Succes en twijfel

De verkiezingsavond in de Meervaart, op 3 mei 1994, werd toch nog spannend. Hadden we in de peiling steeds op twee of drie zetels gestaan, op de avond van de verkiezingen schommelden we tussen de één en twee. Uiteindelijk, bij binnenkomst van de stemmen uit Nijmegen en Rotterdam, werden het er – gelukkig – toch nog twee: Remi Poppe en ik zouden de eerste twee SP-parlementariërs worden uit de geschiedenis. Een doel waar jarenlang naar was gestreefd, een plek in de Tweede Kamer veroveren, was eindelijk bereikt. En dus werd het een fantastisch feest daar in Amsterdam. Veel gelukkige gezichten. Veel mensen van wie ik wist hoeveel ze voor de SP hadden gedaan, waren apetrots. Eindelijk… eindelijk kon de partij ook op het hoogste niveau laten zien waartoe ze in staat is. Het stemmetje in mijn achterhoofd werd door het feestgedruis definitief overstemd.
Al maanden had ik mij voorbereid op een toekomst in Den Haag. Ik had, vanaf de publieke tribune, een aantal plenaire vergaderingen bijgewoond, en krantenartikelen en tv-uitzendingen over Haags nieuws had ik met nog grotere belangstelling dan voorheen gevolgd. En juist daardoor was er op een gegeven moment een stem in mijn hoofd gekomen die zich hardop afvroeg: moet jij hier nu de komende vier jaar tussen gaan zitten? Is dit nu werkelijk wat je wilt, waar je jarenlang naar toe gewerkt hebt? Want laten we eerlijk zijn: veel van wat het Haagse dagelijkse leven te bieden heeft, zal geen verstandig mens ambieren. Uren-, ja soms zelfs dagenlange vergaderingen, waarin je negentig procent van de tijd niets anders kunt doen dan luisteren. En dan de Haagse politieke mores! De mannetjesmakerij, de ijdelheid, de drang om te scoren in de media. Zou ik nou ook zo worden als ik daar ging zitten?
Vanaf het allereerste begin wist ik dat er veel van Remi en mij werd verwacht. Niet alleen door mensen binnen de partij, maar ook daarbuiten. Toch heb ik die verwachting, die misschien wel iets te hoog gespannen was, nooit als een belasting ervaren. Integendeel. Men heeft ons altijd gesteund, al moet ik er wel eerlijk bij zeggen: sinds 3 mei ’94 is het met de SP op alle terreinen crescendo gegaan, en zoals iedereen weet zijn voetballers uit een winnend team ook altijd stukken beter dan die uit een team dat veel verliest.
De bekendheid van de SP nam vanaf het moment dat we in de Kamer zaten enorm toe, net als de populariteit. Het aantal afdelingen steeg fors, en ook het ledental liep snel op. Al sinds jaren is de SP de snelst groeiende partij van het land en dat hopen we nog wel even te blijven. Maar zoals bij een winnend elftal de eerste de beste misstap onmiddellijk breed wordt uitgemeten, zo moesten ook wij natuurlijk oppassen dat we, nu we zoveel ogen op ons gericht wisten, niet de ene fout op de andere zouden stapelen. In het complexe politieke spel dat in Den Haag vaak wordt gespeeld, kunnen onervaren nieuwkomers gemakkelijk kopje ondergaan – zoals de destijds eveneens nieuw aangetreden ouderenpartijen inmiddels aan den lijve hebben ondervonden.
Vooral het eerste jaar in de Kamer is een buitengewoon moeilijke periode geweest. We moesten ons in een recordtijd alle onderwerpen eigen maken, het reglement van orde uit het hoofd leren, en proberen er zo snel mogelijk achter te komen hoe de procedures en de bijzondere gewoontes van de Kamer in elkaar zaten. Daar kwam nog bij dat wij al snel merkten dat er de nodige vooroordelen over onze partij bestonden, met name bij diegenen – politici en journalisten – die nooit eerder met ons te maken hadden gehad. Een voorbeeld. Op de dag van de installatie van de Kamer werd ook de voorzitter gekozen. Dat gaat er niet bepaald democratisch aan toe. In de achterkamertjes was allang uitgemaakt dat de PvdA, hoewel de grootste partij, toch zou instemmen met de herverkiezing van Deetman. Deetman werd met bijna algemene stemmen gekozen, er waren twee blanco stemmen. Dat laatste bracht een gerenommeerd parlementair journalist ertoe om in De Gelderlander te schrijven: ‘De SP stemde niet voor Deetman. Zij zijn immers altijd tegen.’ Ik bedacht dat het goed zou zijn wanneer wij de volgende dag een persconferentie zouden houden om daar een toelichting te geven op onze strategie en tactiek in de komende periode. We hadden namelijk helemaal niet blanco gestemd. We hadden vóór gestemd.
Tijdens de persbijeenkomst heb ik uitgelegd dat onze verkiezingsslogan ‘Stem tegen, Stem SP’ vooral moest worden opgevat als een compromisloos ‘nee’ tegen het neoliberalisme en alles wat daaruit voortvloeit. Verder zouden wij alle daden en gedragingen van de kant van het kabinet en van de Kamer beoordelen op hun eigen waarde, en afhankelijk van die beoordeling onze stem bepalen.
‘We zijn hier niet gekomen om overal tegen te zijn,’ zei ik. ‘We zijn optimisten voor de toekomst, maar realisten in het heden.’

