Paarse tweedeling 3: het grote graaien

Onder paars is het aantal miljonairs tot recordhoogte gestegen. Zelfs de invoering van de euro doet daar niet aan af. Ondertussen zitten een miljoen huishoudens op of onder de armoedegrens. Paars is geen remedie voor tweedeling gebleken, maar een veroorzaker daarvan. En dat terwijl pal voor de Kamerverkiezingen van 1998 minister-president Kok zó resoluut was in zijn veroordeling van de salarisstijgingen aan de top: ‘De overheid heeft de taak hier normstellend op te treden. Als wij spreken over normen en waarden in de samenleving, moeten wij ook normatief optreden tegenover mensen aan de top die zich onevenwichtig verrijken en buiten proporties zelf voordelen binnenhalen van wat rechtvaardiger naar anderen toe zou kunnen gaan.’ De boosheid die de anders zo terughoudend Kok tot zijn uitbarsting bracht, was gebaseerd op het feit dat in 1997 de topmanagers zichzelf met 4 procent loonstijging bijna twee keer zoveel hadden toebedeeld als de gemiddelde CAO-stijging. Maar 4 procent, denkt u. Inderdaad, maar 4 procent, daar lacht de gemiddelde topmanager inmiddels om. Paars bood de grootverdieners structureel de mogelijk tot het Grote Graaien.

In 1998 stegen, ondanks Kok’s belofte, de salarissen aan de top met bijna 8 procent, terwijl de gemiddelde werknemer er 3 procent bij kreeg. In 1999 brak het feest aan de top pas echt los: bijna 13 procent aan loonsverhoging voor de top, terwijl de gemiddelde CAO-lonen slechts met 2,6 procent stegen. Wie had gedacht dat het niet gekker kon zat er naast. In 2000 kreeg de top van 25 AEX bedrijven er gemiddeld 14 procent bij. Philips en Unilever zetten de toon met loonsverhogingen van 13,8 en 20 procent. Deze percentages zijn nog exclusief opties. En ook op dat vlak ging de zelfverrijking door. Bijvoorbeeld bij Unilever: het totaal aan te verzilveren opties van de raad van bestuur van Unilever steeg van 2,6 miljoen in 1999 tot 4,6 miljoen in 2000: 70 procent extra. De gemiddelde CAO-loonstijging lag in 2000 op 3,3 procent. Toch is het niet zo dat de overheid de afgelopen jaren helemaal niets is gedaan tegen wat minister-president Kok ‘de exhibitionistische zelfverrijking van de top’ noemde. De belastingheffing op opties was erg mager en is enigszins verzwaard. Het kabinet bereidt (eindelijk) een wet voor die bedrijven verplicht openheid van zaken te geven over de ‘normale’ beloning van de top. Maar aan de andere kant heeft het kabinet de verrijking verder bevorderd door het toptarief van de inkomstenbelasting te verlagen van 60 naar 52 procent.

