Grote uitverkoop

Paars deed alles in de uitverkoop: de bus, de trein, de kabel, de elektriciteits- en de gasvoorziening. ‘If it ain’t broken, don’t fix it’, zeggen ze in de VS. De paarse coalities vanaf 1994 dachten en denken daar anders over. Indachtig het neoliberale principe van ‘minder overheid, meer markt’ is men voortvarend te werk gegaan. Niet praktische, maar ideologische motieven lagen daaraan ten grondslag.

Hoewel we in ons land een schone en goedkope elektriciteitsvoorziening hadden, die bovendien een 100 procent leveringszekerheid kende, moesten we toch marktwerking introduceren in de elektriciteitsvoorziening. Ligt het niet veel meer voor de hand om zaken die behoren tot de voorzieningen voor het algemeen nut in overheidshanden te laten? De overheid is immers democratisch te controleren én heeft slechts één belang, het algemeen belang, omdat geen rekening gehouden hoeft te worden met het belang van commerciële aandeelhouders. Rijk, provincies en gemeenten denken daar echter anders over. Waar de Rijksoverheid haar gedachten vooral laat leiden door de ideologische overtuiging dat de overheid zich niet meer met deze taken moet bemoeien, zijn de provincies en gemeenten vooral gebiologeerd door de enorme bedragen die vrijkomen bij verkoop van aandelen. De stroomcrisis in Californië heeft op indringende wijze laten zien waartoe de belangen van ondernemers om op korte termijn winst te maken en hun gebrek aan belangstelling voor langetermijninvesteringen kan leiden. . Grote vraag is natuurlijk: is Californië ons voorland? Ja, zeggen veel deskundigen. Particulieren bedrijven kunnen nu eenmaal in financiële problemen komen. In Californië mag de belastingbetaler opdraaien voor de kosten om de stroomvoorziening op gang te houden. Eén van de eigenaren van de centrales was het Texaanse Reliant – dat onder andere het Utrechtse UNA opkocht – die de knop omdraaide met de mededeling: ‘Dat is vanwege onze verantwoordelijkheid die wij tegenover onze aandeelhouders hebben’.

Ook in ons eigen land neemt inmiddels het aantal stroomstoringen toe. Afnemers van Eneco, elektriciteitsdistributeur in Rotterdam en omgeving, maar ook Remu, actief in Utrecht, kunnen daarover meepraten. Omdat de efficiency maximaal moet worden, ontkomt geen bedrijf aan massaontslag. Bij Eneco vliegen er zo’n duizend mensen uit. Cap Gemini Ernst & Young stelden onlangs in een rapport dat een stroomcrisis zoals nu in Californië in ons land ‘niet ondenkbaar’ is, omdat marktwerking leidt tot een zo klein mogelijke restcapaciteit: ‘Tijdig investeren in toekomstige productiecapaciteit is dan uiterst onwaarschijnlijk en dit is ook precies waar het in Californië is misgegaan’. Commerciële productiecentrales zien weinig nut in extra stroomopwekking, omdat die niet kan concurreren met de goedkope maar vieze bruinkoolstroom en atoomstroom uit Frankrijk en Duitsland. De overheid kan de centrales niet dwingen hun capaciteit uit te breiden ‘in een geprivatiseerde wereld waar de uiteindelijke beslissingen in Dallas of Madrid genomen worden’, aldus Cap Gemini Ernst & Young.

