Het taboe van belasting op kapitaal

Als twee trotse pauwen stonden ze daar voor een grote videowall: de minister van Financiën en zijn staatssecretaris, Gerrit Zalm (VVD) en Willem Vermeend (PvdA). Ze presenteerden ‘de bouwstenen voor het belastingstelsel van de eenentwintigste eeuw’. Dat moest wel heel modern zijn dan. Maar eerlijk gezegd: het viel nogal tegen.
Belastingen behoren twee doelen tegelijk te dienen: allereerst horen ze de overheid de financiële middelen te verschaffen om te doen wat nodig is voor de samenleving; en ten tweede dienen ze om het besteedbaar inkomen eerlijker te verdelen. Welnu, de nieuwe plannen voorzien niet in meer inkomsten voor de overheid zodat men niet in staat is de tekorten in de zorg en het onderwijs echt weg te nemen. Nu de criteria van de emu en het Stabiliteitspact zo streng zijn met betrekking tot het financieringstekort en de staatsschuld blijft er voor de overheid alleen het verhogen van de inkomsten over als middel om het structurele tekort aan middelen op te heffen. De plannen van Zalm en Vermeend stellen echter een belasting-verlaging over de hele breedte voor in plaats van dat zij de inkomsten afstemmen op de behoeften van de samenleving.
Ook voor wat betreft de herverdeling van inkomens door middel van de belastingen zijn hun plannen een gemiste kans. Flip de Kam zei over de plannen in de NRC: ‘Voor miljonairs die zuchten onder het juk van de Nederlandse fiscus breken over enkele jaren gouden tijden aan.’
Als overheid moet je het geld halen waar het zit. En waar zit het geld? Bij de hoge inkomens, bij de vermogenden, bij de winsten van het bedrijfsleven en bij diegenen die verdienen op de beurs. Als het aan de twee mannen van Financiën ligt wordt echter de inkomstenbelasting voor de derde schijf (de hoogste inkomens) verder verlaagd. Onder ‘Oort’ ging deze al van 72 naar 60 procent, onder de nieuwe plannen naar om en nabij de 50 procent.
De vermogensbelasting wordt ook al niet verhoogd, maar zelfs helemaal afgeschaft. In plaats daarvan komt er een belasting op de aanwas van het vermogen. Daarbij wordt uitgegaan van een jaarlijkse winst van 4 procent tegen een tarief van 25 procent. Effectief betekent dat 1 procent belasting op de winst op het vermogen. De reële winst wordt dus buiten beschouwing gelaten. De spelers op de beurs zullen er niet wakker van liggen. Ook de vennootschapsbelasting, de belasting op winsten, wordt niet verhoogd. Zoals bekend, de meeste bedrijven betalen (vanwege alle mogelijkheden voor ontheffing en door middel van allerlei constructies) reeds nu niet wat ze op grond van hun winstcijfers eigenlijk zouden moeten betalen.
Zalm en Vermeend hebben een hekel aan Robin Hood, de mythische held die stal van de rijken ten behoeve van de armen. Ze willen de belasting niet gebruiken voor een nivelleringsproject. Integendeel. Ze verlagen de lasten op arbeid (dat is goed), maar compenseren dat door de btw te verhogen. Deze verschuiving zal juist denivellerend werken. Immers, btw betaalt iedereen – met een hoog en een laag inkomen – in gelijke mate. In het verleden is de belasting op kapitaal voortdurend verminderd. Het was beter geweest het gat dat ontstaat door de verlaging van de belasting op arbeid te dichten met een hogere belasting op kapitaal.
Bij de behandeling van de Najaarsnota 1997 heb ik de minister dat nog eens voorgehouden. Ik heb hem gewezen op de mogelijkheid belasting te heffen op financiële transacties. (De Amerikaanse Nobelprijswinnaar Tobin heeft in de jaren zeventig ook al eens een pleidooi in die richting gehouden.) Omdat die transacties zo gigantisch in omvang zijn, zou dat – ook als de belasting maar 0,1 procent zou bedragen! – zo’n groot bedrag opleveren voor de overheden dat de collectieve armoede waarmee alle westerse overheden nu worden geconfronteerd in één klap zou zijn opgelost. Alleen al op de valutamarkten praatten we in 1994 over transacties ter waarde van 1200 miljard der dag! Jaarlijks zou dat dus bij een taks van 0,1 procent al zo’n 450 miljard opleveren.
De reactie van de minister: ‘Als je die belasting wilt invoeren dan zul je het op mondiale schaal moeten doen.’ Daarop vroeg ik: ‘Wat let u? U kunt het om te beginnen in EU-verband voorstellen. Ik weet dat er ook in het kader van de G7 (de zeven rijkste landen ter wereld die periodiek met elkaar overleggen) reeds over gesproken is. Alleen de VS hebben verdere discussie geblokkeerd.’
‘Maar ik heb ook inhoudelijke bezwaren,’ reageerde Zalm. ‘Het is een soort boete op flexibiliteit. Het idee leidt tot verstarring van financiële verhoudingen en van financiële posities. Het is überhaupt markteconomisch altijd fout om op markttransacties een boete te leggen. Zeker als het om financiële markten gaat, lijkt mij dat een weinig aanbevelingswaardige zaak. Als je het naar de arbeidsmarkt zou verplaatsen, is het een straf op bijvoorbeeld solliciteren.’
‘Deze minister,’ antwoordde ik, ‘heeft zich ooit diepgaand met Marx beziggehouden. Als hij zegt dat ik een premie zet op inflexibiliteit en hij komt vervolgens met de vergelijking met de arbeidsmarkt, dan moet ik hem er als Marx-kenner op wijzen dat hij toch moet weten dat waarden geproduceerd worden door arbeid. Waarden worden niet geproduceerd door flitskapitaal. Dat is het fundamentele verschil natuurlijk.’
Een transactie-taks is een ideaal middel om drie vliegen in één klap te slaan. We halen het geld waar het zit, we zetten een rem op het speculeren, en we zorgen ervoor dat de overheid meer financiële middelen heeft voor goede collectieve voorzieningen en een modern en rechtvaardig stelsel van sociale zekerheid. En diezelfde overheid kan dan – in tegenstelling tot nu – eindelijk eens de rijken armer en de armen rijker maken.