Van Randwijklezing: Over vrijheid, verantwoordelijkheid en burgerschap

Jan Marijnissen

Vandaag mocht ik in de Sint Jacobskerk in Vlissingen de elfde Van Randwijklezing houden. Sinds 2005 is de toespraak, genoemd naar de schrijver, journalist en verzetsheld H.M. van Randwijk (1909-1966) onderdeel van het Zeeuwse Bevrijdingsfestival. Hieronder de volledige lezing.

Geachte aanwezigen,

Vandaag staat de vrijheid centraal. We zijn vrije burgers, in een land vrij van een bezetter of onderdrukker. Maar wat behelst onze vrijheid nog meer? Kan vrijheid bestaan zonder verantwoordelijkheid? Of moet hij die aanspraak maakt op vrijheid, ook erkennen dat daar plichten tegenover staan? Hebben we de vrijheid om weg te kijken en te zwijgen, ook in situaties waarin we eigenlijk moeten optreden? Zo maar wat vragen.

‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’, riepen de Fransen in 1789. Blijkbaar dekt de term vrijheid niet alles. Albert Camus zei: ‘Als de mens er niet in slaagt gerechtigheid en vrijheid te verzoenen, dan slaagt hij nergens in.’ Het een is dus een voorwaarde voor het ander. Mijn jeugdheld Herbert Marcuse zei: ‘Tevreden slaven zijn de ergste vijanden van de vrijheid.’ Bestaat er dus een verplichting je te ontdoen van de ketenen die een ander je aanlegt? Kan vrijheid omslaan in onvrijheid? Was kinderopvang in de jaren zeventig een eis van de vrouwenbeweging, nu wordt het bestaan van die opvang gebruikt als argument tegen ouders die hun jonge kinderen willen verzorgen. Mensen worden soms moe van de keuzevrijheid die ze hebben in de door de overheid vermarkte sectoren als zorg, energie en telefonie. En pas op: de totale vrijheid voor de wolven betekent de dood voor de lammeren. Wat doen we daar aan? Zo maar wat vragen.

Vrijheid, verantwoordelijkheid en burgerschap.

Daar wil ik het graag met u over hebben.

Onlangs deed ik mee aan een debat in Oud Vossemeer op Tholen. Zoals u misschien weet komen de voorvaderen van president Franklin Roosevelt daar vandaan. Omdat de plaats 600 jaar bestaat had men besloten een paar bekende vaderlandse politici uit te nodigen. Wim van de Camp, Hans van Baalen, Klaas de Vries, Bas van der Vlies en ikzelf waren present om onder leiding van kamervoorzitter Verbeet te discussiëren over de betekenis van de vrijheid van meningsuiting. Zoals u ongetwijfeld weet, één van de four freedoms die door Roosevelt in een Congrestoespraak in 1941 zijn genoemd als behorend tot de rechten van de mens. De andere drie zijn: vrijheid van godsdienst; vrijheid van gebrek; en vrijheid van vrees. Steeds als ik die opsomming hoor, denk ik: het woord vrijheid heeft hier verschillende betekenissen. Bij de eerste twee vrijheden gaat het om de vrijheid iets te praktiseren, meningsuiting en religie; bij de laatste twee gaat het om de vrijheid van iets verschoond te blijven, respectievelijk gebrek en vrees.

Toen Karl Marx sprak over vrijheid in relatie tot de in de negentiende eeuw nieuw ontstane klasse van proletariërs, zei hij: ‘De nieuwe klasse van uitgebuitenen wordt gekenmerkt door twee vrijheden. Men is vrij van alle feodale ketenen; én men is vrij van elk bezit van productiemiddelen.’ Het woord ‘vrij’ wordt ook hier in twee verschillende betekenissen gebruikt: ‘gevrijwaard’ van de feodale ketenen, en ‘vrij’ in de zin van ‘gebrek hebben aan’.

De Britse filosoof Isaiah Berlin maakt onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid. Onder negatieve vrijheid verstaat hij de vrijheid van ieder individu om binnen zijn eigen privé-domein te doen en te laten wat hij wil, zonder de tussenkomst of bemoeienis van anderen. Bij positieve vrijheid denkt hij aan de mogelijkheden die voor het individu ontstaan wanneer hij over voldoende middelen beschikt om zich te ontplooien.

‘De angst voor de vrijheid’ is de titel van een boek van Erich Fromm, ook uit 1941. Het boek heeft als ondertitel: de vlucht in autoritarisme, destructivisme en conformisme.