Eén sector is tot nu toe aan de privatiseringsgolf ontsnapt: het drinkwater. In april 1998 sprak de Tweede Kamer per motie uit tégen marktwerking in de drinkwatervoorziening te zijn. Het kabinet nam dit standpunt over en schreef aan de Kamer dat ‘duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening het best gewaarborgd is indien het publieke karakter verzekerd is’. Opmerkelijk, want waarom geldt dit niet voor alle andere nutstaken? De verklaring is simpel en van politieke aard. Binnen het kabinet was minister Pronk en in de Kamer was de PvdA tegen. Minister Jorritsma liet daarop fijntjes weten dat deze uitzondering alleen gold voor déze kabinetsperiode. Toch moest deze belangrijkste pleitbezorger van het neoliberale gedachtegoed ook zélf ‘om’. Vorig jaar werd het landelijk hoogspanningsnet voor het lieve sommetje van ruim 2,5 miljard door de overheid opgekocht. Het NRC sprak van ‘een politieke bekering van Saulus’. De aankoop werd gemotiveerd door ‘een veranderd politiek klimaat’. Lid van de Europese Commissie Frits Bolkestein schreef vorig jaar over de ‘poolwind tegen de liberalisering’, die in heel Europa was opgestoken. En hij had gelijk. Maar de klimatologische veranderingen voor het neoliberalisme komen niet uit de lucht. De nadelen van de grote uitverkoop worden langzamerhand voor iedereen zichtbaar. De overtuiging groeit dat algemene nutstaken een verantwoordelijkheid van de overheid behoren te zijn.

Noordned (dochter van NS en het commerciële Arriva) nam twee jaar geleden de treindiensten in Groningen en Friesland over. Door te weinig materieel moesten vorig jaar bij Noordned in de ochtendspits veel mensen op de perrons achterblijven. Halverwege 2000 opperde Noordned dat het hoger onderwijs maar op een ander tijdstip moest beginnen. Het onderwijs ging vanzelfsprekend niet in op deze onzinnige eis, de inzet van bussen moest verlichting brengenDe provincie Groningen gaf Noordned een boete van 350.000 gulden, omdat het bedrijf de contractueel vastgelegde capaciteit van 2.840 zitplaatsen niet kon garanderen. Daarnaast kreeg het bedrijf een boete van 1000 gulden voor elke dag dat er geen eersteklas coupés beschikbaar waren. Pas sinds begin dit jaar is het capaciteitsprobleem op de noordelijke spoorlijnen opgelost. De NS, die zelf kampen met gebrek, hebben meer materieel aan dochter Noordned beschikbaar gesteld. Arriva verzorgt sinds een paar jaar ook het openbaar vervoer in de stad Groningen en in de provincies Groningen en Drenthe. Begin 2000 verschenen de eerste berichten over de slechte dienstverlening van Arriva. Zo zouden bussen uit de gewone dienstregeling worden geschrapt, zodat Arriva de bussen voor het lucratieve vervoer van TT-bezoekers kon gebruiken. Over zes jaar moet al het openbaar vervoer buiten de treinen commercieel zijn aanbesteed. In de nota ‘Visie op Verstellen’ beviel het kabinet in 1995 de verkoop aan van de gemeentelijke kabelbedrijven. Vóór de verkoop van de kabels leverde Nederland de meeste zenders tegen de laagste tarieven. Behalve het eenmalige ‘cashen’ bij de verkoop van het lokale tafelzilver heeft verkoop de gemeenten alleen maar hoofdbrekens bezorgd. UPC is het bekendste voorbeeld. In Amsterdam leidde verkoop tot een stijging van de tarieven en een daling van de service. Binnenkort gaat een groot aantal zenders achter de decoder. Staatssecretaris Van der Ploeg, verantwoordelijk voor mediazaken, geeft toe dat mensen ‘de decoder door de strot geduwd krijgen’.

Het gaat bij nutsfuncties niet alleen om de vraag of concurrentie mógelijk is. De vraag is: tegen welke prijs? Nutsfuncties zijn zulke belangrijke diensten voor een maatschappij, dat ze onder de verantwoordelijkheid van de overheid behoren te vallen. Op de lange duur leidt dat tot een kwalitatief betere én goedkopere nutsvoorziening, die bovendien voor iedereen toegankelijk is. Het momentum voor de marktfundamentalisten is aan het verlopen. De kritiek op het afstoten van overheidtaken en de uitverkoop van nutsvoorzieningen zwelt aan. De tijd voor een integraal debat over wat we zien als gemeenschapstaak en wat we met een gerust hart kunnen overlaten aan de markt, is aangebroken. Er dient een fundamentele herwaardering te komen van de plaats en de taak van de overheid.

