De paarse tweedeling 1: nieuwe apartheid

Na de publicatie van Paul Scheffer’s inmiddels roemruchte artikel in NRC onder de titel ‘het multiculturele drama’ is het debat over het minderheden-integratiebeleid is een stroomversnelling gekomen. En dat is goed. Sterker, het is verwonderlijk dat het zo lang is uitgebleven. Was het niet beter geweest als dit debat vijftien of twintig jaar geleden was gevoerd en we toen meer hadden nagedacht over dit thema? We hadden een hoop problemen vóór kunnen zijn. Echter, de gedachte van ‘laisser aller’ was toen nog leidend. Zeker in linkse kring was het ‘not done’ te spreken in termen van problemen. ‘Laat maar, het komt allemaal goed… we hebben gewoon een multiculturele samenleving.’ Acht jaar paars betekende acht jaar doorrotten van een steeds gevaarlijker zweer in de samenleving: de zweer van de segregatie, die leidt tot nieuwe Apartheid. Paars was een slechte heelmeester – en dus zette deze tweedeling genadeloos door.

Tien stellingen

Mijn eerste stelling: Politici kunnen mensen niet integreren in de samenleving, dat is iets van de mensen zelf: van de nieuwkomers en de autochtonen. Wat de overheid wel kan – en moet – doen, is zorgen voor de best mogelijke voorwaarden om de integratie te laten slagen.

Mijn tweede stelling: De overheid heeft gefaald in het scheppen van de beste voorwaarden voor een succesvolle integratie. Ik ga niet terug in de tijd om alle oorzaken van dat falen nog eens tegen het licht te houden. Ik wil me beperken tot de vaststelling dat de feiten van vandaag – als het gaat om taalvaardigheid, schoolresultaten, werk, noem maar op – de conclusie rechtvaardigen dat het minderheden-integratiebeleid heeft gefaald. De overheid heeft een negatieve bijdrage geleverd door het leren van Nederlands door nieuwkomers veel te lang niet verplicht te stellen.

Mijn derde stelling: Het falende integratiebeleid heeft ertoe geleid dat migranten en hun kinderen er onvoldoende in slagen echt deel te nemen aan de samenleving. Ze beschikken door de bank genomen niet over dezelfde kansen als de gemiddelde autochtoon. De gebrekkige deelname aan de samenleving hindert het integratieproces. Daarmee is de cirkel rond en zijn veel te veel nieuwkomers in een neergaande spiraal terechtgekomen.

Mijn vierde stelling: Deze spiraal richting desintegratie is buitengewoon nadelig voor de mensen waarover we het hebben, maar ook voor de samenleving als geheel. Het is onrechtvaardig. Maar dat niet alleen: er tikt ook een maatschappelijke tijdbom. Het zou wel erg naïef zijn te denken dat dit proces van tweedeling zo door kan gaan, zonder dat het een keer tot een uitbarsting komt. De armoede waar veel allochtonen in terecht zijn gekomen leidt, in combinatie met het gebrek aan uitzicht op verbetering en geloof in een betere toekomst, tot teleurstelling en frustratie. Verschillende reacties zijn mogelijk: de een zal de strijdbijl oppakken en het gevecht voor emancipatie en gelijkberechtiging aangaan, de ander zal misschien zijn heil zoeken in een snelle weg naar rijkdom door criminaliteit. Weer een ander zal zich misschien bewust afwenden van de Nederlandse samenleving, zich juist tegen integratie gaan verzetten en de Westerse samenleving gaan minachten (zoals de recente snelle groei van de Grijze Wolven laat zien).