Ik wil maar zeggen: Allemaal dansen we om de boom van de vrijheid. Maar wat is die vrijheid? Wat behelst ze en wat niet? Als iemand zegt iets te doen in naam van de vrijheid, is niet op voorhand duidelijk wat ie bedoelt. Zo hebben we de Partij voor de Vrijheid, een partij die nota bene ‘de vrijheid’ in haar naam heeft staan, maar wel het heilige boek van één van de wereldgodsdiensten wil verbieden.
Op 5 mei viert ons land zijn vrijheid. Benepen als we zijn, mag dat dan weer niet elk jaar een vrije dag zijn. Nee, slechts eens in de vijf jaar is onze vrijheid belangrijk genoeg om iedereen in de gelengeheid te stellen mee te doen aan alle festiviteiten. Slechts ééns in de vijf jaar heeft iedereen vrij. Tweede Kerstdag, tweede Paasdag, koninginnedag, hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, het is blijkbaar allemaal belangrijker dan onze vrijheid.

Hoe zou dat komen? Een breed aanwezig gebrek aan historische kennis en historisch besef is daar zeker debet aan. Maar ik denk dat het ook komt door de verwarring over het begrip ‘vrijheid’. Iets wat ik in de inleiding van deze toespraak heb willen schetsen.

Voor veel jongeren is de reden voor de viering van 5 mei iets vaags, iets van vroeger. ‘Het schijnt dat ons pap er meer over weet.’ Het ergste is nog dat dit zonder enige vorm van schaamte gezegd kan worden. ‘De Gouden Eeuw? Dat was toch de vorige eeuw?’ ‘Op welke dag gedenken christenen de geboorte van Jezus? Oh, dat weet ik, dat is met Pasen.’ Ik wil absoluut niet denigrerend doen over onze jeugd. Hen valt immers niet veel te verwijten. Als wij het hen niet leren en in alles uitstralen dat ze ook niks over het verleden hoeven te weten, dan wordt het ook niks. We hebben ons geschiedenisonderwijs zo goed als afgeschaft, in ieder geval voor de meeste leerlingen. Nu moeten leerlingen zich competenties eigen maken, zo heet dat in het moderne jargon. Maar competenties maak je je eigen door wat je geleerd hebt toe te passen in de werkelijkheid. Het is net zo iets als een politicus die geen analyse, geen visie en geen standpunten heeft, maar wel over de competenties beschikt om er goed uit te zien en mooi te kunnen praten. Oppervlakkigheid troef.

Een volk zonder geschiedenis bestaat niet. Elk volk, ook het Nederlandse volk, heeft dus een geschiedenis. Maar, als dat zo is: Waarom doen we daar in ons land dan zo besmuikt – in het beste geval zo nonchalant – over?

In ons land heeft er rond het thema ‘historisch besef’ de laatste decennia een sfeer gehangen van ‘geschiedenis is muf’ en ‘een eigen identiteit als land is eng’. De geëigende reactie op pleidooien voor meer aandacht voor geschiedenis was: ‘Wij zijn geen nationalisten.’ En: ‘Wij hebben niet één geschiedenis, wij zijn pluriform.’ Of: ‘Geschiedenis is voltooid verleden tijd en dood. Wij willen naar de toekomst kijken.’ Nogal kortzichtig. Want is het niet zo dat het begrijpen van het heden en het op juiste wijze beslissen over de toekomst, niet kan zonder kennis van de ontwikkeling die ons gebracht heeft waar we nu zijn? Wie niet weet waar hij vandaan komt, weet niet waarheen hij onderweg is. Wij zijn dan wel de makers van de toekomst, maar tevens toch ook de maaksels van de geschiedenis.

De hedendaagse verwarring over onze morele, culturele en politieke identiteit vindt voor een deel haar verklaring in het ontbreken van historisch besef in brede lagen van de bevolking. Die verwarring wordt duidelijk als we worden geplaatst voor vragen als ‘Hoe tolerant mag je zijn tegenover een religie met intolerante kanten?’ of ‘Heeft de school een taak als het gaat om waarden- en normenoverdracht?’, of ‘Hoe erg of gewenst is het als ons land een provincie wordt van Europa?’