Laten we NS weer snel van ons maken!

Begin van dit jaar kondigde minister Netelenbos aan ‘schoon schip’ te willen maken in het spoorvervoer. Daarmee lijkt een einde te zijn gekomen aan een van de grootste liberaliseringexperimenten van Paars, die de NS in de woorden van de minister ‘doodziek’ hebben gemaakt. De directie en de Raad van Commissarissen werden de laan uitgestuurd, maar wie regelmatig van het openbaar vervoer gebruik maakt, weet dat alleen een nieuwe directie niet zorgt voor punctuele treinen.

Er zijn drie structurele oorzaken voor de huidige malaise te noemen: het bezuinigen op het onderhoud van de infrastructuur, het opknippen van het bedrijf met het oog op privatisering en het uitstel van investeringen in nieuw materieel en personeel. Een gezonde NS vraagt nieuwe investeringen, een andere organisatie en meer publieke verantwoording. De eerste oorzaak van de problemen op het spoor, het bezuinigen op het onderhoud, valt onder de verantwoordelijkheid van de regering. Deze gaf voorrang aan grote projecten ten behoeve van de politiek van Nederland Distributieland: de Betuwelijn, de HSL en de extra spoorlijn onder Schiphol. De economische voordelen van deze projecten zijn veelvuldig ter discussie gesteld. De gevolgen voor het bestaande spoor zijn desastreus: volgens Beheer en Instandhouding van de NS is gebrekkig onderhoud aan spoor en bovenleidingen verantwoordelijk voor 25 procent van de vertragingen. Recent onderzoek van Twijnstra Gudde laat zien dat voor herstel 454 miljoen euro nodig is. Het opknippen van het bedrijf, de tweede oorzaak van de problemen, leidde ertoe dat verschillende bedrijfsonderdelen botsende belangen kregen. Hierop kunnen zowel regering als directie worden aangesproken. Verschillende bedrijfsonderdelen, waaronder NS Reizigers, NedTrain en NS Vastgoed, werden commerciële bedrijven in een NS Groep NV. Deze onderdelen hebben eigen en soms strijdige prioriteiten. Drie ‘taakorganisaties’ bleven voor rekening van de Rijksoverheid: NS Railinfrabeheer (rails); Railned (spoorcapaciteit) en NS Verkeersleiding (treinenloop). Door dit opknippen is de collegialiteit in het spoorvervoer goeddeels verdwenen en worden planning en overleg bemoeilijkt. Enkele malen heeft dit geleid tot langdurige chaos, zoals afgelopen jaar op koninginnedag in Amsterdam en verschillende keren bij het uitvallen van de centrale computer in Utrecht.

De derde oorzaak, het uitstel van investeringen, is grotendeels de verantwoordelijkheid van de verzelfstandigde NS zélf. Al in 1998 bleken 250 treinen meer nodig, met het oog op de verwachte groei van het aantal reizigers. Het duurde tot 2001 voordat de orders voor nieuwe treinen rond waren. Pas in 2005 zal al het nieuwe materiaal zijn geleverd. De directie rechtvaardigde het uitstel van investeringen doordat onzeker zou zijn dat NS-Reizigers de concessie voor het hoofdnet zou krijgen. Dit was echter niet relevant, omdat geen enkel ander bedrijf treinen en mensen in voorraad heeft om het vervoer in Nederland te verzorgen. Materiaal zou van de NS moeten worden overgenomen.