Mijn vijfde stelling: Integratie is het enige effectieve antwoord op de groeiende problemen voor mensen uit etnische minderheidsgroepen. Deze vaststelling laat geen andere conclusie dan dat mensen die in dit land hun toekomst willen bouwen, die willen dat hun kinderen hier een toekomst kunnen bouwen, ook alles in het werk zullen moeten stellen om de taal te leren en vertrouwd te raken met de hier heersende normen en waarden, de inrichting van onze samenleving etc. Maar dat niet alleen: overheden (rijk en gemeenten), de scholen, de bedrijven en de gemeenschappen (Nederlanders én buitenlanders) zullen zich moeten inspannen. Ik verzet me tegen diegenen die zeggen: ‘Ach, maak je niet druk, dat duurt een of twee generaties en dan lost dat probleem zich vanzelf op.’ Deze cynische kijk op het recht van elk mens op een bestaan, waarin hij of zij met enige kans op succes zijn of haar geluk kan najagen, wordt door mij niet gedeeld. Ik wil me samen met anderen met hand en tand verzetten tegen het ontstaan van een onderklasse, en dus ook een etnische onderklasse. De oververtegenwoordiging van allochtonen in de werkloosheids-, armoede- en criminaliteitsstatistieken, de letterlijke segregatie langs etnische lijnen in wijken en op scholen waren altijd, zijn en zullen voor mij altijd onaanvaardbaar blijven.

Mijn zesde stelling: Integratie en segregatie verdragen elkaar niet. Dat een groot deel van de allochtone kinderen is aangewezen op concentratiescholen, doet hun zaak beslist geen goed. Wanneer op een school de grote meerderheid bestaat uit allochtonen, of althans uit kinderen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, die niet vertrouwd zijn met de Nederlandse cultuur, kan er geen sprake zijn van een vanzelfsprekend integratieproces. Ik ben ervan overtuigd dat integratie in eerste aanleg geen proces is dat door middel van allerlei kunstgrepen tot stand moet komen. Integratie komt tot stand als het vanzelfsprekend is: voor de nieuwkomers én voor de autochtonen. En het vindt concreet plaats in het dagelijkse onderlinge verkeer: op school, op het sportveld, bij de bakker, en ga zo maar door. Deze vanzelfsprekendheid verdwijnt als er geen mensen zijn waarméé je kunt integreren. Met andere woorden: het beste minderheden-integratiebeleid is het beleid dat segregatie op scholen en in wijken bestrijd.

Mijn zevende stelling: Het bestrijden van de segregatie zal, naast veel meer, leiden tot betere resultaten op school voor de kinderen die daar in hun verdere leven afhankelijk van zijn. Om eerlijk te zijn is dit natuurlijk niet alleen míjn stelling, maar een korte samenvatting van de conclusies van alle rapporten die naar aanleiding van tal van onderzoeken zijn gepubliceerd.

Mijn achtste stelling is: Ook het bedrijfsleven moet zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid erkennen en het niet langer bij mooie woorden laten, maar desnoods gedwongen worden een bijdrage te leveren aan het aan werk helpen van mensen uit etnische minderheden. De voormalige gastarbeiders – eens door datzelfde bedrijfsleven hier naartoe gehaald – zijn in de jaren ’80 massaal op straat gezet. Dit was juist de tijd dat veel migranten besloten hier te blijven en niet terug te keren naar hun land van herkomst. Het bedrijfsleven trok vervolgens zijn handen af van deze mensen en de verantwoordelijkheid voor de integratie kwam geheel en al op het bordje van de overheid en de samenleving. Die fout moet worden hersteld. Bedrijven moeten veel meer investeren om migranten ook via het bieden van werk te integreren in de samenleving. Voor middelgrote en grote bedrijven zou een quotum (bijvoorbeeld 5 procent) moeten worden afgesproken.

Mijn negende stelling: De verkokerde aanpak van het integratiebeleid tot nu toe is een van de oorzaken dat echte resultaten zijn uitgebleven. Ik geloof er niks van dat dit grote maatschappelijke vraagstuk door middel van een technocratische benadering kan worden opgelost. Voortdurend wordt wel weer iets nieuws bedacht waardoor Kamer en kabinet een poosje zijn gerustgesteld. Ten onrechte. Veel ministeries (Justitie, Binnenlandse Zaken, Onderwijs, Sociale Zaken, VWS, VROM) zijn op enigerlei wijze bij het beleid betrokken en dat verhindert een integrale en samenhangende aanpak. Dat moet snel veranderen.

