De vierkante cirkel: maatschappelijk verantwoord ondernemen

Na acht jaar paars is de overheid op alle terreinen geweken voor de markt. Met opzet. Meer vertrouwen in ondernemers is wat PvdA en VVD ons voortdurend inprentten. De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal, tussen algemeen en eigen belang, dat is iets van vroeger. Vrij baan voor het maatschappelijk verantwoord ondernemen! En voor het tekenen van vierkante cirkels!

In jaren ’70 en ’80, op het hoogtepunt van de verzorgingsstaat en het vertrouwen in de maakbare samenleving, organiseerde ik in Oss acties tegen Organon, een van de grootste plaatselijke werkgevers. Het fenomeen Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen moest nog worden uitgevonden en Organon liet zich weinig gelegen liggen aan haar verantwoordelijkheid voor het milieu. Wat daar het riool inliep, geloosd werd in de lucht, en weglekte in de bodem was zelfs op grond van de zeventiger-jaren-wetgeving bar en boos. Omdat ook het roemruchte Poldermodel nog niet bestond had de directie van het bedrijf aanvankelijk bijzonder weinig behoefte om met ons, het actiecomité van omwonenden, over onze eisen te praten. Pas na enkele jaren vasthoudende actie en het verwerven van brede steun onder de bevolking, met inbegrip van het personeel, werd de koers omgegooid, met de inschakeling van Wouter van Dieren, inmiddels een bekende persoon op het gebied van duurzaam ondernemen. Daarna waren de actievoerders welkom aan de onderhandelingstafel. Organon is inmiddels niet langer meer een smeerkees, ze is geworden van paria tot voorbeeld en behoort nu tot de schoonst producerende bedrijven in de chemische sector.

Is dit succesverhaal het gevolg van het gegroeide besef bij de bedrijfsleiding van haar maatschappelijke verantwoordelijkheid? Of zouden uiteindelijk toch de druk van de omgeving, het beschadigde imago van het bedrijf (gezondheid/medicijnen) en de regels van de overheid de doorslag hebben gegeven? Dat is de centrale vraag als we het hebben over de maatschappelijke gevolgen van ‘het ondernemen’. Mogen we uit het feit dat een flink deel van de Nederlandse multinationals inmiddels de OESO-richtlijnen (voor multinationale ondernemingen) onderschrijft opmaken dat het in de directiekamers tegenwoordig over méér gaat dan alleen een groter marktaandeel, grotere omzet, lagere kosten en een hogere winst? Een beetje ja, maar vooral nee!

In de bakermat van het vrije ondernemerschap, de Verenigde Staten, is het maatschappelijk bewustzijn van de ondernemers, afgaand op de penetratiegraad van MVO-manuals, gedragscodes, sociale- en milieu-jaarverslagen, het hoogst van alle welvaartsstaten. Tegelijkertijd scoort de Verenigde Staten volgens het laatste ‘Human Development Report’ (1999) van de Verenigde Naties als laagste op de Human Poverty Index voor ontwikkelde landen. In deze index worden meegewogen: het aandeel mensen dat voor hun zestigste overlijdt, het aandeel analfabeten, het aandeel mensen onder de armoedegrens en het aandeel langdurig werklozen. In de VS is bijna 21 procent van de bevolking functioneel analfabeet. 19 procent leeft onder de armoedegrens. De rijkste 20 procent van de bevolking verdient 9 keer zoveel als de armste 20 procent. Ter vergelijking: in Nederland was in hetzelfde jaar 10 procent functioneel analfabeet, leefde krap 7 procent onder de armoedegrens en verdiende de rijkste 20 procent vier en een half keer zoveel als de armste 20 procent. Ik vraag me dus af: hoe diep zit dat verantwoordelijkheidsgevoel bij die Amerikaanse ondernemers nu eigenlijk? Hebben ze laten zien dat ze in staat zijn de maatschappelijke taken over te nemen die de overheid heeft afgestoten? Op grond van de dikte van de handboeken en verklaringen: ja.

Op grond van de feiten van de UNDP: Nee!