Historisch besef kan actuele problemen, die ogenschijnlijk onoplosbaar zijn, relativeren. Historische kennis kan ons helpen ons te herinneren waarom bepaalde dingen zijn zoals ze zijn. Die herinnering kan buitengewoon behulpzaam zijn. Immers, de mensen die ons voorgingen zagen zich vaak gesteld voor soortgelijke vragen als waar wij nu over piekeren. Een paar voorbeelden:

Onze democratische verhoudingen. Na een eeuwenlange, verbeten strijd zijn we tot de conclusie gekomen dat het systeem dat we nu hebben ‘het minst slechte’ is. Voor een systeem bestaande uit een representatieve vertegenwoordiging van het volk, die altijd het laatste woord heeft, bestaat geen alternatief dat democratischer genoemd kan worden.

De scheiding tussen kerk en staat. Onze wordingsgeschiedenis leert ons wat de nadelen zijn van een vermenging van de kerkelijke en statelijke macht. Algemeen rekenen we de religie nu tot iets dat primair behoort tot het privé-domein.

De verhouding van het individu ten opzichte van de collectiviteit. Dat wij nu de individuele mens van ultieme waarde achten is níet een door een hogere macht gegeven inzicht, maar een verworvenheid van een lange emancipatiegeschiedenis.

Waarden en normen. Zij hebben zich uitgekristalliseerd in de strijd van de mens voor een beter bestaan. Ze hebben een geschiedenis, we hebben ze geërfd van onze ouders en voorouders. Ze behoren tot ons collectieve bewustzijn. Waarden en normen vormen een essentieel onderdeel van de brug over het ravijn van de barbarij. Die brug noemen we beschaving. Die brug is wankel zoals de geschiedenis ons leert. Onze beschaving is een erfenis; onze waarden en normen zijn dat ook. Hun wordingsgeschiedenis is essentieel voor een goed begrip van het belang ervan. Het is aan de politiek en de samenleving de heersende waarden en normen steeds te actualiseren en te handhaven, en daarmee de brug van de beschaving te onderhouden. Zo bevorderen we houvast en vertrouwen, voorkomen we angst, vervreemding en verbittering, en beschikken we over een probaat middel tegen doorgeslagen egoïsme, fanatisme en geweld.

In een tijd waarin de veranderingen steeds sneller gaan, de samenleving individualiseert, en er geen collectieve ambities meer lijken te bestaan, verdwijnt ook steeds meer de gedeelde oriëntatie en verschijnt de onzekerheid over de identiteit. Nu de Europese eenwording en gelijkschakeling steeds verder voortschrijdt, de wereld steeds kleiner wordt als gevolg van de globalisering en er steeds meer mensen met een andere culturele achtergrond in ons land wonen, wordt dat steeds manifester.

Een groot aantal jongeren beschouwt veel verworvenheden als vanzelfsprekend, terwijl ze dat op de keper beschouwd niet zijn. Wanneer de status quo de enige referentie is, wanneer er geen inzicht bestaat in onze wordingsgeschiedenis, dan ontbreekt begrip van de achtergronden en ligt oppervlakkigheid op de loer.

Veel van ons kennen de ‘vaderlandse geschiedenis’ nog als het uit het hoofd leren van feiten en jaartallen. Saai. Van mijn hele lagere schooltijd kan ik me nog één jaartal herinneren: het jaar 400, grote volksverhuizing, dat klonk zo spannend.

Had je geluk dan kreeg je daarna een leraar die je de verbanden tussen de feiten uitlegde. Interessant. Ik had eens een dergelijk geschiedenisleraar. En natuurlijk, ook bij hem moest je jaartallen en feiten kennen, maar uiteindelijk was daar toch altijd die sensatie van énig nieuw verworven inzicht en begrip. Dat is opwindend. En precies om die opwinding moet het gaan in het onderwijs. Daarom vraag ik me vaak af: Waarom stellen we niet vaker mensen met ’n verhaal in staat om hun ervaringen te delen met leerlingen? Ik verzorg zelf vaak lessen op scholen en universiteiten. En ik merk dat vreemde ogen dwingen, en vreemde stemmen en verhalen laten luisteren.

