De wrange vruchten van de globalisering

Paars heeft zich acht jaar lang ingezet voor de neoliberale globalisering. Ze heeft ons vele mooie verhalen over de weldadige vruchten ervan verteld. Aanvankelijk werden deze verhalen door een overgrote meerderheid van de bevolking geloofd. Het leek ook zo mooi, allemaal inwoners van een steeds welvarender ‘global village’, waar de universele rechten van de mensen zouden heersen en iedereen gelukkig kon worden, onder aansturende kracht van het hedendaagse kapitalisme. Inmiddels hebben veel mensen geproefd hoe wrang de vruchten van de globalisering feitelijk smaken.

Het neoliberalisme presenteert zichzelf graag als een belofte. De belofte dat als ontwikkelingslanden hun toch al flinterdunne sociale vangnet nog verder zouden afbreken en hun markten en kapitaalverkeer zouden liberaliseren de welvaart vanzelf zou komen. De werkelijkheid is dat de wereldwijde economische groei is afgenomen sinds het neoliberalisme begin jaren ’80 de wereld overspoelde. In de jaren ’50, ’60, en ’70 groeide de wereldeconomie gemiddelde met zo’n 4 procent per jaar. In de jaren ’80 en ’90, de hoogtijdagen van het neoliberalisme, daalde dit tot 3, respectievelijk 2 procent per jaar.

Nu weten we allemaal dat economische groei één ding is, maar als deze groei ook nog eens oneerlijk wordt verdeeld, dan schieten we er weinig mee op. Welnu, neoliberalisme heeft ons niet alleen een lagere economische groei bezorgd, maar ook een grotere ongelijkheid. Dit hebben we kunnen zien in bijna alle geïndustrialiseerde landen.

In ons land neemt de inkomensongelijkheid sinds 1983 weer toe. Volgens een onderzoek in alle landen van de EU neemt de kloof tussen de best betaalde en de slechtst betaalde werknemer nergens zo snel toe als in Nederland. Het is niet voor niets dat mijn partij de strijd heeft aangebonden tegen de groeiende tweedeling in de maatschappij. Overigens, niet alleen op het punt van inkomen en vermogen, maar ook als het gaat om toegang tot goed onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en zelfs het recht.

En dan spreek ik alleen nog over ontwikkelde landen, want helaas zijn de bevolkingen van de ontwikkelingslanden de grootse slachtoffers van het neoliberalisme. En wat wij ook vaak vergeten: daar woont het overgrote deel van de wereldbevolking. In 1965 was het gemiddelde inkomen van de landen van de G7 twintig keer zo groot als dat van de 7 armste landen, in 1995 was dit toegenomen tot 39 keer. Maar er is niet alleen sprake van relatieve verarming. In Latijns-Amerika was het gemiddeld inkomen in 1993 5 procent lager dan in 1980. In 1994 was de gemiddeld Mexicaan slechter af dan in 1980. Ook in Noord-Afrika, de Sub-Sahara en het Midden-Oosten dalen de reële inkomens. Alleen sommige Aziatische economieën is het gelukt aan te sluiten bij de inkomensgroei van het westen of de kloof zelfs te verkleinen.

Deze Aziatische Tijgers (de term begint een beetje komisch te worden) waren hét argument van instellingen als het IMF en de Wereldbank om aan te tonen dat het neoliberalisme werkt. Deze landen vormden het bewijs dat globalisering kon leiden tot convergentie van inkomens en economieën naar westers niveau. Maar veel van deze landen voerden juist een beleid dat op een aantal punten heel anders was dan de wonderrecepten van het IMF, zoals een sterke overheid en het opwerpen van importbeperkingen en kapitaalrestricties. Korea en Thailand liberaliseerden hun kapitaalrekening pas in 1995, waarmee een kiem voor de huidige crisis werd gelegd. Ondanks dat identificeerde de neoliberale ‘Washington Consensus’ zich maar al te graag met deze landen, om aan te tonen dat ‘kapitalisme werkt’. De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat neoliberalisme geen economische ‘road to prosperity’ is, maar een politieke ideologie.