Mijn tiende en laatste stelling: Het gaat bij het integratiebeleid niet om assimilatie, maar om een functionele integratie die gelijke kansen mogelijk maakt. Laat ik verwijzen naar Wouter Gortzak, Tweede Kamerlid voor de PvdA: ‘De overgang is een keihard proces; valse, pseudo-linkse sentimentele bewogenheid helpt de nieuwkomers evenmin als overspannen dramatisering of rechtse onverschilligheid en vijandschap.’ Cultuurrelativisme van de kant van de autochtonen helpt de migrant niet. ‘De dominante cultuur stelt de nieuwkomer voor onontkoombare feiten…’, aldus Gortzak. En hij heeft gelijk. Enerzijds moet de buitenlander die hier zijn/haar toekomst ziet, beseffen dat aanpassing onvermijdelijk is, en anderzijds moeten de autochtonen beseffen dat ‘culturele veelvoud niet het probleem is’, zoals ook Godfried Engbersen zegt.

Integratie bevorderen kan niet met pappen en nathouden

Op het vraagstuk van integratie is in het verleden verschrikkelijk vaak gereageerd met een misplaatste politieke correctheid. De politiek correcte opvatting was: ‘iedereen heeft recht op het behoud van zijn culturele identiteit’. Sommigen gingen daarin heel ver. Als je twintig jaar geleden zei dat het van groot belang was dat migranten Nederlands zouden leren, kreeg je niet zelden reacties als: ‘Wat is er mis met Turks?’ Is het besef van het belang van de Nederlandse taal inmiddels doorgedrongen, als het gaat om het bestrijden van de segregatie in de wijken en het onderwijs lijkt dit nog ver weg. Iedereen heeft zijn eigen identiteit, die mede wordt gevormd door de culturele omgeving waarin je bent opgegroeid en waarin je nu leeft, en waarin je ouders en grootouders zijn geboren en opgegroeid. In die zin zijn er zeer veel verschillende ‘culturele identiteiten’ en kun je spreken van een ‘multiculturele samenleving’. Maar helaas geeft dit vage begrip aanleiding tot een belangrijke misvatting, die ook Paul Scheffer en SCP-directeur Paul Schnabel begin 2000 constateerden. Namelijk de ontkenning dat er in Nederland wel één dominante cultuur is. Het wordt tijd dat we gaan beseffen dat we geen multiculturele samenleving zijn, maar een multi-etnische samenleving, zoals ook het SCP in haar rapportage van 1998 noemde. Natuurlijk kan ook binnen één dominante cultuur een veelkleurigheid van culturele uitingen en gewoonten een plaats krijgen, wat weer een verrijking van onze samenleving kan zijn. Maar de dagelijkse praktijk is helaas een andere. ‘We leven in Nederland langs elkaar heen’, stelde Scheffer terecht.

Het naast elkaar leven van autochtonen en allochtonen is grotendeels letterlijk. Op dit moment woont 42 procent van de totale minderhedenbevolking in de vier grote steden en deze hebben 22 postcodegebieden met een allochtone meerderheid (SCP 1999). Zo is in vele wijken in ons land de situatie ontstaan waar andere culturen dominant zijn en de Nederlandse cultuur vrijwel afwezig is, waardoor de bewoners hier nauwelijks mee in aanraking komen. Integratie vindt plaats in het dagelijks leven: bij de bakker, op straat, het schoolplein. Integratie is een actief proces tussen allochtonen en autochtonen. De Turkse buurman helpen bij het invullen van zijn huursubsidieformulier. Uitgelegd krijgen over wat de ramadan is. Het Marokkaanse buurmeisje leren fietsen, waarbij als vanzelf haar woordenschat wordt uitgebreid met ‘fietsbel’, ‘terugtraprem’ en ‘reflector’. Als de concentratie allochtonen in een wijk te groot wordt stokt dit integratieproces.

Politici kunnen mensen niet integreren, maar wel de juiste voorwaarden scheppen. Zonder twee belangrijke voorwaarden, namelijk het leren van Nederlands en het actief tegengaan van segregatie, komen we er niet. Als het gaat om taal, zijn er voor nieuwkomers nu de verplichte inburgeringscursussen – die overigens aan alle kanten lijken te rammelen. Voor allochtonen die al langer in Nederland wonen en de taal onvoldoende beheersen moeten er eveneens voldoende taalcursussen komen.