De chronologische geschiedenis van Nederland komt vrijwel nergens meer aan de orde. (citaat) ‘Als symbolen als ‘Auschwitz’ of belangrijke teksten als het Plakkaat van Verlatinge (waarin uiteengezet wordt dat een volk er niet is voor de vorst, maar omgekeerd) niemand meer wat zeggen, dan wordt het moeilijk om elkaar in deze samenleving nog te begrijpen. Een collectieve herinnering draagt bij aan een gemeenschappelijk referentiekader, net als taal, cultuur en kennis van waarden. Als zo’n gemeenschappelijk kader er niet is, dreigt een samenleving uiteen te vallen’, aldus het Instituut voor Geschiedenisdidactiek (IVGD). Dit instituut stelt dat de kern van het vak ‘geschiedenis’ zit in het bijbrengen van tijdsbesef, zodat zich een beeld ontwikkelt van verschillende tijdvakken en een beeld over hoe ze op elkaar volgden. ‘Inzicht in een geheel van tijdvakken is te vergelijken met het lezen van een boek. Als je middenin begint te lezen op een willekeurige bladzijde, zonder een idee te hebben hoe de rest van het boek er ongeveer uitziet, zul je er weinig van begrijpen.’ Verder hoort ‘geschiedenis’ te leren dat een gebeurtenis nooit één oorzaak heeft, maar altijd meerdere, en dat alles begint met respect voor de feiten.

De marginalisering van het geschiedenisonderwijs gaat nog steeds door. Het aantal lesuren neemt af en daar waar ‘überhaupt nog ‘geschiedenis’ gegeven wordt, is het meestal op facultatieve basis. De gevolgen laten zich raden.

Gelukkig is er de laatste jaren sprake van een opleving van de belangstelling voor geschiedenis. Radio- en tv-programma’s als OVT, Andere Tijden, Verre Verwanten en de serie over de Tweede Wereldoorlog van Ad van Liempt en presentator Rob Trip vormen zeer verdienstelijke pogingen om ook in de media aandacht te besteden aan onze historie. Een nationaal historisch museum zou bij de promotie van historisch besef en historische kennis erg behulpzaam kunnen zijn. En ik ben dus erg blij dat de Tweede Kamer vrijwel unaniem hiertoe heeft besloten.

Wat is dat eigenlijk, ‘historisch besef’? Hoewel er veel verschillende opvattingen zijn, hanteer ik het begrip aldus: Historisch besef is het besef dat je als individu een schakel bent in een keten van gebeurtenissen, en dat je een product bent van een ontwikkeling waaraan je geen deel hebt gehad.

Is dat niet een al te defaitistische omschrijving? Ik denk het niet. Het is een oefening in bescheidenheid, dat wel. Historisch besef is een voorwaarde voor wijsheid, al behelst wijsheid natuurlijk veel meer dan alleen historisch besef.

Historisch besef dat ons noopt tot kennis van de historie geeft geen kant en klare oplossingen voor de problemen van vandaag, laat ik daar helder over zijn. Ik geef me ook onmiddellijk gewonnen tegenover mensen die zeggen: ‘Kennis van historie? Welke kennis? Ok, er zijn feiten, maar de interpretatie van de feiten en van hun onderlinge samenhang is net zo onderhevig aan de tijdgeest als alle andere alfawetenschappen.’ Ik ben het met die stelling eens. Want, is het niet zo dat we honderd jaar geleden anders dachten over ‘Donker Afrika’ en de slavernij dan dat we dat nu doen? Of, waarom kon de Duitse film ‘Der Untergang’, over de laatste dagen van Hitler, pas in 2004 gemaakt worden? Is dat niet omdat Hitler niet eerder gespeeld kon worden, omdat dan ook zijn menselijke trekken getoond moesten worden, wat weer tot misverstanden zou kunnen leiden? Of neem Indonesië. We schrijven de historie van Indonesië nu anders dan ten tijde van de politionele acties.

Maar het simpele feit dat iets mede onderhevig is aan de tijdgeest maakt het nog niet overbodig. We besluiten toch ook niet om de rechtspraak af te schaffen, of de politiek, of de medische wetenschap, want ook daar worden nu geheel andere uitgangspunten gehanteerd dan een eeuw geleden?

Ik ben absoluut geen kenner van onze historie. Ik ben slechts een, misschien meer dan gemiddeld geïnteresseerde luisteraar naar wat anderen mij te bieden hebben aan kennis. En, ik moet bekennen, het is lang niet allemaal en altijd functioneel. Meestal is het slechts leuk om iets te weten van de historische achtergronden.

Zoals gezegd, de historie levert geen oplossing voor de problemen van vandaag en morgen, omdat de geschiedenis zich nu eenmaal níet herhaalt. Personen en omstandigheden zijn altijd anders. En verder, de geschiedenis is geen vaststaand programma dat afgewikkeld wordt.