Globalisering is een onderdeel van deze ideologie. Ze is deels een ideologisch luchtkasteel, deels een door politici gecreëerde realiteit. Globalisering is een mythe die door de internationale handel steeds belangrijker aan het worden is. In 1976 kwam maar 7,2 procent van de totale import van de Europese Unie uit de ontwikkelingslanden, in 1995 was dit gedaald tot 4,5 procent. De concurrentie uit de lage-lonenlanden is niet toegenomen, maar verminderd. Alleen binnen de EU groeien de onderlinge handel en investeringen. Soortgelijke ontwikkelingen vinden plaats in de VS (het gebied van NAFTA) en Japan en de ASEAN-landen. Om die reden kan beter gesproken worden van regionalisering dan van globalisering. Inmiddels is wel een realiteit dat het financiële kapitaal volledig geïnternationaliseerd is. Dat betekent uiteraard niet dat de miljarden nu de ontwikkelingslanden binnenstromen. Het overgrote deel komt nog steeds in de ontwikkelde landen terecht. Maar het betekent wel dat de onderlinge concurrentie tussen ontwikkelde landen, in Europa vooral tussen de lidstaten, is toegenomen. Het internationale ‘flitskapitaal’ in speculatieve beleggingen is explosief toegenomen. Deze markt, in feite niet meer dan een vorm van veredeld gokken, bedroeg in 1979 ‘slechts’ 75 miljard dollar per dag, maar was in 1994 al gestegen tot meer 1.200 miljard dollar per dag. Politici doen het vaak voorkomen of de internationalisering van het financiële kapitaal een logisch gevolg was van de technologische ontwikkeling van de laatste twintig jaar. Moderne communicatiemiddelen zoals e-mail en Internet zouden aan de wieg hebben gestaan van de financiële globalisering, waardoor het kapitaal in een paar milliseconden van de ene kant naar de andere kant van de aardbol flitst. Voor het speculatief kapitaal is de wereld inderdaad een global village. Maar de technologische ontwikkeling is niet de oorzaak van deze globalisering, zij heeft haar hoogstens mogelijk gemaakt. Politici zijn verantwoordelijk voor deze ontwikkeling, zij hebben sinds het einde van de jaren ’70 stelselmatig de regulering op het internationale kapitaalverkeer ontmanteld. Het is nu bijna ondenkbaar, maar de VS waren pas in 1974 het eerste land dat zijn kapitaalverkeer liberaliseerde. Nadat in Engeland Thatcher aan de macht kwam, volgde dit land in 1979. Niet lang daarna waren bijna alle andere geïndustrialiseerde landen aan de beurt. Het vrije kapitaalverkeer en het internationale spook van het flitskapitaal zijn producten van het neoliberalisme dat onze planeet sinds begin jaren ’80 teistert.

Tegelijk met de deregulering van de kapitaalmarkt is ook de internationale goederenhandel steeds verder geliberaliseerd. In 1986 begonnen ruim honderd landen op een GATT-bijeenkomst in Uruguay aan een overlegronde, die uiteindelijk moest leiden tot de definitieve oprichting van een Wereld Handelsorganisatie. Hoe verder de onderhandelingen vorderden, hoe meer ze werden gedomineerd door de rijke westerse landen. De Nederlandse regering zegt daar zelf over: ‘In het eindspel hebben vooral de EG en de VS de hoofdrol gespeeld vanwege hun economische en politieke gewicht.’ In 1994 werden de onderhandelingen in het Marokkaanse Marrakech afgerond. Gezien de overheersende neoliberale invloed in zowel Europa als de Verenigde Staten was de uitkomst van de onderhandelingen geen verrassing: bestaande handelsbelemmeringen zullen zoveel mogelijk worden geslecht en tariefmuren worden afgebroken. Het intellectueel eigendomsrecht zal met harde hand worden opgelegd. Dit is met name in het belang van rijke westerse landen die in het bezit zijn van de overgrote meerderheid van octrooien en patenten. Verder worden de mogelijkheden van nationale overheden om een eigen economisch beleid te voeren drastisch beperkt.