Zwarte scholen zijn niet alleen slecht voor de integratie, maar evenzeer voor de leerprestaties van de kinderen – en daarmee voor hun kansen op een fatsoenlijke toekomst. Om de groeiende apartheid in het onderwijs tegen te gaan moeten gemeenten, in overleg met scholen en ouders, gemengd onderwijs mogelijk maken.Verschillende gemeenten, bijvoorbeeld Amersfoort, Tiel en Doesburg, voeren nu zo’n ‘spreidingsbeleid’. Natuurlijk is spreiding in de grote steden, waar een groot deel van de leerlingen allochtoon is, moeilijker. Maar daarmee zeker niet geheel onmogelijk. Ook in Amsterdam Zuid-Oost heb je zwarte èn witte scholen. In wijken moet segregatie worden teruggedrongen door gemeenten en woningbouwverenigingen aan te sporen tot een actief woningtoewijzingsbeleid. En door allochtonen, die nu vaak gevangen zitten in deze wijken, via het bouwbeleid en huursubsidiebeleid de kans te geven op een betaalbare huurwoning in witte wijken.Helaas worden voorstellen om beleid te ontwikkelen dat bijdraagt aan een meer evenwichtige opbouw van de wijken en schoolpopulaties nog steeds in de taboesfeer geplaatst. Steevast worden deze voorstellen getorpedeerd met het argument dat mensen vrij moeten zijn in hun woon- of schoolkeuze. Alsof mensen met lage inkomens die keuze nu wél zouden hebben. In 1992 verscheen een onderzoeksrapport over de segregatie in het onderwijs, met de aanbeveling om te komen tot een spreidingsbeleid, maar het rapport verdween in de la van toenmalig staatssecretaris van Onderwijs Wallage. En nog staat zwaait de meerderheid van de partijen met de dooddoener ‘dat is aantasting van de vrijheid van onderwijs’. Beleid gericht op het tegengaan van segregatie in het onderwijs en de wijken betekent geenszins dat mensen gedwongen worden te verhuizen of van school te veranderen. De keuzemogelijkheden voor met name allochtonen wordt juist vergroot. Aan de andere kant is ook niet uit te sluiten dat keuzes voor zowel allochtonen als autochtonen iets worden ingeperkt. Maar dit wordt gerechtvaardigd door dat hogere doel: de integratie.

In Den Haag beperkt de discussie zich vooralsnog tot het falende onderwijsachterstandenbeleid. De verkokerde benadering van het kabinet blijft er toe leiden dat de echte oorzaken niet worden aangepakt. Staatssecretaris Adelmund komt in een nota over zwarte scholen niet verder dan een aantal ‘laboratorium scholen’ om te kijken hoe de kwaliteit verbeterd kan worden. In de nota wordt met geen woord gerept over de oorzaken of de bestrijding van de segregatie. ‘Taal, taal, taal,’ is het motto van integratieminister Van Boxtel. Natuurlijk is de aandacht voor taal belangrijk, maar de discussie over integratie beperkt zich niet tot het onderwijs en de taalachterstand van allochtonen. Het zou goed zijn als de Tweede Kamer daar een allesomvattend parlementair onderzoek tegenover zet, waarna samenhangende voorstellen kunnen worden gedaan die moeten leiden tot echte resultaten. Weg met het pappen en nathouden-beleid van de laatste decennia!