En toch, ik mocht eens een vraag stellen aan God, voor een radioprogramma. Ik aarzelde niet, en wist meteen wat de vraag moest zijn: ‘Waarom leert de geschiedenis ons dat we zo weinig leren van de geschiedenis?’ Dit lijkt in tegenspraak met het voorafgaande, maar is het, volgens mij, toch niet.

Laat ik ’n voorbeeld geven door u de volgende indringende vraag te stellen: Schuilt er in ons allemaal iets dat kan maken dat wij ooit medeverantwoordelijk zullen zijn voor misdaden zoals begaan in de Abu Ghraibgevangenis in Bagdad? Zijn wij tot iets in staat dat lijkt op de slachting van My Lai? Zijn wij eventueel bereid om onze buurman te vermoorden, zoals we massaal hebben zien gebeuren op de Balkan? Ik vrees dat het antwoord op die vraag ‘ja’ moet zijn. Ik vrees dat de geschiedenis ons laat zien dat wij allemaal een barbaar en een moordenaar in ons hebben. Want, is het niet zo dat wanneer woede omslaat in haat, blinde haat, en er is een ideologie of geloof beschikbaar die de ultieme wraak rechtvaardigt, er zelfs toe oproept, dat dan de beul in de mens wordt gewekt?

Primo Levi schrijft in ‘De getuigenissen’, dat handelt over zijn ervaringen in Auschwitz en op zijn terugreis naar Turijn: ‘Dit boek wil antwoord geven op de dringendste vraag, de vraag die allen die onze verhalen gelezen hebben beklemt: hoeveel van de concentratiekampwereld is dood en komt niet meer terug, net als de slavernij of het duel? Hoeveel is al terug of komt weer terug? Wat kan ieder van ons doen om in deze wereld vol dreiging althans die dreiging te verijdelen?’

Wij allemaal zullen antwoord moeten geven op deze laatste vraag. Zouden politici zich niet vooral ook met deze vraag moeten bezighouden? Juist omdát we weten (uit de geschiedenis!) hoe flinterdun de beschaving is als haat ons overmant en er woorden zijn die ons handelen rechtvaardigen. Levi: ‘De wapens waarvan de moderne totalitaire staat zich bedient zijn propaganda, rechtstreeks of vermomd, afgrendeling van alle andere informatie, en terreur.’ Het is opmerkelijk dat Levi zijn opsomming begint met twee zaken waarin ‘het woord’ een doorslaggevende rol speelt, daarna noemt hij pas ‘terreur’.

Of het nu gaat om de misdaden in de Goelag, de Endlösung in Auschwitz, de vervolgingen onder Mao, of de massaslachting in Rwanda, overal zijn mensen bereid gebleken andere mensen, die hen niks hadden misdaan, in naam van een ‘idee, verpakt in woorden’ om te brengen, zonder scrupules. Wat zij deden was immers in naam van een zogenaamd ‘gerechtvaardigd plan’.

Levi legt in zijn boek uit dat velen na de oorlog ‘de propaganda’ de schuld gaven. Maar waarom zijn mensen op enig moment bereid propaganda te geloven? Hoe kwam het dat mensen, onderdeel van de entourage van Stalin, zwegen toen één van hen werd weggevoerd en doodgeschoten, zonder reden of rechtvaardiging? Waarom zweeg men? Zeker, deels vanwege angst voor lijf en goed, maar ook omdat men vergoelijkte wat nooit vergoelijkt had mogen worden. En in dat laatste schoof men elke dag weer een klein stukje op. Waarom was er zo weinig kritiek, en zweeg de meerderheid toen de Kristalnacht toch al aardig liet zien waartoe de Nazi’s in staat waren?

Ik heb uren rondgedoold op de vlakten van het voormalige kamp Buchenwald ten noorden van Weimar. Ik moest echt moeite doen om er te komen, er staan namelijk nauwelijks borden met daarop ‘Buchenwald’. In het boek met de titel ‘Weimar’, dat ik heb, wordt slechts met één, piepklein fotootje aandacht besteed aan het concentratiekamp. In de tekst is niks terug te vinden. Dat is niet gek, dat is begrijpelijk. Je loopt niet te koop met zo’n verleden. Je hebt liever dat toeristen het voorbij rijden.

Maar wat wèl moeilijk te vatten is: Dit is Thüringen, dit is het gebied van Bach, Bauhaus, Goethe en Schiller. Hoe heeft men het allemaal kunnen toestaan? Hoe heeft men kunnen zwijgen? Hoe heeft men mee kunnen doen?

