De stille revolutie

De afgelopen twintig jaar heeft zich in ons land een ware revolutie voltrokken. De ‘warme’ verzorgingsstaat werd ingeruild voor een ‘kille’, zakelijke waarborgstaat. Paars wilde een nieuw evenwicht. En dat kwam er: inkomsten en uitgaven van de overheid houden elkaar nu inderdaad in evenwicht, maar de samenleving is uit balans geraakt. De overheid verstrekt steeds minder garanties en laat meer en meer over aan de markt. De publieke zaak is verweesd, en dat blijft niet zonder gevolgen. Hoe beschaafd is ons land nog?

Achtereenvolgende kabinetten hebben zich vanaf het begin van de jaren tachtig gefixeerd op de macro-economische cijfers (de economische groei, het terugdringen van het financieringstekort en de staatsschuld). Dit heeft de blik op de samenleving vertroebeld. De korte horizonten van maximaal vier jaar (voor herverkiezing) en meestal zelfs één jaar (het begrotingsjaar) hebben verhinderd dat de heersende politiek tijdig heeft ingezien dat er schraalheid is ontstaan aan het eind van de kaasschaaf. De prijs die nu wordt betaald voor het systematisch verkrappen van budgetten is hoog. Die prijs omvat de onvoorwaardelijke en onbetaalbare loyaliteit van de leraar aan het onderwijs en ‘zijn/haar’ leerlingen, van de verpleger aan de zorg en ‘zijn/haar’ patiënten, van de politieagent aan de beveiliging van de openbare ruimte en ‘zijn/haar’ wijkbewoners, van de academicus aan de wetenschap en ‘zijn/haar’ onderzoek, van de kunstenaar aan de kunsten en ‘zijn/haar’ werkstuk, van de conducteur aan het openbaar vervoer en ‘zijn/haar’ passagiers. De infanteristen van de publieke zaak, zij die in de frontlinie staan van de dagelijkse werkelijkheid, hebben hun vertrouwen in de overheid verloren. Zij hebben het gevoel er alleen voor te staan, en niet de steun te krijgen die ze terecht verwachten. Cynisme uit zelfbehoud is het onvermijdelijke gevolg. De goedkoop van de overheid is duurkoop voor de samenleving geworden.

Door de aanhoudende economische groei van de laatste jaren worden we nu geconfronteerd met een spanning op de arbeidsmarkt, die we sinds de jaren zestig niet meer gekend hebben. Het resultaat is dat de overheid, de zorg, het onderwijs etc bij het werven van personeel moeten concurreren met de markt. En dat lukt slecht, zó slecht dat via allerlei kunstgrepen (verpleegkundigen uit Zuid-Afrika, kinderen vier dagen per week naar school, onbevoegden voor de klas) geprobeerd wordt de grootste nood te ledigen. De impopulariteit van de publieke sector heeft diverse oorzaken: natuurlijk het loon dat beslist niet marktconform is; natuurlijk de mindere secundaire arbeidsvoorwaarden; maar vooral toch ook de bezoedeling van het imago van het werk, of dat nu in het onderwijs is, de zorg, de politie, of het leger. Een baan in de publieke sector lijkt het laatste te zijn waar jongeren naar streven. De bezoedeling van de overheidsdienst heeft alles te maken met de stiefmoederlijke wijze waarop de kabinetten vanaf Lubbers I (en met name de twee paarse kabinetten) met deze sectoren zijn omgegaan.