De huidige chaos leert dat het spoorvervoer zich nauwelijks leent voor concurrentie. Bij aanbesteding gaat het immers om de verkoop van monopolierechten. Daarom is het onlogisch de zaak uit handen te geven. Een gezond spoorvervoer vraagt om een samenhangende organisatie en investeringsstrategie. De verschillende bedrijven die nu actief zijn op het spoor moeten daarom onder verantwoordelijkheid komen van de nieuwe directie, die vervolgens op fouten kan worden aangesproken. De EU-richtlijn over scheiding van exploitatie en beheer van het spoor laat hiertoe ruimte. Eveneens moet fors geïnvesteerd worden in de bestaande infrastructuur. Hier ligt ook een verantwoordelijkheid voor de politiek: het experiment met de NS is in 1995 immers begonnen met instemming van alle paarse partijen. Van groot belang is voorts dat de controlerende bevoegdheden van het parlement in ere worden hersteld. De eenvoudigste oplossing voor een samenhangende organisatie van het spoorvervoer? De NS weer volledig in handen brengen van de overheid. Maak er weer gewoon een staatsbedrijf van!

NS leergeld voor stads- en streekvervoer

De mislukte liberalisering van de NS moet leergeld zijn voor komende aanbestedingen in het stads- en streekvervoer.

Al jaren staren overheden zich blind op het financiële rendement van het openbaar vervoer. In 1995 werden de NS om deze reden verzelfstandigd. Sinds 1999 zijn gemeenten en provincies begonnen met de aanbesteding van het stads- en streekvervoer. Eerder al werden busbedrijven in de noordelijke provincies en Zuid-Limburg verkocht. In 2001 volgde Noord-Brabant. Op deze manier hoopt men de kostendekkingsgraad te verhogen, van 36 tot 50 procent. De NS betaalden inmiddels het leergeld van deze eenzijdige fixatie. Minister Netelenbos stopte het liberaliseringexperiment met de NS en vraagt nu meer aandacht voor het publieke belang van goed openbaar vervoer. Dit moet een voorbeeld zijn voor toekomstige liberaliseringen in het stads- en streekvervoer. Het beoogde financiële voordeel moet voortkomen uit concurrentie, die zich hoofdzakelijk beperkt tot de aanbestedingen. De winnaar is veelal het bedrijf dat de minste overheidssteun nodig heeft. Bij verkoop is de overnameprijs meestal doorslaggevend. Toch kwamen verzelfstandigde en geprivatiseerde vervoerders de afgelopen jaren onder vuur te liggen. De dienstverlening is globaal genomen niet verbeterd: op enkele goedlopende trajecten werd de frequentie opgevoerd, maar in de vele minder rendabele lijnen werd fors geknipt. Met de introductie van taxi-achtig vervoer werd ook bezuinigd op de arbeidskosten, door inschaling van chauffeurs in goedkopere CAO’s. Ook werd meer gewerkt met gebroken diensten voor het rijdend personeel, wat leidde tot een hogere werkdruk en meer ziekteverzuim. Veel chauffeurs klagen over het gebrek aan rust, wat slecht is voor de veiligheid. Hetzelfde geldt voor bezuinigingen op het onderhoud. Chauffeurs van Arriva in Groningen dreigden begin dit jaar zelfs met een staking, uit onvrede met defecte bussen.

Eenzijdige fixatie op financieel rendement gaat ook ten koste van de nutsfunctie van het openbaar vervoer. Mensen hebben steeds meer behoefte aan mobiliteit, door de groeiende afstand tussen wonen, werken, winkelen, recreatie en voorzieningen (zoals gemeentehuizen, scholen, ziekenhuizen etc). Ook wonen kennissen, vrienden en familie steeds verder van elkaar. De groeiende afstand tussen het persoonlijke en maatschappelijke leven kan maar gedeeltelijk worden opgevangen door meer vervoer per auto, zo tonen de verstopte wegen. De aanleg van meer wegen en parkeerplaatsen gaat ten koste van het grondgebruik voor natuur en recreatie. Ook vanuit milieuoogpunt is een ongebreidelde groei van het autovervoer onwenselijk. Voor veel jongeren, ouderen en gehandicapten is de auto geen alternatief.