Goethe, zegt in 1823, over Weimar: ‘Wo finden Sie auf einem so engen Fleck noch so viel Gutes…und wo bin ich nicht überall gewesen! – Aber ich bin immer gerne nach Weimar zurückgekehrt.’ Het goede van Weimar, waar Goethe over spreekt, had vast te maken met de omgeving waarin ie vaak de Rennsteig-wandeling ‘deed’, maar zeker ook met het culturele klimaat. Hij kwam onder andere regelmatig op de thee bij Hertogin Anna Amalia op haar Schloss Ettersburg. Het was daar ’n soort Muiderkring. Andere bezoekers waren musici, literatoren, toneelspelers, kunstenaars. Het slot staat er nu wat vervallen bij, alleen het grote aangrenzende park is goed onderhouden. Aan de noordkant ligt sinds 1937 – oh, ironie – het Konzentrationslager Buchenwald. Een steenworp, niet meer, scheidt het slot van de klassieke humanisten van de barbarij van het nazisme.

Natuurlijk kan men aanvoeren: Het verdrag van Versailles was dom en onrechtvaardig voor de Duitsers, de Weimar Republiek maakte er een puinhoop van, de werkloosheid en uitzichtloosheid van het bestaan maakte mensen bevattelijk voor de opvattingen van het Nazisme. Allemaal vast waar, maar laten we daar dan van leren: Leren dat omstandigheden van grote invloed zijn op mensen. Daarom zegt de Portugese schrijver en Nobelprijswinnaar Saramago ook: ‘Als de omstandigheden van zo’n grote invloed zijn op de mens, laten we de omstandigheden dan menselijk maken.’

De slag moet op twee fronten geleverd worden. Achterstelling moet voorkomen worden, zeker langjarige, vergaande achterstelling. Frustratie, één generatie lang, leidt tot een hart van steen. Frustratie, twee generaties lang, leidt tot een hart van semtex. Onrechtvaardigheden moeten we uitbannen. Hoop en een goede toekomstverwachting is voor elk mens, elk volk van wezensbelang.

En, we moeten alert zijn op ideeën die strijdig zijn met de fundamentele gelijkwaardigheid van mensen: Ze tijdig onderkennen en ze vervolgens door middel van overreding bestrijden, voor het te laat is. Een heersende cultuur van wegkijken kan catastrofale gevolgen hebben. ‘Opvoeden tot democraat’ is geen contradictio in terminis, zoals lang in linkse kring gedacht is.

Wat kunnen we van de geschiedenis leren? Volgens mij, dat we ons de belangrijke vragen steeds moeten blijven stellen, en dat argeloosheid en lethargie daar niet mee te verenigen zijn.

Feiten zijn belangrijk, de interpretatie van de feiten evenzeer, en, zeker, daar zit ook altijd een subjectief element in. Maar hoe dan ook, alles wat wij kennen en weten komt per definitie uit het verleden. De splitsecond van het heden, kán ons niks leren, net zo min als de toekomst dat kan.

Historisch besef en historische kennis zijn onontbeerlijk bij het begrijpen van de status quo. Hoe is het Palestijns-Israëlische conflict te begrijpen zonder kennis van de geschiedenis van het Jodendom en van de regio? Hoe kan de Europese samenwerking en het ontstaan van de Verenigde Naties worden gewaardeerd zonder enig besef van de impact van de Tweede Wereldoorlog? Hoe is ons staatsbestel te begrijpen zonder besef van en kennis over onze staatsgeschiedenis, inclusief de Tachtigjarige oorlog en de rol van de Oranjes; het katholicisme en het protestantisme; de Verlichting, het liberalisme, het socialisme en de toestand rond 1848 in heel Europa? Is het mogelijk mensen die hier naartoe gekomen zijn en de Islam als hun godsdienst hebben, te begrijpen zonder iets te weten van de achtergronden van het geloof van Mohammed? En sprekende over ‘integratie’, zou het dan niet goed zijn ons te herinneren hoe kort het nog maar geleden is dat men – sprekende over katholieken en protestanten – zei: ‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen…’. Hoe de georganiseerde solidariteit op de juiste waarde te schatten zonder kennis van de massale misstanden en allesverterende armoede in de eerste helft van de vorige eeuw en de strijd die geleverd is om daar wat aan te doen?

