De staat van de staat

Marcel van Dam, tegenwoordig weer prominent lid van de PvdA, ontpopt zich steeds meer als een fervent aanhanger van het neo-liberalisme. Vormden tot voor kort alleen VVD’ers het koor dat de lofzang op het vrije spel der maatschappelijke krachten ten gehore bracht, tegenwoordig doen bijna alle politieke partijen daaraan mee. Allen zijn gedoopt en hebben zich aangesloten bij de religie die de markt voor heilig heeft verklaard. Wat de Heilige Mis is voor katholieken is voor hen de Privatisering van overheidstaken.

In zijn beroemd geworden stuk ‘De staat van de staat’ (Volkskrant 31 december 1992) pleit Marcel van Dam voor méér ruimte voor de markt en minder regels van de kant van de overheid. Zijn pleidooi sluit naadloos aan bij de groeiende invloed van de yuppen-kultuur op de ekonomie. De macht van de snelle jongens met snelle wagens en vooral snelle winsten neemt hand over hand toe. Zij prediken wat de oude profeet Adam Smith hen leerde: ‘Bevorder uw eigen belang en u zult het algemeen belang bevorderen.’

Maar de zaken waar Van Dam voor pleit – de heilzame werking van de markt, de terugtredende overheid en de individualisering – zijn juist de dingen die ons de problemen hebben gebracht waar we nu geen raad mee weten. De onzichtbare hand van de markt als middel voor alle maatschappelijke kwalen is een verzinsel gebleken.

En ook Van Dam’s stelling dat de overheid zich te veel bemoeit met te veel zaken van het leven berust op een verkeerde analyse. Ik vind dat de overheid moet zorgen voor goede algemene voorwaarden waardoor elk individu met maximale kans op sukses zijn of haar geluk kan nastreven. De overheid is het beste in staat dat te doen. Het individu heeft doorgaans zijn eigenbelang als drijfveer, is niet goed in staat het algemeen belang voor de middellange en lange termijn te overzien, laat staan te beïnvloeden. Tot slot heeft de overheid de taak de steken op te halen die de samenleving laat vallen. De overheid moet bijspringen en hulp verlenen aan al diegenen die het zonder die hulp niet kunnen rooien.

Natuurlijk is er niets tegen een herwaardering van de taken van de overheid. Maar het is onzinnig en onverantwoordelijk te suggereren dat de overheid teveel doet. Soms doet ze te veel maar meestal doet ze te weinig. Alleen de overheid is in staat op te treden voor het algemeen belang en ons gezamenlijk belang in de toekomst.

Laat de overheid niet langer minachtend doen over haar eigen werk en taken, maar eindelijk echt aan de slag gaan om belangrijke vraagstukken op te lossen: de werkloosheid, de vereenzaming, de verloedering, de verpaupering. En laat de overheid ook bereid zijn de samenhang van de dingen te zien in plaats van alleen van incident naar incident te hollen. Het doel van het overheidshandelen moet zijn dat de menselijke waardigheid van ieder individu wordt gerespekteerd, de gelijkwaardigheid van mensen wordt gegarandeerd en de solidariteit tussen mensen wordt georganiseerd. Overheid en beroepspolitici kunnen dat niet alleen. Ze hebben de medewerking van de bevolking nodig. In ruil voor die medewerking moeten mensen veel meer invloed krijgen op hun woon- , werk- en leefomgeving. Om ook zelf problemen te kunnen oplossen.

Demokratie – het volk aan de macht – houdt meer in dan het éénmaal in de vier jaar rood maken van een hokje.