Bovendien betekent liberalisering niet dat overheden geen bemoeienis meer hebben met het openbaar vervoer. Ook na de liberalisering blijven zij politiek verantwoordelijk voor problemen met infrastructuur, materieel en personeel. Overheden raken steeds vaker met bedrijven verwikkeld in een strijd of geïnvesteerd moet worden in commercieel interessante, of juist in publiek wenselijke lijnen. Uitstel van investeringen wordt versterkt door de duur van de concessies, die korter is dan de levensduur van de vervoersmiddelen. Bedrijven geven vaak ook prioriteit aan het winnen van nieuwe concessies, om hun marktaandeel te vergroten. Als vervoerders bezuinigen op financieel onrendabele lijnen zijn de kosten voor lokale overheden, die verantwoordelijk zijn voor alternatief vervoer. Of voor de reizigers, die duur en inefficiënt vervoer krijgen. Overheden hebben tevens een controleprobleem. Voor de duur van de concessie kan een bonus-malus-systeem worden gehanteerd, maar het bewijs van slecht beleid blijkt lastig. Informatie is voortaan commercieel gevoelig en kan met een beroep op het ‘bedrijfsgeheim’ worden achtergehouden. Overheden blijven ook zelf in gebreke bij het onderhoud aan de infrastructuur en zijn daardoor medeverantwoordelijk voor tegenvallende resultaten. Boetes voor bedrijven leiden slechts tot een verdere daling van de dienstverlening.

Veel overheden hebben zich bij verzelfstandiging en privatisering blindgestaard op het financiële rendement. Vaak werd het vervoer gegund aan veelbiedende internationale vervoersconcerns: het Britse Arriva is actief in de noordelijke provincies en Zuid-Limburg; het Frans-Britse Vivendi-Connex in Noord-Brabant en Maastricht. Deze concerns slaagden erin gunstige voorwaarden te bedingen in onderhandelingen, over de voorwaarden van de concessie en de controle daarop. Politiek bleven maar weinig mogelijkheden over voor het ‘borgen’ van publieke belangen. Het voorbeeld van de NS leert dat overheden meer rekening moeten houden met het publieke rendement van het openbaar vervoer. Dit speelde eerder wel een rol in de gemeenten Den Haag en Dordrecht, die bij hun keuze voor HTM meer rekening hielden met de voorwaarden voor reizigers en personeel. Laten we daaruit leren en afzien van voorgenomen nieuwe liberaliseringen bij het GVB in Amsterdam en de RET in Rotterdam.

De teloorgang van de publieke telecom

De overheid begon in 1994-1995 met de privatisering van de toenmalige PTT. Het aandeel KPN werd destijds door de overheid aangeprezen als even solide als het oerdegelijke aandeel PTT. Het leverde de overheid bijna 13 miljard gulden op en de hoop van het eerste paarse kabinet op een heus ‘volkskapitalisme’. Eind vorig jaar deed de overheid niet mee aan een nieuwe aandelenuitgifte van KPN, waardoor het overheidsaandeel verwaterde van 45 tot 35 procent. Dit belang was begin 2000 nog ruim 60 miljard waard, maar door de enorme koersdaling is daar nog maar één tiende van over. Bij de privatisering moest de vaste telefoonmarkt worden opengesteld voor concurrenten. KPN mocht het vaste telefoonnetwerk wel in bezit hebben, maar moest concurrenten tegen een vergoeding toelaten op het vaste net. Ondanks dat is de vaste telefoonmarkt nog altijd een bijna-monopolie van KPN. Rond 90 procent van de markt is zeven jaar later nog altijd in handen van het oude nutsbedrijf. Op de in de jaren negentig snel groeiende mobiele telefoniemarkt ontstonden maar liefst vijf verschillende netwerken en kwam een redelijke mate van concurrentie tot stand, hoewel ook op het mobiele net KPN met een marktaandeel van 44 procent dominant werd.

