Afscheid van paars?

In het zicht van de verkiezingen wordt vaak alles anders. In het beargumenteren van merkwaardige wendingen en nieuwe gezichtshoeken slagen sommige mensen er in dat soort tijden in om werkelijk alles met alles te verbinden als het uitkomt. Neem Bram Peper en Adri Duivesteijn. Zij wisten vier dagen na de verschrikkeijke terreuraanval op de Twin Towers in Manhattan al te melden ‘dat het politieke gesternte ingrijpend gewijzigd’ was. Niet alleen in de rest van de wereld. Elf september ‘moet een weerslag krijgen in het politieke denken en handelen, ook in Nederland en de PvdA,’ zo stelden de heren. ‘Elf september heeft een collectieve notie opgeroepen van de onmisbaarheid en de waarde van het collectieve domein.’

Aanvankelijk had ik het idee dat er inderdaad iets veranderd was op die bewuste ‘zwarte dinsdag’. De kwetsbaarheid van de rijke, open, westerse samenleving was immers in één klap duidelijk geworden. Dat kon niet zonder gevolgen blijven. In die kwetsbaarheid ligt een kans voor een doorbraak in het denken over (de toekomst van) de wereld: We kunnen slechts veilig leven indien we begrijpen dat we op een steeds kleiner wordende wereld leven, dat we inmiddels waarlijk een global village vormen. Met andere woorden, dat we ons niet langer kunnen afsluiten voor het lot van het arme en gefrustreerde deel van de mensheid. Hier helpt geen rakettenschild, hier helpen slechts wijsheid, inzicht en moed. Wijsheid om te kunnen begrijpen dat het bevorderen van het welbevinden van de ander de eigen veiligheid op termijn vergroot; inzicht om te zien via welke mechanismen terrorisme kan ontstaan en gedijen; en moed om de consequenties van het eigen denken onder ogen te zien, uit te dragen en om te zetten in daden. Tot nu toe hebben we weinig meer gezien dan bommen, raketten en weer veel onschuldige slachtoffers. Op de kilometerslange weg van de strijd voor de opheffing van de voedingsbodem waarop de radeloosheid omslaat in redeloosheid is nog geen enkele stap gezet. Nadat het er even naar uitzag dat de Verenigde Staten hun unilaterale aanpak van internationale problemen zou omzetten in multilaterale samenwerking, is nu – na het eenzijdig opzeggen van het ABM-verdrag, het doorzetten van het rakettenschild en het afwijzen van het Internationaal Strafhof – wel duidelijk dat de Bush-regering weer het al bekende adagium hanteert: Het eigen belang is het doel, de Alleingang is het middel.

Maar hier schrijven Peper en Duivesteijn niet over. Dat kan ook moeilijk, want in de ogen van de PvdA is alles wat de VS doen doorgaans welgedaan. Dat zal direct ook weer blijken als de VS besluiten een volgend arm land te gaan bombarderen. Nee, ze hebben elf september nodig om een aanleiding voor een zogenaamde koerswijziging te creëren. Zij schrijven: ‘Ineens beseffen we weer dat we niet zonder politiek domein kunnen, en niet zonder de overheid die de collectieve waarden behartigd.’ Ineens? Wie is ‘we’? Weer?

Met de verkiezingen op de kalender besloot de PvdA in 2001 afstand te gaan nemen van Paars. Peper en Duivestein refereren, verwijzend naar 11 september naar de sociaal-democratische traditie ‘van de overheid als hoedster van het algemeen belang’ – na twaalf jaar lang actief meegewerkt te hebben aan het uitvoeren van de neoliberale agenda! Twaalf jaar lang bezat de PvdA de politieke macht om te verhinderen dat de verantwoordelijkheid van de overheid voor de publieke sector ontmanteld zou worden. Men heeft dat niet gedaan. Onder leiding van Wim Kok werd de NS verzelfstandigd, aanvankelijk met het doel de NS zelfs naar de beurs te laten gaan. De gemeenten werden aangemoedigd hun kabelbedrijf te verkopen. De elektriciteitsopwekking en -distributie werden net als ‘het gas’ geprivatiseerd. Onderwijs en zorg werden systematisch verwaarloosd. Werken in publieke dienst werd iets voor losers waardoor overal personeelsgebrek ontstond. Onder paars is de publieke zaak verweesd geraakt. En nu roept degene die de brand heeft aangestoken om het hardst dat er geblust moet worden. Maar voorlopig blijft het weer bij roepen alleen. Je moet je immers profileren. Noch het PvdA-congres dat het niet eens aandurfde om iets te vinden over de hypotheekrenteaftrek voor de rijken, noch het verkiezingsprogramma van de PvdA dat geen enkele breuk met het verleden laat zien, noch de trots waarmee Ad Melkert spreekt over de verworvenheden van Paars geeft aanleiding te denken dat het de PvdA nu echt menens is met de wederopbouw van de publieke sector. En ook Peper en Duvestein komen niet veel verder dan: ‘Bij de formatie dienen er zaken gedaan te worden: een forse staatscommissie is wel het minste.’ Als je zo iets schrijft ben je blijkbaar nog steeds niet echt doordrongen van de urgentie van de situatie en de noodzaak van een fundamentele koerswending. Zo’n edelachtbare staatscommissie is al gauw een paar jaar bezig. Zij verschaft de nieuwe coalitie en de nieuwe regering een fantastisch alibi om weer niks te doen.

Bram Peper heeft ooit, toen hij nog minister was, een paper geschreven waarin hij pleitte voor meer politiek leiderschap. Ik was en ben dat hartgrondig met hem eens. Maar laat hij dan eerst eens kijken naar zijn eigen partij. Immers, hoe is een draai van 180 graden met betrekking tot het belang van de publieke zaak anders te verklaren dan door opportunisme en een overgevoeligheid voor ‘de tijdgeest (Ad Melkert)’? Hoe kunnen het woord en de daad zó uiteen lopen? Wat is er de afgelopen jaren door de PvdA, deel uitmakend van de macht, bereikt? Oké, er zijn veel banen bijgekomen en de economische groei was verbluffend, maar dat alles is vooral toe te schrijven aan de wereldeconomie die de afgelopen jaren enorm is gegroeid. Ik verwijt het kabinet nu immers ook niet dat we nu een dip doormaken in de economische groei. Blijft de vraag: Wat hebben PvdA (en ook D66, als het progressieve smaldeel in het kabinet) in de afgelopen jaren nu eigenlijk bereikt? Onder de mensen leeft meer onvrede over het falen van de overheid dan ooit tevoren; de publieke sector beleeft een crisis als nooit tevoren; de sorry-democratie, de partijpolitieke benoemingen en de achterkamertjespolitiek oogsten nog steeds terecht veel hoongelach; de sociale wetten zijn allemaal verslechterd; de tweedeling is toegenomen.

De verkiezingen van 15 mei vormen een kruispunt: gaan we (recht)door met dit beleid of nog erger: rechtsaf, of durven we nu de eerste weg links te nemen? Alleen de bereidheid om de inlossing van de maatschappelijke schuld vóór te laten gaan op de aflossing van de staatsschuld, de overheid weer ten volle de verantwoordelijkheid te geven voor de publieke sector, de organisatie van de overheid daarop af te stemmen, en het benodigde geld daar voor uit te trekken kan de kentering te weeg brengen waar een land dat zijn beschaving eert, recht op heeft.