Historisch besef en historische kennis zijn niet het alleenrecht van historici, die in hun ivoren toren hun wetenschap bedrijven. Beide zijn van belang voor iedereen. Want, wat zei de historicus Johan Huizinga in 1934? ‘Wie zich afgesneden denkt van de herinnering aan zijn herkomst, groei en lotgeval, staat redeloos in het leven’. Die woorden zijn niet alleen aan historici geadresseerd.

Tot slot van mijn pleidooi voor meer respect voor onze geschiedenis een citaat uit de 21ste Pacificatielezing die Michaël Zeeman in 2004 uitsprak in Gent:

‘Is niet het wegvallen van een door geschiedenis en traditie geïnspireerd plichtsbesef, bij alle grote instituties van de samenleving, het brandpunt bij uitstek van de crisis waarin veel van die instituties zich thans lijken te bevinden? In tal van die crises, of die nu het onderwijs, de cultuur of het openbaar bestuur betreffen, worden wij geconfronteerd met een aarzelende elite, een elite die het liefst terugtreedt omdat zij niet langer in zichzelf gelooft en niet meer weet waar zij voor staat of zou dienen te staan.

De ontkenning van de zinvolheid van een gecanoniseerde geschiedenis, ja, een nationale geschiedenis, is een belangrijke verschijningsvorm van datzelfde aarzelen en terugtreden; ze vormen een ongezonde en onverantwoordelijke breuk met de traditie. Het onderhouden van die geschiedenis is immers instrumenteel en het instrumentele schuilde hem hier in het onderhoud van een vruchtbare traditie, de legitimatie van optreden en plichtsbesef in termen van ervaring en continuïteit.

Wie die kent en verinnerlijkt staat er beter voor dan wie die ontkent, negeert of verwerpt. In de tijdloosheid van een posthistorisch heden, in de verbrokkeling van een postmoderne samenleving, is voor geen der deelnemende partijen immers nog houvast te vinden.’

Aldus Michaël Zeeman.

Historisch besef en historische kennis kunnen dat houvast bieden. Maar houvast ten behoeve waarvan? Ten behoeve van de balans tussen individu en samenleving; tussen vrijheid en wetten en regels; tussen overheid en maatschappij; tussen eigen verantwoordelijkheid en solidariteit.

In 2001 deed ik mee met een initiatief dat heette ‘Stop de uitverkoop van de beschaving’. Met elf mensen publiceerden we een manifest dat toen al – bijna tien jaar geleden – waarschuwde voor de gevolgen van het in de jaren tachtig in ons land ingezette neoliberale beleid. Dat beleid heeft als belangrijkste kenmerken:

- Vergroting van de inkomens- en vermogensverschillen.
- Meer markt, minder overheid, met als gevolg privatiseringen.
- Onverantwoorde bezuinigingen op de publieke sector.
- Afbraak van de sociale zekerheid en groeiende armoede.
- Commercialisering van de samenleving en tweedeling
- Teloorgang van de publieke moraal en dominantie van de ieder-voor- zich-mentaliteit.

Het beleid met deze kenmerken moest vroeg of laat wel tot problemen leiden. De samenleving raakte ontzield, mensen vervreemdden van anderen en zichzelf. Beroepseer werd inhoudsloos. En als reactie daarop kreeg het cynisme de overhand: de politiek luistert toch niet, en, er verandert toch niets. Het rare fenomeen doet zich voor dat mensen over hun eigen situatie nog best tevreden zijn, maar over de politiek en de maatschappij geenszins. Nou zijn problemen op zichzelf van alle tijden en dus op zich niks om je erg veel zorgen over te maken. Een probleem wordt echter pas een groot probleem, als niemand er wat aan wil doen, als er een wegkijkcultuur ontstaat.

Sommige mensen denken: laat mij erbuiten, de politiek heeft die problemen veroorzaakt, dus mag die ze ook oplossen. Dat is een misverstand. De publieke zaak is altijd een zaak geweest van de politiek, zeker, maar ook van de samenleving. En wanneer de politiek faalt, moeten mensen zich organiseren en engageren om de politiek te veranderen en de problemen op te lossen. Ik heb me bij mijn vele bezoeken in het land vaak verbaasd over de inertie bij veel mensen. Niet zelden is die houding gestoeld op een verkeerde opvatting over democratie. Men denkt: ik stem eens in de vier jaar en dat moet voldoende zijn. Nee, in mijn opvatting betekent vrijheid van meningsuiting niet alleen dat je mag zeggen wat je ergens van vindt, maar dat je dat soms ook móet zeggen. In een democratie heb je niet alleen het recht je stem uit te brengen – in mijn ogen heb je zelfs de plicht daartoe – maar daarnaast mag ook van eenieder betrokkenheid verwacht worden. Zeker, inzet voor de goede zaak, vraagt soms om offers en moed, het is immers lang niet altijd zonder risico’s. Maar dat is nou precies waar ik naartoe wil: actief, verantwoordelijk burgerschap gekoppeld aan wat de Fransen zo mooi civil courage noemen.