Nu zult u zeggen: Marijnissen legt een verband dat er niet is. Hoe kun je de Amerikaanse bedrijven verantwoordelijk stellen voor de hogere sterftecijfers onder de armen? Deels is dat waar, omdat natuurlijk de overheid als eerste de hoeder van de volksgezondheid zou moeten zijn. Maar die overheid heeft zich uit vele kerntaken teruggetrokken, juist op grond van het argument dat de markt beter in staat zou zijn om aan de maatschappelijke behoefte te voldoen! De omvang van de publieke sector en het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen zouden als communicerende vaten moeten werken, zo was de gedachte: als de overheid minder gaat doen, zal het bedrijfsleven op een efficiëntere en effectievere manier de maatschappelijke doelstellingen realiseren en tegelijk ook nog eens een leuke winst aan de aandeelhouders kunnen uitkeren.

In navolging van de VS, worden ook in ons land steeds meer traditionele overheidstaken ‘uitgeorganiseerd’ aan het bedrijfsleven. Wat mogen we hiervan verwachten? Wat zal ons deze ontwikkeling brengen? Laten we nog eens teruggaan naar de situatie in de VS, waar de gezondheidszorg, zowel de verzekeringskant als de productiekant, vrijwel geheel in particuliere handen is. De Amerikanen besteedden in 1996 ruim 14 procent van hun BBP aan gezondheidszorg, in ons land was dat nog geen 8,2 procent. Desondanks is een op de 4 Amerikanen onderverzekerd of zelfs onverzekerd en dus afgesneden van de meest basale voorzieningen. Bovendien zijn veel ziektekostenverzekeringen verbonden aan de baan die je hebt. Als je in Amerika werkloos wordt, heb je niet alleen na een aantal maanden geen WW-uitkering meer, maar wordt ook je ziektekostenverzekering beëindigd. Waarom besteden de Amerikanen dan toch zoveel geld aan de gezondheidszorg als de kwaliteit zo belabberd is? Ten eerste is de gezondheidszorg niet voor iedereen belabberd. De rijken kunnen zich enorme luxes veroorloven. Hun ziekenhuizen zijn ware vijfsterrenhotels waar de patiënten tot in de puntjes worden verzorgd en waar aan al hun, soms zeer opmerkelijke, wensen wordt voldaan. Van facelifts tot borstvergrotingen en -verkleiningen, ook als daar geen medische noodzaak voor bestaat, niets is in het land van de onbegrensde mogelijkheden te gek, zolang je maar betaald. Daarin schuilt zeker een van de verklaringen voor het hoge percentage van het BBP dat in de VS aan de gezondheidszorg wordt besteed.

Een andere oorzaak is de enorme bureaucratie die verbonden is met het stelsel van particuliere ziektekostenverzekering. Heeft men een operatie achter de rug, dan kan men een rekening verwachten van de specialist, de huur van de OK, van het lab, het eten en de verzorging – allemaal rekeningen die patiënten eerst zelf moeten betalen. Vervolgens moet men over al die rekeningen nog eens apart met de verzekeraar onderhandelen. Die moet namelijk overtuigd worden dat het niet goedkoper kon. De bureaucratie die dit alles met zich meebrengt kost enorm veel geld, geld dat niet besteed wordt aan zorg. Vaak leiden meningsverschillen tussen verzekerde en verzekeraar tot ellenlange processen en ook die kosten moeten door iemand worden betaald. En daar blijft het niet bij. Omdat de patiënten zoveel moeten betalen voor de medische voorzieningen, willen ze ook kwaliteit. Het gaat nog net niet zover dat men het eeuwige leven eist, maar er hoeft maar het minste of geringste te gebeuren of men stapt naar de rechter om een schadevergoeding te eisen. Het aantal processen tegen artsen en ziekenhuizen is de laatste twintig jaar verdriehonderdvoudigd. De veroordelingen en exorbitante bedragen die soms als smartengeld en schadevergoeding aan ontevreden patiënten moeten worden uitbetaald hebben ertoe geleid dat alle artsen zich tegen dit risico hebben moeten verzekeren, wat overigens weer een profijtelijke activiteit is voor de particuliere verzekeraars. De premies worden vanzelfsprekend doorberekend in de prijzen. Al deze uitwassen zijn het rechtstreekse gevolg van het ontbreken van een algemeen, collectief systeem voor de ziektekosten in de VS en van het feit dat commercie en marktwerking bezit hebben genomen van de gezondheidszorg. Daar hebben de gedragscodes en de manuals op de schouw in de directiekamer niets aan kunnen veranderen.