Het begon ermee dat ‘de maakbaarheid van de samenleving’ als te pretentieus concept uit het raam werd gegooid. In het kielzog van deze zelfrelativering werd de hele publieke sector gediskwalificeerd als inefficiënt en ineffectief. Meer en meer politici vielen voor de aantrekkelijkheid van de simpele dogma’s van het neoliberalisme. ‘Minder overheid en meer markt’ werd voor vrijwel elke partij het uitgangspunt. Privatisering, deregulering, decentralisering en budgettering werden de instrumenten van dit beleid. Ideologisch verwoordde Paars I het in het Regeerakkoord ‘Keuzen voor de toekomst’ van 1994 aldus: ‘De leidende gedachte in dit programma is het herijken van de verhouding tussen gemeenschappelijke regelingen en eigen verantwoordelijkheid.’ En verder: ‘Zo kan een nieuw evenwicht groeien tussen de behoefte aan bescherming en de noodzaak van dynamiek.’ Een herijking en een nieuw evenwicht dus, dat was wat de paarse bewindslieden wilden bereiken. En ze hebben niet stil gezeten: alle sociale wetten zijn door de molen gegaan en vrijwel zonder uitzondering verslechterd: de arbeidstijdenwet werd verruimd; de sociale volkshuisvesting is bijna geheel ontmanteld; de zorg werd gebudgetteerd en de uitgavengroei onder Paars I gemaximeerd op jaarlijks 1,3 procent; het onderwijs kreeg te maken met systematische tekorten, terwijl de verantwoordelijkheid in belangrijke mate werd gedecentraliseerd; de NS werd verzelfstandigd; nutstaken als gas en elektra werden klaargemaakt voor de markt; de PTT werd KPN en ging naar de beurs; er werd door paars voor 25 miljard aan lastenverlichting voor bedrijven en burgers doorgevoerd. Deze herijking leidde inderdaad tot een andere evenwicht: solidariteit werd vervangen door markt-dynamiek. De herijking leidde tot particuliere rijkdom voor enkelen en tot publieke armoede voor velen.

Steeds vaker hoor je specialisten en andere kenners van de gezondheidszorg spreken van ‘dood door schuld’, als ze de gegroeide wantoestanden in de vorm van wachtlijsten beschrijven. Hoogleraar Knape, anesthesioloog in het UMC, sprak al over ‘onnodige sterfgevallen’. De Gezondheidsraad sprak schande over het feit dat kankerpatiënten in 13 van de 21 bestralingscentra drie tot zeven weken moeten wachten voordat ze behandeld kunnen worden. Het aantal wachtenden voor een open-hartoperatie neemt weer toe. Het tekort aan IC-bedden maakt dat vaak geleurd moet worden met patiënten: de Nederlandse Hartstichting komt met voorbeelden uit Limburg waar hartpatiënten overleden omdat er geen plek was in een naburig ziekenhuis. Chirurg Maurits de Brauw zegt: ‘Ik maak de mensen niet beter. Ik maak ze zieker.’ (NRC 20 mei 2000) En: ‘Mensen die vanwege galstenen op de wachtlijst stonden, kwamen plotseling met een ontstoken alvleesklier of galblaas binnen. We hebben nog geen doden gehad, maar daar kun je op wachten.’ Volgens recent vergelijkend onderzoek van de OESO is de specialisten- en huisartsendichtheid in ons land laag, en geven we betrekkelijk weinig uit aan zorg. Onder andere daarom hebben we wachtlijsten. En niet alleen in de cure, ook de care: meer dan 10.000 mensen wachten op een plaats in een verpleeghuis en ruim 32.000 mensen wachten op een plekje in een verzorgingshuis. Bijna 60.000 mensen krijgen geen of onvoldoende thuiszorg. Bijna 10.000 kinderen wachten op hulp of een plaats in een instelling.

Deze cijfers zijn al jaren bekend. Paars heeft zich al die tijd Oost-Indisch doof getoond, en niets ondernomen de ontwikkeling te keren. Dat was de prijs voor een ‘nieuw evenwicht’. Wat we aan percentage van het BBP uitgeven aan zorg is onder paars gedaald van 9 procent naar 8,2 procent, terwijl de behoefte aan zorg door bijvoorbeeld de vergrijzing is toegenomen. Waar de publieke sector tekort schiet, bereidt zij de weg voor de commercie. AEGON heeft nu een polis in de aanbieding die de verzekerde in staat stelt de wachtlijsten door middel van een arrangement in het buitenland te omzeilen. Maar voor wat hoort wat: de premie ligt fors hoger dan die voor andere polissen. Eerder werden we al geconfronteerd met voorbeelden van voorrangszorg in particuliere klinieken en bedrijvenpoli’s. Zelfs de zorg is nu wat kwaliteit en toegang betreft ten prooi gevallen aan tweedeling.

