naast zijn werk in de Kamer vaak in het land zijn. “Verandering moet van onderop komen, maar in de Kamer worden vastgelegd. Maar voortdobberen op de manier waarop nu politiek wordt bedreven is zinloos, omdat alles doodslaat. Ik kan iedere week een nieuw onderwerp aan de kaak stellen, maar het verzandt allemaal in bureaucratie en breedsprakigheid. Neem het rapport-Duivesteijn over infrastructurele projecten. Een goed rapport, maar een flutconclusie. De kern van het echec van de Betuwelijn was een politieke, geen procedurele. En meneer Duivesteijn, gij waart daar bij, Brutus. Hij heeft ook gezwegen. Kok drukte de Betuwelijn door. Nu wordt net gedaan alsof de Kamer niet goed was geïnformeerd. Moet er dan nog meer papier komen?”

Opties voor delen:
  • NuJIJ
  • eKudos
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google Bookmarks
  • email

donderdag 06 januari 2005 :: 12.23 uur

Reacties uitgeschakeld