Zitten de Nederlandse ondernemers anders in elkaar dan hun Amerikaanse collega’s? Kan ons Nederlandse poldermodel bestaande uit een sloot markt, aangelengd met een flesje overheid en een scheutje overleg, voor elkaar krijgen wat die Amerikanen niet gelukt is, namelijk méér markt en een ongedeelde gezondheidszorg gebaseerd op het principe van solidariteit? In de Economisch Statistische Berichten van 1 september 2000 wordt het vooroordeel over de hoge kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg, gebaseerd op de situatie van 25 jaar geleden, goed gedocumenteerd onderuit gehaald. De Nederlandse gezondheidszorg blijkt in vergelijking met onze ontwikkelde buurlanden helemaal niet aan de top te staan. Sterker nog: voor wat betreft de wachtlijsten behoren we inmiddels tot de achterhoede. In de periode dat de overheid in de gezondheidszorg drie stappen terug heeft gedaan en het particuliere initiatief volop maatschappelijk verantwoord kon ondernemen, zijn we weggezakt uit de kopgroep.

Deze constatering houdt overigens geen waardeoordeel in over de betrokken bedrijven, hun management of personeel. Veeleer is er sprake van een noodgedwongen consequentie van het marktmechanisme, ertoe leidt dat verzekeraars: bij voorkeur producten ontwikkelen voor de koopkrachtige vraag waarop de hoogste rendementen kunnen worden behaald (denk aan de nieuwe polis van AEGON tegen wachtlijsten) en risico’s het liefst aan de concurrentie overlaten (door selectie aan de poort of tariefdifferentiatie). De ideële verzekeraar die in een volledig geliberaliseerde markt zonder enige wetgeving verzekeringen aanbiedt die gebaseerd zijn op solidariteit – dus géén risicoselectie en géén premiedifferentiatie – graaft zijn eigen graf. Zijn tarieven, gebaseerd op gezonde én minder gezonde mensen, zullen immers altijd hoger zijn dan die van de concurrent die slechts de categorie ‘je bent jong en je wil wat’ accepteert. Dus blijft onze idealist met de kneusjes zitten en heeft hij de keus tussen hogere tarieven voor de zielenpieten of een vroegtijdig faillissement. Het steeds verder verschuiven van de grenzen van de risicoselectie en tariefdifferentiatie kan slechts voorkomen worden door wetgeving die hieraan paal en perk stelt. Maar dit is strijdig met de filosofie van het maatschappelijk verantwoord ondernemen, die de individuele verantwoordelijkheid van de ondernemer als uitgangspunt heeft. Ik wil nog drie voorbeelden geven over de praktijk van de maatschappelijke verantwoordelijkheid in de financiële dienstverlening. Die hebben betrekking op de consumptieve kredietverlening, het aanbieden van financiële producten die tot doel hebben belastingbetaling te vermijden en de institutionele beleggingen in huurwoningen. Wie een willekeurige Tv-gids of de ‘Kampioen’ doorbladert komt gemiddeld 6 pagina’s advertenties voor consumptief krediet tegen. Als we de hypotheekaanbieders meetellen kom je zelfs op een pagina of tien. De rentepercentages en maandbedragen waartegen hoge bedragen geleend kunnen worden zijn te mooi om waar te zijn. Al lopende leningen kunnen zonder probleem worden opgenomen in het nieuwe krediet. Helaas voor de consument in geldnood zijn de rentepercentages gebaseerd op een belastingvoordeel van 60 procent. De maandbedragen gaan uit van een aflossingsvrij deel of een zeer lange looptijd van de lening. De brokken van dit soort asociale praktijken mogen worden opgeruimd door de gemeentelijke kredietbank – de overheid dus. En geeft die niet thuis, dan komt de ongelukkige die zich heeft overeten aan een turbolening misschien gewoon op straat terecht. Wat is toch de reden voor die enorme stijging van het aantal daklozen in Nederland? De enige manier om dit soort praktijken aan te pakken is strengere wetgeving op consumptief krediet, iets wat de staatssecretaris van Economische Zaken mede op ons aandringen nu ook gaat doen.