Tweedeling komt niet alleen tot uitdrukking in de zorg . We zien het ook ontstaan in het onderwijs. Privé-scholen (20.000 euro per kind per jaar) werden door de politiek goedgekeurd, het belang van sponsoring neemt in het onderwijs steeds verder toe, net als het belang van hoge ouderbijdragen voor scholen. Minister Hermans spreekt in dit verband eufemistisch over ‘differentiatie’, die zou leiden tot pedagogische of didactische diversiteit. In werkelijkheid gaat het erom dat ouders graag extra betalen om zich te verzekeren van goed onderwijs voor hun kinderen. Maar niet iedereen kán extra betalen. ‘Differentiatie’ leidt in de praktijk vooral tot sociaal-economische segregatie. Internationaal gezien dalen we steeds verder op de onderwijsladder. Onze klassen zijn groter, onze leraren moeten langer werken, en daardoor is het niveau lager. Ook het percentage BBP dat we uitgeven aan onderwijs is lager: het OESO-gemiddelde ligt nu op 6,5 procent (in de VS 7,1 procent!), in ons land komen we niet verder dan 5,1 procent. Als we weer op het gemiddelde willen uitkomen, moet er 5 miljard euro extra worden vrijgemaakt voor het onderwijs. Pedagogen vroegen zich vroeger nog wel eens af of onderwijs het volgieten is van een emmer of het ontsteken van een licht. Deze vragen zijn nu achterhaald. Voor geen van beide kwalificaties lijken we nog de middelen beschikbaar te hebben.

De collectieve armoede heeft ook geleid tot minder aandacht voor de structurele individuele armoede in onze samenleving. Nog steeds groeien bijna 300.000 kinderen op in armoede en loopt het aantal daklozen (waaronder steeds meer gezinnen en kinderen) verder op. En tot culturele armoede. De kunsten moeten inleveren. Wetenschappers die zich bezighouden met fundamenteel onderzoek moeten vóór ze in aanmerking komen voor een budget eerst een plan indienen met de marktkansen en sponsormogelijkheden.

De publieke zaak heeft altijd twee ouders gehad: de overheid en de samenleving. De overheid heeft haar taken veronachtzaamd, waardoor de samenleving steeds meer verworden is tot een optelsom van individuen. Er loopt nu een SIRE-campagne die ons moet vertellen: ‘De maatschappij dat ben jij’. Het is één van de grote misverstanden van deze tijd te denken dat wanneer de door de overheid georganiseerde solidariteit afneemt, de spontane, maatschappelijke solidariteit zal toenemen. Niets is minder waar gebleken. De overheid is medetrendsetter, of ze dat nu wil of niet. De politiek van de afgelopen twintig jaar heeft de vanzelfsprekendheid van de solidariteit van de ‘have’s’ met de ‘have-nots’ doen verdwijnen. Deze ontwikkeling kon slechts leiden tot calculerende burgers. Uit de overspelige relatie van de sociaal-democratie met het liberalisme werd de homo economicus geboren, waarbij de eerste haar DNA-kenmerken aan deze liefdesbaby lijkt te hebben onthouden. In dit tijdsgewricht, waarin het hedonisme van ‘alles voor vandaag, en vandaag voor alles’ terrein won en het individualisme van ‘ieder-voor-zich’ de trend werd, kon het gebeuren dat sommigen ongestraft konden pleiten voor een 45-urige werkweek (het MKB) en voor afschaffing van de VUT ten faveure van de individuele prepensionering (VNO/NCW). ‘Het ziekengeld moet naar 70 procent’, zegt de WRR. Het heeft er alle schijn van dat alles van waarde (wat volgens Lucebert weerloos is) het moet afleggen tegen het ‘nieuwe evenwicht’ van paars.

Een beschaving kenmerkt zich door de waarden die zij centraal stelt. De waarden die de Westerse beschaving ons gebracht en geleerd heeft, zoals het recht op een menswaardig bestaan voor élk individu, de diepe overtuiging dat we gelijkwaardig zijn en élk mens telt en de vanzelfsprekendheid van solidariteit, lijken hun basis in de politiek en de samenleving steeds meer te verliezen. En dat in een tijd waarin we juist een nieuwe agenda voor de homo universalis zouden kunnen schrijven. Onze grote welvaart stelt ons daartoe in staat. Maar juist nu lijkt de fantasie en de creativiteit te ontbreken. De utopische oasen lijken opgedroogd, en – zoals Jürgen Habermas al eens waarschuwde – wat dan overblijft is een woestijn van banaliteit en radeloosheid.