Eind jaren negentig groeide de twijfel of het wel zo verstandig was bij privatiseringen zelfs de infrastructuur te verkopen. Bezit van de infrastructuur leidt bijna altijd tot een monopolie en het geven van een wettelijk recht op toegang voor concurrenten voorkomt lang niet altijd frustratie. Zo klagen concurrenten van KPN bijvoorbeeld dat storingen op het vaste net bijna altijd hen treffen, waardoor klanten teruggaan naar KPN. Het gevaar bestaat ook dat een armlastige KPN hogere prijzen zal vragen en gaat snoeien in het onderhoud van het vaste net.

Ervaringen met privatisering van energienetwerken (zoals de genoemde energiecrisis in Californië) leidden ertoe dat de minister van Economische Zaken het landelijke hoogspanningsnet TenneT voor 2,5 miljard terugkocht van de vroegere SEP. De stroomkabels in de grond dreigden wel in particuliere handen te vallen. Door een politiek compromis werd uiteindelijk voor een ingewikkelde constructie gekozen, waarbij het juridisch eigendom van de stroomkabels in de grond in overheidshanden blijft, maar het economische eigendom niet. De belangrijkste reden om het lokale elektriciteitsnet in overheidshanden te houden was dat men vreesde voor misbruik van de netwerken.

Dit is ook mogelijk met het telefoonnetwerk. Met het terugkopen van het vaste telefoonnetwerk slaat de overheid twee vliegen in één klap. KPN krijgt genoeg geld om als levensvatbaar bedrijf verder te gaan en de overheid krijgt de mogelijkheid om eerlijke concurrentie tot stand te brengen op de vaste telefoonmarkt. Er is nog een belangrijk voordeel. Mocht KPN ooit overgenomen worden door een buitenlandse concurrent, dan is het een prettig idee dat het vaste telefoonnetwerk in veilige handen blijft. Buitenlandse monopolies zijn in de regel minder gevoelig voor de druk van de publieke opinie, waardoor zij eerder zullen kiezen voor prijsverhogingen en minder onderhoud. Een monopolie is vervelend, maar een monopolie in buitenlandse handen is een ramp. De waarde van het vaste telefoonnet wordt geschat op zo’n 10 à 20 miljard gulden. Hier staan echter toekomstige inkomsten tegenover, omdat de overheid een vergoeding vraagt aan KPN en de andere gebruikers van het net. Daardoor zal deze investering zichzelf terugverdienen. KPN blijft in deze situatie een levensvatbaar bedrijf met fors minder schulden. De overheid kan op deze wijze de publieke belangen werkelijk veiligstellen.

De slag om het ziekenhuis

De uitverkoop van sociale voorzieningen gaat gepaard met een geweldige aandrang om alles groter te maken. Dankzij paars hebben we megascholen, gigantsche regionale opliedingcentra – én vooral ook steeds grotere ziekenhuizen. Gevolg: voor veel mensen is het ziekenhuis dichtbij huis aan het verdwijnen. In een groeiend aantal plaatsen in Nederland dreigen kleinere ziekenhuizen te verdwijnen, of te worden omgebouwd tot een polikliniek met dagbehandeling. Tot de ontmanteling van kleinere ziekenhuizen wordt meestal besloten door de directies en raden van bestuur, zonder de betrokkenen huisartsen patiënten en personeel naar hun mening te vragen. Waar dit wel het geval is wordt veelal niet naar hen geluisterd. Er is dan ook terecht protest tegen deze ondemocratische en ongewenste beslissingen. Actiegroepen voor het behoud van ziekenhuizen hebben inmiddels hun krachten gebundeld en zetten de politiek onder grote druk.