Dan de aanbieders van financiële producten die voornamelijk gebaseerd zijn op het vermijden van belastingbetaling. Bijvoorbeeld de hypotheekvorm waarbij niet alleen niet wordt afgelost, maar zelfs de rente gedurende de looptijd wordt bijgeschreven. De torenhoge rente wordt fiscaal afgetrokken en de opbrengst gestoken in beleggingsproducten waarover niet of nauwelijks belasting hoeft te worden betaald. De kapitaalverstrekker die zich als maatschappelijk verantwoord ondernemer beperkt tot een brave annuïteitenhypotheek of een iets ondeugender spaarhypotheek, ziet zijn klanten bij bosjes vertrekken naar de concurrentie met minder scrupules.

Ten slotte de markt van de particuliere verhuurwoningen, voor een flink deel in handen van de pensioenfondsen en institutionele beleggers. In sommige gemeenten, bijvoorbeeld Diemen, bezitten ze meer huizen dan de woningcorporaties. Volgens de publicatie ‘Volkshuisvesting in Cijfers’ bedroeg het gemiddeld achterstallig onderhoud bij particuliere huurwoningen in 1995 11.200 gulden per woning, tegen 4.200 gulden voor sociale huurwoningen. Bijna drie keer zoveel dus. Een verklaring zou kunnen zijn dat particuliere verhuurders, in tegenstelling tot hun sociale collega’s, niet verplicht zijn om een onderhoudsfonds in te stellen. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ze minder geld aan onderhoud uitgeven, omdat ze hun complexen meestal na 20 tot 30 jaar – als de hoge kosten komen – van de hand doen. De huren in de particuliere huursector bedragen gemiddeld meer dan 80 procent van het wettelijk maximum, in de sociale sector minder dan 60 procent van het wettelijk maximum. Veel huurders in plaatsen als Diemen zijn de afgelopen jaren in de problemen gekomen. Toen ze hun woning 20 jaar geleden betrokken verdienden ze aardig en was de huur betaalbaar, nu is hun inkomen door bijvoorbeeld pensionering gedaald en de huur drie keer over de kop gegaan. Ze mogen verhuizen naar Zaanstad, waar nog sociale huurwoningen leegstaan. De vrijkomende huurwoningen in Diemen gaan tegen astronomische marktprijzen in de verkoop. Ook hier is het maatschappelijk verantwoord ondernemen ondergeschikt aan het rendement.

Verantwoord ondernemen kan op twee manieren worden afgedwongen. Door de consument, die bepaalde producten niet of juist wel wil kopen, en door de overheid, die wetten en regels stelt. De laatste is ongetwijfeld de belangrijkste. Maar ook dit instrument ligt stevig onder vuur. Ondernemend Nederland roept al jaren om deregulering, zodat er meer ruimte komt voor marktwerking. De maatschappelijke belangen zouden moeten worden verzekerd door zelfregulering en convenanten. Ook het Nederlands Verbond van Verzekeraars is allergisch voor meer wetgeving, bijvoorbeeld om standaardisatie van de polisvoorwaarden of het meenemen van risico’s die nu uitgesloten worden af te dwingen.

Het is mooi dat de top van het bedrijfsleven erkent – of gedwongen wordt te erkennen – dat haar verantwoordelijkheid verder reikt dan de omzetcijfers en het rendement voor de aandeelhouders. Maar uiteindelijk is het financiële jaarverslag de maatstaf waarop managers worden afgerekend. Daarom blijft wetgeving en een consequente handhaving harder dan ooit nodig: om een fatsoensbodem in de markt te leggen, gebaseerd op normen en waarden die op Beursplein 5 totaal geen rol spelen, maar in de samenleving des te meer. Om ervoor te zorgen dat men zich bij het nemen van beslissingen ook afvraagt wat de gevolgen op de lange termijn zullen zijn. Een wettelijk verankerde transparantie, in de vorm van extern getoetste maatschappelijke jaarverslagen (op het gebied van milieu, sociale zaken en ‘fair trade’) kan beslist een stimulans geven aan maatschappelijk ondernemen, juist omdat externe controle eenvoudiger wordt. De SP zal er alles aan doen om ondernemers de hete adem van de maatschappelijke controle in de nek te laten voelen. Want het concept van maatschappelijk verantwoord ondernemen is als een vierkant cirkel: je kan het wel zeggen, maar niet tekenen.