Het kroonjuweel voor de neoliberale globalisering had het MAI moeten worden, het multilaterale akkoord inzake investeringen Dit zou een wereldwijde regeling worden voor investeringen, of zoals Renato Ruggerio, directeur van de WTO, stelde: ‘We schrijven de grondwet voor een wereldomvattende economie.’ Over het MAI is intensief onderhandeld binnen de OESO, de club van de 29 rijkste industrielanden. En als de rijkste landen de ‘grondwet’ schrijven, belooft dat weinig goeds voor de arme en ontwikkelingslanden. Nationale belemmeringen ten aanzien van buitenlandse investeringen zouden moeten worden opgeheven. Behalve politie en leger zouden alle sectoren moeten openstaan voor buitenlandse investeringen, dus ook de collectieve sector. Landen zouden geen voorwaarden mogen stellen aan de prestaties van ondernemingen die zich daar vestigen. Evenmin zou regelgeving mogen worden ingevoerd die in strijd is met het MAI. Deze ‘grondwet’ zou een regelrechte inbreuk zijn op de soevereiniteit van de betrokken landen En maakte bescherming van de eigen economie onmogelijk. De publieke sector zou bij invoering van het MAI wederom aan autonomie inboeten, ten gunste van de markt. Gelukkig sneuvelde de MAI in het zicht van de finish, door onderlinge tegenstellingen tussen de rijke landen – én door het groeiende mondiale verzet tegen globalisering.

Na the Batlle of Seattle

Het verzet tegen de globalisering concentreert zich de laatste jaren vooral op het IMF, de Wereldbank en de WTO, organisaties die vroeger slechts bekend waren bij een handjevol bestuurders, activisten en economen. Maar sinds de ‘Battle of Seattle’, de mislukte WTO-top in december 1999, is dat danig veranderd. Vergaderingen van deze organisaties brengen nu vele tienduizenden demonstranten op de been. Hun motieven en alternatieven wisselen sterk, maar ze zijn het eens over het falen van de ‘Washington-Consensus’, de neoliberale receptuur waarvan alle drie de organisaties zich bedienen. Ze richten hun pijlen niet op de globalisering als zodanig, maar op het neoliberale karakter ervan en de wijze waarop IMF, WTO en Wereldbank hun ‘oplossingen’ opleggen aan landen en mensen.

De kritiek zwelt aan

Tienduizenden demonstranten, behorende tot progressieve partijen, vakbonden, mensenrechtenorganisaties, kerkgenootschappen, de milieubeweging en ontwikkelingsorganisaties demonstreren, sinds ‘Seattle’ overal waar de bonzen van IMF en Wereldbank (maar ook de G7 en de Euroleiders) hun tenten opslaan. De bonte coalitie van demonstranten is het eens over de ineffectiviteit van het IMF en de Wereldbank, de sociale gevolgen van de interventies, de fixatie op megaprojecten en macro-cijfers, de eenzijdige wijze waarop de recepten worden opgesteld en opgedrongen, het gebrek aan transparantie en het ondemocratische karakter van de organisaties. Het IMF-instrument van de zogenaamde Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP) richt zich met name op de volgende zaken: liberalisering van de markten, met andere woorden toegang voor producten van buiten; privatisering van overheidstaken en verlaging van de overheidsuitgaven. Deze voorwaarden maken letterlijk veel slachtoffers: in de vorm van mensen die massaal gedwongen worden te verhuizen (bijvoorbeeld in China waar 60.000 mensen moeten vertrekken naar Tibet (!) in het kader van een armoedeprogramma), maar ook de vele nieuwe armen omdat voedselprogramma’s worden stopgezet en gezondheidsvoorzieningen worden ontmanteld (in veel landen in Zuid- en Midden-Amerika, Zuidoost-Azië en Afrika is het aantal armen fors gestegen als gevolg van de implementatie van een SAP). Na de hevige kritiek van de laatste jaren worden deze programma’s tegenwoordig ‘armoedebestrijding en groeifaciliteit’ (PRGF) genoemd, maar zijn nog steeds gebaseerd op de drie bovengenoemde uitgangspunten.