De overheid heeft haar greep op de zorg verloren. Door een rampzalig beleid van schaalvergroting, zorgverschraling en bezuinigingen is de afgelopen dcennia het ene na het andere kleine ziekenhuis verdwenen. Ook verwaarloost de overheid haar taak als vertegenwoordiger van de samenleving. Dat leidt ertoe dat een kartel van ziekenhuisdirecties, Raden van Bestuur, medische staven en zorgverzekeraars op welhaast autonome wijze haar gang kan gaan. Daarbij staat niet het maatschappelijk belang voorop maar de financiële motieven en het eigenbelang. De argumenten waarom kleinere ziekenhuizen geen toekomst meer zouden hebben, bijvoorbeeld doordat een beddenoverschot zou bestaan, zijn oneigenlijk. Bedden staan leeg door te weinig personeel en niet door te weinig patiënten! Die staan namelijk op de wachtlijst. Zeker als in de toekomst de vraag naar zorg nog verder stijgt zijn deze ziekenhuizen hard nodig. Dat er nu bedden leeg staan is geen reden om ze te ‘sluiten’. Wat er moet gebeuren is geld en personeel vrijmaken om deze bedden optimaal te bezetten. Echt investeren in personeel, bijvoorbeeld door fikse verhoging van de salarissen van verpleegkundigen, is een stuk verstandiger dan nu bedden afstoten. Fusies en schaalvergroting kunnen het personeelstekort overigens nog vergroten, als nog meer mensen de zorg verlaten. Veel zorgverleners kiezen namelijk bewust voor een kleiner ziekenhuis in de omgeving. Een ander argument voor schaalvergroting, efficiëntie, wordt in het onderzoek ‘Van bed tot budget’ van het Sociaal Cultureel Planbureau onderuit gehaald. Het CPB concludeert dat kleinere ziekenhuizen juist doelmatiger werken dan grotere. Door korte lijnen, minder bureaucratie en beter contact met huisartsen wordt vaak beter gewerkt. En het argument dat in kleinere ziekenhuizen onvoldoende kwaliteit van zorg geboden zou kunnen worden is eveneens flauwekul. Zorgverleners in kleinere ziekenhuizen dan hun werk natuurlijk niet slechter! Nog sterker: kwaliteit van zorg is juist een argument om kleinere ziekenhuizen open te houden. Ze leveren zorg op een menselijke maat. Huisartsen en patiënten zitten niet te wachten op schaalvergroting. Zij hechten aan ‘hun’ goed bereikbare ziekenhuis – mits het een volwaardig ziekenhuis is. Het ombouwen van een ziekenhuis tot een polikliniek met dagbehandeling is daarom geen optie. Huisartsen sturen patiënten niet door naar een plek waarvan ze niet weten of de nodige zorg geboden kan worden of waar mensen bij complicaties naar een andere plek doorverwezen moeten worden.

Laten we hopen dat de grote maatschappelijke weerstand ertoe leidt dat de politiek zichzelf bevrijdt uit deze spagaat en de minister dwingt tot ingrijpen in plaats van terugtreden!

De uitverkoop van de energiebedrijven

De uitverkoop van de gemeentelijke, regionale en provinciale energiebedrijven en de liberalisering van de energiemarkt brengt de kleinverbruikers niet de beloofde lagere prijzen en betere service. Concurrentie lijkt zich te beperken tot de grootverbruikers. Sinds 1998 kunnen grootverbruikers vrij hun leverancier kiezen. Vanaf 2002 geldt hetzelfde voor middelgrote afnemers; vanaf 2004 voor kleingebruikers. De vrije energiemarkt belooft lagere prijzen en betere service. Door gebrek aan concurrentie buiten de sportvelden dreigt deze belofte voor met name de huishoudens en het midden- en kleinbedrijf een illusie te worden.

Vooruitlopend op de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt heeft een proces van schaalvergroting plaatsgevonden: sinds 1998 beheersen de distributiebedrijven Essent, Nuon, Eneco en Remu de markt. Na een fusiegolf bleven ook vier grote producenten over (EPZ en de buitenlandse bedrijven E.ON, Reliant en Electrabel). Door verdere schaalvergroting wordt de Europese energiemarkt verdeeld tussen een klein aantal conglomeraten, die actief zijn in zowel productie als distributie. Een recent voorbeeld hiervan is de overname door Electrabel van Spark Energy.