In mijn optiek zijn wij allen de bezitter van veel rechten en vrijheden, maar zijn we ook gehouden aan een aantal verantwoordelijkheden: op de eerste plaats de verantwoordelijkheid voor jezelf, je gezondheid, je ontwikkeling en je maatschappelijke status. Maar dan zijn we er nog niet. Er is ook een verantwoordelijkheid voor je familie, je vrienden en je naasten, voor je collega’s, voor je buurt, voor je gemeente, je land en de wereld. Er is nog één verantwoordelijkheid die ik expliciet wil noemen, en dat is de verantwoordelijkheid voor je beroep, voor de inhoud ervan en de uitvoering. Willen wij als land er weer bovenop komen, dan zullen we de beroepseer en de professionele autonomie in ere moeten herstellen. En dat is niet iets dat vanzelf gaat. De rechtstreeks betrokkenen moeten daar het voortouw in nemen. De onderwijzer die de zeggenschap over zijn lessen terugverovert op de bureaucratie; de huisarts en de specialist die niet langer hun hand, die de recepten schrijft, uitlenen aan de farmaceutische industrie; de accountant en de notaris die niet langer onder een hoedje spelen met hun opdrachtgever; de bankier die de belangen van de spaarder en investeerder laat prevaleren boven die van zichzelf en de aandeelhouder.

We weten dat zelfregulering en marktwerking in bepaalde sectoren desastreuze gevolgen kunnen hebben voor de maatschappij. Dus, het helemaal overlaten aan de beroepsgroepen zal niet het gewenste resultaat opleveren. De politiek zal regels moeten stellen en structuurveranderingen zijn onvermijdelijk. Alleen al door haar beleid en haar wetten speelt de overheid een belangrijke rol bij het formuleren van de publieke moraal. Misschien niet altijd expliciet, maar impliciet des te meer. Terecht wordt de overheid door veel mensen dan ook beschouwd als een baken. Schuift het baken richting liberaal, dan zal de samenleving volgen. Schuift het baken richting sociaal, dan zal ook dat gevolgen hebben voor de samenleving. Het zal dus van twéé kanten moeten komen, zowel van de kant van de maatschappij als van de kant van de politiek. Alleen zo kunnen we decadentie en verloedering effectief bestrijden.

Nieuwe weerbaarheid is wat we nodig hebben. Net als nieuw optimisme. Want, laten we niet vergeten: We zijn een rijk land; rijk aan welvaart, rijk aan geschiedenis, rijk aan inventiviteit.

‘Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht…’, aldus de naamgever van deze lezingencyclus. Wie of wat zijn de tirannen van vandaag? De hebzucht? Het georganiseerde wantrouwen in de vorm van bureaucratie en protocollen? De inertie of de wegkijkcultuur? De markt die alleen geldelijk gewin als drijfveer kent? De overheid die laks is en op veel terreinen nog in de ontkenningsfase verkeerd? U zegt het maar, maar laten we ervoor zorgen dat het licht van de beschaving niet dooft, niet dooft. Sommigen zeggen: ‘Beschaving is weten plus geweten.’ Ik ben het met hen eens dat beschaving heel nadrukkelijk ook een morele component heeft. Voor mij zijn drie waarden belangrijker dan alle andere: naar mijn mening moet ten alle tijden de menselijke waardigheid worden gerespecteerd, de gelijkwaardigheid van mensen worden gegarandeerd, en, omdat de mensen ongelijk zijn, de solidariteit worden georganiseerd

Vrijheid kan niet zonder verantwoordelijkheid in de vorm van actief burgerschap. Daarom wil ik afsluiten met een enkele dichtregel van mijn te vroeg gestorven vriend, de schrijver Karel Glastra van Loon.

Blijf niet mokkend aan de kant staan
Stel een daad en toon je moed
Laat je woede hand in hand gaan
met het goede dat je doet

Opties voor delen:
  • NuJIJ
  • eKudos
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google Bookmarks
  • email

woensdag 05 mei 2010 :: 18.20 uur

Reacties uitgeschakeld