Paarse tweedeling 2: de kinderen van de rekening

Paars pocht op de welvaart die het bracht. Maar de werkelijkheid is natuurlijk dat vooral de economische wind in de rug daarvoor zorgde. Paars zou er beter aan doen verantwoording af te leggen waarom ze er niet in slaagde in de periode dat we rijker waren dan ooit de welvaart beter te verdelen en de sociale tweedeling te verminderen. Vooral de gevolgen van dat falen voor veel kinderen moeten paars bij het opmaken van de rekening zwaar worden aangerekend!

Met veel kinderen gaat het gelukkig goed. Ze leven in een redelijk stabiele omgeving, hebben materieel niets te klagen, en maken zich over de toekomst niet al te veel zorgen. Toch is er ook een grote groep kinderen, ongeveer een vijfde deel, met wie het níet goed gaat. Ze hebben met zulke ernstige problemen te kampen, dat er geen sprake meer is van gelijke kansen op een voorspoedige toekomst. Uit onderzoek dat het NIPO voor de SP enkele jaren geleden verrichtte bleek dat bijna 76 procent van de volwassenen (en jongeren zelf) verwacht dat voor de kansen van kinderen en jongeren het inkomen van de ouders belangrijker wordt. De sociaal-economische positie van ouders is voor een groot deel bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van hun kinderen. Ernstige problemen komen over het algemeen meer voor bij jongeren uit lagere sociale klassen. Uit verschillende studies blijkt dat armoede van generatie op generatie wordt doorgegeven. De afgelopen decennia is de inkomensongelijkheid weer toegenomen. 88 procent van de ondervraagden verwacht dat kinderen in de komende 10 jaar meer problemen zullen krijgen met geweld, agressie en criminaliteit. Slechts 1 procent denkt dat de problemen op deze terreinen voor hen níet zullen toenemen.

Het leven is er inderdaad niet veiliger op geworden, zeker niet voor kinderen. Het geweld nam buitenshuis, maar ook binnenshuis toe. Het aantal meldingen van kindermishandeling steeg in de jaren ’90 bijvoorbeeld met 80 procent. Daar komt nog bij dat helaas lang niet alle kindermishandeling ook geméld wordt. Nederland heeft, net als 150 andere landen, het Verdrag inzake de Rechten van het Kind ondertekend. In 1999 bestond dit Verdrag 10 jaar en diverse deskundigen maakten van de gelegenheid gebruik de alarmbel te luiden over hoe het met de naleving van dit Verdrag staat. Een van de punten waarop Nederland slecht scoort is juist het onderwerp kindermishandeling. De hulpverlening is verbrokkeld en kinderen komen nogal eens tussen wal en schip terecht, niet in de laatste plaats omdat bij veel jeugdzorginstellingen en hulpverleningsinstanties sprake is van wachtlijsten.

Ook buitenshuis is de situatie er niet veiliger op geworden. Jeugdcriminaliteit staat hoog op de politieke agenda. Het is een onderwerp dat politiek en maatschappelijk breed wordt bediscussieerd, maar dit gebeurt voornamelijk naar aanleiding van incidenten. Van een integrale visie op de verbetering van de situatie van de jongeren met wie het niet goed gaat en die veel overlast veroorzaken resp. ondervinden, is geen sprake. De essentie van het jeugdstrafrecht, met zijn nadruk op opvoeding en behandeling, is onder druk komen te staan, doordat de laatste jaren sprake is van zwaarder straffen en een gebrekkige reclassering. Een ander punt waarop Nederland slecht scoort als het gaat om naleving van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, heeft betrekking op het onderwijs. Volgens 73 procent van de ondervraagden zijn grotere problemen voor jongeren in het onderwijs te verwachten. Ook hier staat de toenemende tweedeling gelijke kansen voor kinderen in de weg. Het is een feit dat kinderen op zwarte scholen minder presteren dan kinderen op witte, maar we doen er niets aan, om het ontstaan van deze scholen te voorkomen.

We zijn de afgelopen 10, 15 jaar rijker geworden, maar ook armer. De materiële welvaart nam toe, maar tegelijkertijd werden de inkomensverschillen groter. De verstikkende deken van de ‘welzijnsstaat’ uit de jaren ’70 verdween, maar aan het denken over solidariteit en gelijkwaardigheid werd geen nieuwe invulling gegeven. Het ‘Ik-tijdperk’ brak aan. De enorme populariteit van de individualistische levenshouding bevorderde een algemeen gevoel van afkeer van normen en waarden. Mede als gevolg dáárvan vond een versplintering en een verharding van de samenleving plaats. Het (neo)liberale denken vierde triomfen en dat betekende dat het recht van de sterkste gold, er in toenemende mate marktgericht werd gedacht, en de 24uurs-economie volop moest draaien. In deze verhardende wereld werd de jeugd de kind van de rekening.

Ik vind dat het welzijn en de rechten van kinderen veel meer dan nu voorop moeten staan bij het formuleren van plannen voor de toekomst. Het is tijd voor een integraal ‘Plan van de Jeugd’. Dat plan moet zorgen voorpermanente waakzaamheid voor de belangen van kinderen en komen met concrete voorstellen om hun situatie te verbeteren. Om de toekomst van de jeugd hoog op de politieke agenda te krijgen – en te houden – moet er een minister of staatssecretaris voor de Jeugd komen. Een algemeen offensief tegen armoede is nodig om te voorkomen dat kinderen al bij voorbaat een slechte start krijgen. Er zou extra geïnvesteerd moeten worden in de zorg en opvoeding van kinderen, bijvoorbeeld door het opzetten van laagdrempelige bureaus in wijken en dorpen waar ouders terecht kunnen met vragen over opvoeding en voor ondersteuning. De kinderbijslag moet inkomensafhankelijk worden, zodat de steun dáár terechtkomt waar ze ook het meest nodig is. Tweedeling in het onderwijs moet met kracht worden bestreden. Als we daar echt op inzetten, kunnen we de positie van kinderen, en dan vooral die kinderen die dat het hardst nodig hebben, daadwerkelijk verbeteren en daarmee bereiken dat Nederlanders over 10, 20 jaar zeggen: hier is echt alles kits met alle kids!