Zonder actie geen fractie

‘Een dubbeltje wordt toch nooit een kwartje.’ En ‘Och, je kunt doen wat je wilt, maar vet komt toch altijd boven drijven.’ Dat soort volkswijsheden heb ik heel wat gehoord en bestreden. Als ik ergens van baal, is het van mensen die niet op z’n minst probéren om iets te veranderen als ze onrechtvaardig worden behandeld. Marcuse zei al eens: ‘Gelukkige slaven zijn de grootste vijand van de vrijheid.’ Zo denk ik er ook over. Weg met het fatalisme, weg met het defaitisme! Zeker, er zíjn zaken die we niet kunnen veranderen (en dat is soms maar goed ook), maar er zijn zóveel zaken waar we wél iets aan kunnen doen. ‘Laten we daarom snel beginnen’, is altijd mijn motto geweest. Actie is hét machtsmiddel van de machtelozen. Dus organiseerden we acties, heel veel acties.

Actie met ambulancepersoneel 'Elke seconde telt'
Actie met ambulancepersoneel: “Elke seconde telt”

We bezochten arbeiders ‘s avonds thuis en spraken met hen over de zaken die speelden, van lawaaioverlast tot gezondheidsklachten, van bazen die hun handjes niet thuis konden houden tot willekeur bij de jaarlijkse beoordelingen. Met de kennis die we zo vergaarden deden we natuurlijk ook iets. We zetten dat (steevast na een double-check) op papier. Die pamfletten deelden we dan ‘s morgens vroeg uit aan de poort. We waren een soort Gideonsbende die de arbeiders een stem gaf. De aanvankelijke scepsis over onze inzet smolt snel weg en we kregen steeds meer informatie en steun. In 1973 legden arbeiders van Bergoss (inderdaad: dat bedrijf in onze straat) voor een week het werk neer, onder leiding van het comité Arbeidersmacht dat de SP had opgezet. De staking werd een succes, iedereen kreeg er meer geld bij dan de bond eruit had bereikt met onderhandelen. Later volgden nog andere stakingen, gelukkig altijd met een goede afloop. Maar we schroomden ook niet bedrijfsartsen aan te pakken die mensen ziek weer naar het werk stuurden; we klaagden directies aan die mensen ontsloegen alleen maar omdat ze hun mond open hadden gedaan; we schakelden onze ‘eigen’ artsen (Ons Medisch Centrum, in 1975 in Oss gevestigd) in toen we hoorden dat mensen bij Thomassen & Drijver in ruimten werkten die blauw zagen van de looddamp, en toen we hoorden van borstvorming bij mannen bij Diosynth en ontregelde menstruatie bij de inpaksters van Organon. Onze aanpak werkte: we boekten succes op succes, en het vertrouwen in onze aanpak groeide gestaag.

Maar we deden meer. In alle wijken hadden we actiecomités. We voerden actie voor douches voor huurders die zich tot dan toe in tobben moesten wassen. We klaagden de jaarlijkse huurverhogingen aan. We dwongen de woningbouwvereniging meer en betere reparaties uit te voeren. We zorgden voor de aanleg van de eerste verkeersdrempels. We verhinderden dat alle groene plekjes werden volgebouwd. En ga zo maar door. Al die acties voerden we niet als Don Quichottes, maar altijd gebaseerd op het uitgangspunt: vóór de mensen, maar nooit zónder de mensen. We hielpen veel mensen met individuele problemen (huur-, ontslag-, uitkerings-, belastingproblemen), en als het op actie aankwam waren we bereid alles te doen, maar nooit zonder dat de mensen zichzelf ook organiseerden en uit de stoel kwamen. Die twee-sporen-aanpak maakte dat we ook steeds verder konden groeien. Door onze acties kwamen we aan onze nieuwe kaderleden.

Blokkade van de Diosynth-poort in Oss, 1988: actie tegen vervuiling en stankoverlast
Blokkade van de Diosynth-poort in Oss:
actie tegen vervuiling en stankoverlast

De fabrieken en de wijken waren onze belangrijkste werkterreinen. Maar ook aan het milieu gingen we steeds meer doen. Als echte industriestad hadden we te maken met veel industriële vervuiling. Die pakten we aan. Dat deden we door de feiten over lucht-, water-, en bodemverontreiniging naar buiten te brengen, en tevens duidelijk te maken dat het anders kon. Voor dat laatste deden we een beroep op de ingenieurs in onze partij. Ook bij deze acties baseerden we ons altijd op de geverifieerde gegevens van arbeiders uit de fabrieken zelf. We hadden alle papieren, we wisten wat er loos was. En we zetten door, jarenlang als het moest. Die inzet en dat doorzetten maakten dat we het vertrouwen van de arbeiders behielden. Immers, zij stonden in de vuurlinie van de vervuiling. Vervuiling voor buurtbewoners is erg, vervuiling voor arbeiders doet zich altijd in hogere concentraties voor. In weerwil van de inspanningen van de directies zijn we er toch altijd in geslaagd te voorkomen dat er een wig werd gedreven tussen de buurtbewoners van bijvoorbeeld Thomassen & Drijver en Diosynth en de arbeiders daar. Thomassen heeft zijn procédés moeten aanpassen en een zestig meter hoge pijp moeten plaatsen, en Diosynth is op milieugebied van paria tot voorbeeld geworden.

Het Mandela-festival 1990 in Oss om geld in te zamelen voor het ANC
Het Mandela-festival 1990 in
Oss om geld in te zamelen voor het ANC

Wat deden we eigenlijk niet? We zamelden kleren in voor de stakende Engelse mijnwerkers, we organiseerden Mandela-Festivals ten bate van het ANC, we verzamelden handtekeningen tegen de bouw van een zogenaamde atoomschuilkelder die slechts voor een paar bevoorrechte Ossenaren (schijn)bescherming zou bieden bij een aanval met kernwapens.

Al die acties gaf de mensen zelfvertrouwen, en ons een aanhoudend groeiende aanhang. De aanpak van ‘vóór-maar-nooit-zónder-de-mensen’ werkte. En dat doet ie nog steeds, in heel het land.

Terug naar Biografie

  • Biografie

    Iedereen heeft een levensverhaal. Dit is het mijne, welke begint aan de Goudmijnstraat in Oss. Op 8 oktober 1952 werd ik daar geboren, als jongste van vier kinderen (de anderen heten Anky, Ineke en Christje) van Marie Kemps (1909) en Guille Marijnissen (1911).

    Een aantal ‘speciale hoofdstukken’ zijn apart beschreven.