Een ander punt dat in het begin nogal wat aandacht moest krijgen, was de omgang met andere kamerleden. In de Kamer spreek ik zelden of nooit over ‘collega’s’. Dat heeft een reden. Op de werkvloer zijn je collega’s inderdaad je collega’s. Je moet samenwerken voor het beste resultaat en samen heb je een positie ten opzichte van de baas. Hoewel dat kamerwerk ook je werk is, zijn je mede-kamerleden niet je collega’s (behalve die uit de eigen fractie). Immers, van samenwerking is meestal geen sprake. Alle fracties hebben hun eigen (niet zelden dubbele) agenda en de andere kamerleden zijn veelal ook je politieke tegenstanders. ‘Collega’ is dus een verwarrende term. Maar dat hoeft geenszins te betekenen dat je niet normaal met andere kamerleden kunt omgaan. Integendeel, met de overgrote meerderheid heb ik een goede verstandhouding. Remi en ik lopen in Den Haag bepaald niet als twee zombies rond. Enige voorzichtigheid en distantie is echter wel aan te bevelen. Voordat je het weet ben je een onderdeel van de wandelgangen- en achterkamertjespolitiek die in Den Haag (en trouwens ook in menig gemeente- of provinciehuis) zo welig tiert.
Het tweede jaar in de Kamer ging alles al stukken beter en sneller. We raakten meer ingespeeld. Ons team van medewerkers was nu op volle sterkte en leverde perfecte arbeid. Dat deden ook de medewerkers van het partijkantoor in Rotterdam en de vele duizenden actieve leden in het land. Zij voorzagen ons steeds van waardevolle informatie, ideeën en voorstellen. Langzamerhand konden we wat offensiever gaan opereren. In het derde en het laatste jaar hebben we steeds meer zaken zelf op de politieke agenda gezet. Door vragen te stellen (elk jaar staan Remi en ik in de top-drie van vragenstellers), door brieven van het kabinet te vragen, door het indienen van moties en wijzigingsvoorstellen, door het aanvragen van debatten, enzovoorts.
Kenmerkend voor ons optreden is dus steeds het daadkrachtige karakter geweest. Niet afwachten, maar aanpakken. Niet smoezelen en regelen in de wandelgangen, maar de publieke confrontatie zoeken en vervolgens kijken hoe ver je komt, dat is het uitgangspunt. Onze stelling is: verandering begint met oppositie, stevige oppositie. Op die manier hebben we veel zaken kunnen bereiken: partijpolitieke benoemingen zijn niet langer vanzelfsprekend; het kunstgebit is terug in het ziekenfondspakket; voorrang van werknemers boven niet-werknemers op wachtlijsten voor medische hulp is door ons met succes aan de kaak gesteld; er kwamen onderzoeken naar het asbestschandaal van de Cannerberg, naar het ctsv en Linschoten, en naar de milieuvervuiler tcr; er gaat iets gedaan worden aan het leed van asbestslachtoffers en hun nabestaanden; de genderkliniek in Utrecht wordt gesloten; de armoede en de groeiende tweedeling in de maatschappij kwamen permanent op de politieke agenda; de marktwerking in de thuiszorg is stopgezet; de wvg is verbeterd; de Securitel-affaire kwam aan het licht, en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Ik wil al deze punten niet exclusief claimen voor de SP, maar het is onomstreden dat de SP er wel een belangrijke rol in heeft gespeeld. Daarmee hebben we aangetoond dat ook een kleine fractie in de Kamer een belangrijke rol kan spelen.

Op 31 december 1996 was ik in Amersfoort. Ik trad op in een één uur durend radioprogramma van de EO. Men stelde mij voor als ‘de stijger van 1996′, en verwees naar alle zaken die de SP het afgelopen jaar op de politieke agenda had gezet en de resultaten die daarmee waren geboekt. Eerder die week was bekend geworden dat mede-kamerleden mij, na Frits Bolkestein, hadden verkozen tot kamerlid van het jaar. Ook een groep parlementaire journalisten zette mij op de tweede plaats, maar dan als politicus van het jaar, ná Wim Kok. Al die lof overviel me nogal. Ik stelde mezelf de vraag: wat moet je ervan denken wanneer kamerleden – wier politieke tegenstander je bent en blijft – je verkiezen tot het beste kamerlid, op één na? Ik ben wantrouwend genoeg – ook ten opzichte van mezelf – om me dan af te vragen: doe ik het wel goed? Heb ik me niet al te veel aangepast aan het Haagse wereldje dat ik eigenlijk zo verfoei? En daar komt nog iets bij: het pionieren van de SP in de Kamer was vanaf dat moment definitief voorbij. We hadden ons kennelijk zo in de kijker gespeeld, dat we nu zeker geen domme dingen meer moesten doen. Hoe steeds aan alle verwachtingen te voldoen?
Met een hoofd vol twijfels reed ik die avond terug naar Oss.