Verdere schaalvergroting betekent weinig goeds voor de kleingebruikers. Dat beloven huidige ontwikkelingen in de elektriciteitsmarkt, die nu nog slechts vrij is voor grootverbruikers. Liberalisering van de stroom leidt bijvoorbeeld tot grote prijsschommelingen. Producenten houden de capaciteit bij voorkeur laag. Nuon-directeur R. Langenkamp klaagde op vorig jaar dat zij om deze reden capaciteit ‘in de mottenballen’ zetten. Manipulaties met de capaciteit waren vorig jaar een belangrijke reden voor de stroomtekorten in Californië.

In Nederland waren vorig jaar al driemaal enorme prijsschommelingen te zien op de onbalansmarkt en op de APX stroombeurs, die te maken hadden met de uitval van capaciteit. Op 23 mei 2001 viel door weersomstandigheden de Eemscentrale uit en door storingen een deel van de capaciteit in Gelderland. Dit leidde tot een prijssprong van 30 naar bijna 500 euro per Mw. Nog groter was de sprong op 4 en op 6 juli, met pieken vanwege de zomerhitte tot 1.500 euro. De rekening was in mei vooral voor Nuon en in juli voor het Schiedamse bedrijf ONS, bedrijven die van groot belang zijn voor de retail.

Op het eerste gezicht lijkt de concurrentie zijn werk te doen en het aanbod te vergroten. Nuon besloot samen met gasproducent Shell een nieuwe centrale bouwen. Ook door opvoering van de importcapaciteit (van 25 naar meer dan 50 procent) zou de dreiging van een capaciteitstekort in Nederland kunnen worden bedongen. Maar stroom kan dan ook gemakkelijker worden geëxporteerd. Op de Europese elektriciteitsmarkt kunnen grote producenten met capaciteit gaan schuiven, waarbij de best betalende afnemers voorrang krijgen. Dit lijkt ook de achtergrond te zijn van recente tekorten in België en Nederland, door reducties in de export van stroom in Frankrijk. Dit zagen we ook in de VS. In buurstaten ontstonden tekorten toen stroom tegen een hogere prijs in Californië kon worden afgezet.

Goedkoop kan op termijn wel eens duurkoop blijken. Energiebedrijven maken extra kosten. Ze besteden meer aan marketing en organisatie, om klanten vast te houden. Bedrijven hebben ook meer kapitaalkosten. De vrije markt leidt bovendien tot grotere risico’s in de bedrijfsvoering en daarmee tot minder langetermijninvesteringen, in bijvoorbeeld milieuvriendelijke productie en in onderhoud. Het MKB signaleerde begin vorig jaar al dat er vaker storingen in de levering optreden dan vroeger. Ondernemers klaagden om deze reden distributiebedrijf Essent aan.

Het is de vraag of de grootverbruikers er als groep sinds 1999 op vooruit zijn gegaan. Volgens de vereniging van grootverbruikers VEMW stegen de prijzen in 2000 met 10 procent. De vrijmaking van de markt voor middelgrote verbruikers per januari 2002 maakte een valse start, doordat veel extra kosten moesten worden gemaakt. Gelijke concurrentie voor kleinverbruikers is in 2003 of 2004 evenmin te verwachten. Zij zullen weinig gebruik maken van de mogelijkheid om van leverancier te veranderen, hét beloofde voordeel van de vrije energiemarkt. Ervaringen in Duitsland en Groot-Brittannië tonen dat kleingebruikers terugschrikken voor de extra kosten en het vele papierwerk. Te verwachten is dat de distributiebedrijven een groter deel van hun kosten zullen doorberekenen aan de kleinere marktpartijen op de retailmarkt. Toezichthouder DTe laat dit toe. De tarieven voor service en onderhoud gaan al omhoog en ook hierop is geen toezicht. Bij verdere liberalisering van de energiemarkt worden vooral het midden- en kleinbedrijf en de huishoudens de verliezers van een ongelijke concurrentie.