Vandaag de dag zijn er meer armen op de wereld dan ooit en volgens het Human Development Report (HDR) van de UNDP is de kloof tussen arm en rijk nog nooit zo groot geweest: ‘Het inkomensverschil tussen de 20 procent rijkste en 20 procent armste mensen steeg van een factor 30 in 1960 tot een factor 74 in 1997.’ Maar de medicijnmannen van de Bretton Woods organisaties schrijven met hun PRGF’s tot op de dag van vandaag draconische bezuinigingen voor op onderwijs, gezondheidszorg, voedselsubsidies en andere zorgtaken van de overheid, dwingen privatisering en liberalisering van het handelsverkeer af en leggen een extreme nadruk op productie voor de export, zodat deviezen beschikbaar komen voor schuldaflossing. Voor een meer gelijkwaardige ontwikkeling zou juist het westen haar grenzen moeten openen en de arme landen moeten worden toegestaan hun economieën waar nodig te beschermen. Pas als een bepaald BBP per hoofd van de bevolking is bereikt zouden deze landen zich geleidelijk moeten kunnen voegen in de geliberaliseerde wereldhandel.

Een ander verwijt aan het adres van IMF en Wereldbank is hun dominante wijze van opereren. Men spreekt bij het opstellen van de programma’s slechts met de minister van Financiën en niet met maatschappelijke organisaties en men neemt kennis van de macro financieel-economische gegevens zonder zich rekenschap te geven van de situatie van de mensen, niet bij het opstellen van de programma’s, noch bij de uitvoering ervan. Het IMF betaalt én bepaalt en dwingt nationale overheden te doen wat hen wordt opgedragen. Zo werd het budget dat Brazilië uitgeeft voor handhaving van milieuwetten in het Amazonegebied onlangs gehalveerd. Om de overheidsuitgaven voor onderwijs en gezondheidszorg te verlagen werden in 75 procent van de Wereldbankprojecten in de subSahara eigen bijdragen voor scholen en ziekenhuizen geïntroduceerd. Ervaringen leren dat de gevolgen desastreus zijn: in Ghana kon 65 procent van de gezinnen op het platteland hun kinderen niet meer naar school sturen omdat ze het schoolgeld niet konden opbrengen. In Kenia en Zimbabwe leidde de introductie van een zeer bescheiden eigen bijdrage voor gezondheidszorg tot een halvering van het ziekenhuisbezoek, en in dat laatste land tot een verdubbeling van het aantal vrouwen dat tijdens een bevalling overlijdt. Ook in het toch al veel te beperkte schuldsaneringprogramma HIPC spelen dit soort schandalige eisen een belangrijke rol. Volgens het HDR was Tanzania, een van de HIPC-landen, in 1999 negen keer zoveel geld kwijt aan rente en aflossing in verband met schulden dan zij aan onderwijs kon uitgeven. De Wereldbank zelf besteedt in haar projecten ook nog altijd twee keer zoveel geld aan bijvoorbeeld de financiering van grootschalige infrastructurele projecten dan aan onderwijs.