Spreiding nodig

Tegenstanders van spreidingsbeleid beweren steeds met grote stelligheid dat spreiding mensen in hun keuze belemmert en hun vrijheid aantast. ‘Allochtonen willen zelf allemaal bij elkaar wonen’, zo weet men zeker. In de vele gesprekken die ik op bijeenkomsten met allochtonen voerde is mij daar nooit iets van gebleken. Het tegendeel lijkt meer het geval. Maar als je iets keer op keer blijft herhalen, wordt het vanzelf een vaststaand feit. In Deventer voeren Turkse ouders actie voor beter onderwijs voor hun kinderen. Zij vinden het ongewenst dat op hun school alleen Turkse kinderen zitten. Hun eisen zijn dat kinderen vanaf volgend schooljaar naar een gemengde school gaan, en dat de gemeente – die de ongewenste concentratie heeft laten ontstaan, en dus medeverantwoordelijk is voor de achterstand van hun kinderen – de kosten betaalt voor het vervoer naar een andere school. De ‘Turkse’ school in Deventer – met de helaas toepasselijke naam De Kameleon – is in de neerwaartse spiraal terechtgekomen waarin veel scholen met een stijgend percentage allochtone leerlingen verkeren: steeds meer autochtone leerlingen worden van school. Met als gevolg dat er op de school niet één autochtoon kind meer zit. In Utrecht hebben Turkse en Marokkaanse oudercomités, bewonerscommissies, winkeliersverenigingen, moskeeën en protestantse en rooms-katholieke kerken de handen ineengeslagen. Zij hebben zich verenigd in de Stichting Houd Kanaleneiland Leefbaar en een brandbrief naar de gemeente Utrecht gestuurd, waarin ze pleiten voor een spreidingsbeleid op het gebied van huisvesting. In Kanaleneiland is 73 procent van de bevolking allochtoon; op de scholen is dit percentage nog hoger.

Dat allochtonen nu zelf in verzet zijn gekomen tegen de segregatie is moedig en misschien wel de enige mogelijkheid om het taboe te doorbreken. Hun actie kan een belangrijk keerpunt zijn in de discussie over spreidingsbeleid. Van ‘aantasting van vrijheid’ en ‘discriminatie’ kun je moeilijk nog spreken als de groep wiens vrijheid je zou aantasten en die je zou discrimineren, zélf om spreiding vraagt. De acties in zowel Kanaaleiland als Deventer verdienen alle steun, maar krijgen die tot nu toe helaas amper. Alleen al het feit dat – nadat jarenlang vooral over en niet mét allochtonen is gesproken – er nu groepen allochtonen opstaan die zich volop in de strijd werpen, is van groot belang. Bovendien vind ik dat ze in hun stellingname groot gelijk hebben. Concentratie van allochtonen in wijken en op scholen belemmert de integratie, terwijl het voor hun toekomst en die van hun kinderen van groot belang is om te integreren in de Nederlandse samenleving. Met gemengd wonen en leren is bijvoorbeeld de kans kleiner dat allochtone kinderen die in Nederland geboren zijn een taalachterstand oplopen. Zo vertelde één van de Turkse moeders dat ze vond dat haar in Deventer geboren dochter een slechtere uitgangspositie heeft dan zij zelf had, toen ze als jong meisje uit een Turks bergdorp kwam: ‘Ik kwam op een gemengde school en in een gemengde wijk en moest snel overal Nederlands spreken. Mijn dochter spreekt slechter Nederlands dan ik. Pas wanneer ze naar de middelbare school gaat, komt zij buiten ‘haar Turkse dorp.’

Daarom: weg met de afzijdigheid, de vrijblijvendheid, de ‘valse’ politieke correctheid. Laten we niet langer afzijdig toekijken maar beleid maken om de nieuwe ‘apartheid’ tegen te gaan. In wijken moet segregatie worden teruggedrongen, door gemeenten en woningbouwverenigingen aan te sporen tot een actief woningtoewijzingsbeleid en door allochtonen, die nu vaak opgesloten zijn in deze wijken, via het bouw- en huursubsidiebeleid de kans te geven op een betaalbare huurwoning in witte wijken. Ook in het onderwijs moet er een actief spreidingsbeleid komen, in samenspraak metgemeenten, scholen en ouders.

De resultaten van dit beleid mogen niet vrijblijvend zijn. Daarom ben ik voor een ‘verplicht’ spreidingsbeleid. Dat verplichten slaat dan vooral op het beleid en dus de beleidsmakers. Dus verplicht betekent niet dat een gezin van Turkse afkomst uit wijk X wordt weggeplukt en verplicht in wijk Y moet gaan wonen. Het betekent ook niet dat mensen elke keuzevrijheid voor de school van hun kinderen wordt ontnomen. Het betekent dat bij het kiezen van een woning en een school door ‘zwart’en door ‘wit’, voortaan terdege rekening gehouden wordt met de gevolgen ervan voor de integratie – en daarmee voor de kansen in de toekomst.