Het is zo klaar als een klontje dat de wettelijke maatregelen niet hebben gewerkt. Dat kon ook niet worden verwacht, omdat in de VS en het Verenigd Koninkrijk al langer vergelijkbare wetgeving bestaat. Daar wordt eerder meer dan minder ‘gecasht’ door de top. Het is cynisch dat het zover is gekomen dat nota bene de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) een brandbrief schrijft aan Wim Kok om wettelijke maatregelen te nemen tegen ‘exhibitionistische zelfverrijking’. Zij constateert daarin dat de ‘problematiek aanmerkelijk is toegenomen’ en zelfregulering inmiddels een ‘gepasseerd station’ is. De VEB pleit voor wettelijke maatregelen tegen het ‘misbruik van optieregelingen’. Het FNV was op 1 mei de eerste die met een concreet voorstel kwam: een kleptocratentax van 100 procent moest alle inkomsten boven de 3 miljoen per jaar afromen. De reacties varieerden van ‘een maatregel die niet werkt’ (NRC Handelsblad), ‘Spielerei’ (Trouw), tot ‘een losse flodder die hoort bij de vakbondstraditie van 1 mei’ (VNO-NCW). Ik zou willen zeggen: het voorstel van De Waal is onder andere daarom niet serieus te nemen omdat de grens van 3 miljoen zo hoog is dat slechts een paar mensen voor dat 100 procent-tarief in aanmerking komen. Maar dat neemt niet weg dat De Waal wél als eerste met een concreet voorstel kwam. Terwijl Kok in vier jaar tijd, ondanks zijn beloftes, niet meer heeft gedaan dan pappen en nathouden. Sinds 1997 heb ik Kok talloze malen bevraagd over het grote graaien van de top. Elke keer kreeg ik bijna dezelfde wollige antwoorden, met als meest heldere zinnen: ‘Het kabinet is van oordeel dat in zijn algemeenheid met het oog op behoud van evenwichtige sociaal-economische verhoudingen ook bij bijzonder beloningen proportionaliteit en terughoudendheid geboden is. Bij de beoordeling van en de toekeninning van opties aan bestuurders moet tegelijkertijd rekening worden gehouden met de internationale context waarin (een deel van) het bedrijfsleven opereert en de daarmee samenhangende arbeidsmobiliteit van bestuurders.’ Als je dit hoort rijst al snel de vraag: kunnen ze niet of willen ze niet?

Volgens adviesbureau Hay Management Consultants is van een braindrain van Nederlandse topmanagers niks te merken. Het aantal Nederlandse bestuurders dat naar het buitenland vertrok was de afgelopen jaren op de vingers van een hand te tellen. Dus óf ze zijn niet goed genoeg voor het buitenland, óf ze verdienen in ons land genoeg. Topmanagers zijn misschien ook net mensen: ze laten niet graag huis en haard achter voor wat extra salaris. Geen reden dus om door te gaan met de dollemansrit van salarisstijgingen aan de top. Ik geloof er sowieso weinig van dat een man als Boonstra zo waardevol was voor de samenleving dat hij ieder jaar 10 miljoen aan opties moest krijgen.

Waarom kiezen we er niet voor een extra schijf in te voeren in de inkomstenbelasting? Vóór het plan Oort (1990) hadden we in ons land een toptarief van 72 procent. Sindsdien is het tarief van de hoogste schijf steeds verder verlaagd tot nu 52 procent. Een nieuw ‘zinloze-rijkdom-tarief’ van 72 procent zou bijvoorbeeld kunnen ingaan bij een belastbaar inkomen van meer dan een kwart miljoen gulden. De half-procent best verdienenden in ons land zou voor dit belastingtarief in aanmerking komen.

Waarom brengen we niet ook de salarissen van de top onder in de CAO? Nog beter dan fiscale maatregelen zijn natuurlijk afspraken tussen werkgevers en werknemers, waarbij gesteld wordt dat hoog en laag hetzelfde percentage loonstijging krijgen. Objectief resultaat van zo’n afspraak zal zijn dat de lonen op de werkvloer extra omhoog gaan en de loonstijging aan de top fors zal verminderen. Vakbonden en werkgevers spraken in 1999 in het Akkoord van Garderen af dat een ‘verantwoorde loonontwikkeling’ zou moeten gelden voor ‘allen in de onderneming’. Het begin is er dus al, nu nog de harde, concrete afspraken. Deze maand pleitte zowel de president van De Nederlandsche Bank als de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor loonmatiging op de werkvloer. Ik vind dat als de werkgevers niet willen meewerken aan effectieve maatregelen tegen de zakkenvullerij aan de top de overheid met een ‘speciale’ loonmaatregel moet komen voor deze ‘speciale’ mensen. Alleen zó kan een einde komen aan de nu heersende hypocrisie, waarbij zij die een loonstijging verdienen ‘m niet krijgen, en zij die aan de top zitten – ongeacht hun prestaties – altijd verzekerd zijn van een miljoenensalaris en een meer dan drievoudige jaarlijkse verhoging dan iemand op de werkvloer.