Gelukkig groeit de kritiek en niet alleen van demonstrerende buitenstaanders. De scheurtjes in de ‘Washington Consensus’ worden breder en dieper. Het idee dat alleen vrijhandel structurele en duurzame ontwikkeling kan brengen kent steeds minder aanhangers. Henry Kissinger hekelde enkele jaren geleden al de kortzichtige aanpak van het IMF: ‘Het IMF werkt net als een dokter die maar één pilletje heeft voor iedere ziekte.’ Volgens hem leidt de politiek van het Fonds altijd tot ‘explosieve werkloosheid en groeiende malaise onder de bevolking’. In juni 2002 werd econoom en getipte Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz gedwongen de Wereldbank te verlaten vanwege gelijkluidende kritiek op de eenzijdige oplossingen van zijn broodheer: ‘Dit is geen economie, dit is ideologie.’ Volgens hem wordt ‘de staf van het IMF vooral gerekruteerd uit derderangs economiestudenten’. Ondertussen doet het IMF alsof er geen vuiltje aan de lucht is. De mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties stelde in juli van dit jaar nog in een rapport dat het IMF ‘doorgaat met de achterkamertjespolitiek en het ontkennen van verantwoordelijkheid zelfs als een crisis kan worden terug getraceerd tot beleid dat een land gedwongen werd te accepteren door de voorwaarden van het Fonds’. Met dit laatste doelt de commissie op de kwalijke rol van het IMF ten tijde van de Azië-crisis en het ontredderd achterlaten van meer dan tien miljoen werklozen. Wel organiseerde het Fonds voor zo’n 100 miljard aan leningen om de koers van de nationale munten op peil te houden. Niet voor lang, maar lang genoeg voor buitenlandse investeerders en de nationale elite om hun kapitaal voordelig om te zetten in dollars, waarna de koers alsnog onderuit ging.

Tot slot stuit het ondemocratische gehalte van het IMF en het gebrek aan transparantie op groeiend verzet. Het aantal stemmen dat een land heeft is recht evenredig met aan geld dat het meebrengt. Het principe van ‘one-man-one-vote’ is hier ingeruild voor ‘one-dollar-one-vote’. De VS hebben 15 procent van de stemmen en Europa 30 procent. De 45 deelnemende Afrikaanse landen hebben samen 4 procent van de stemmen. Omdat er van doorzichtigheid en openheid ook al geen sprake is, kan het rijke westen de wereld herscheppen naar haar gelijkenis, zonder dat duidelijk is hoe en waarom.

Ik ben van mening dat Nederland geen geld meer in deze organisaties moet steken, maar moet werken aan een alternatief. Want dat moet in een wereld die elke dag ‘kleiner’ wordt zeker komen. Alleen al om redenen van sociale tweedeling en bedreiging van het milieu is het nodig dat we wereldwijd samenwerken. Zo’n nieuwe samenwerking zou moeten worden gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

# Erkenning van de rol van de overheden. Regels zijn onontbeerlijk voor de inrichting van een samenleving die de ontwikkeling van concurrentiekracht niet als enige waarde ziet.
# Landen moeten in de gelegenheid zijn (of worden gesteld) de publieke zaak op peil te houden. Het publieke domein vormt de kern van de beschaving. Daarvoor zijn belastingopbrengsten nodig.
# Internationale hulp is en blijft nodig, maar mag geen inbreuk vormen op cultuur en historie van het land dat de hulp ontvangt. Het zelfrespect moet niet worden ondermijnt maar juist worden bevorderd.
# Samenwerking tot wederzijds voordeel moet het uitgangspunt zijn. Het westen zal moeten begrijpen dat haar voordeel vooral op het immateriële vlak ligt, in die zin dat zij in de positie is de rechtvaardigheid te bevorderen.
Monetair beleid is politiek, net als alle andere facetten van beleid. Interventies van de politiek zijn nodig. Om te beginnen moet het flitskapitaal aan banden worden gelegd. De invoering van de Tobin-tax en het instellen van een minimum verblijfstijd van kapitaal in een land vormen een eerste stap.