Van oorlog en vrede: brief aan Erasmus

Onder paars trokken we enkele malen ten oorlog. Als je het opschrijft, lijkt het onmogelijk. Oorlogen, daar deden wij toch niet aan mee? Helaas: ook wij bombardeerden mee in voormalig Joegoslavië, ook wij trokken ten oorlog tegen Afghanisaten. En ook wij moeten erop rekenen binnenkort weer in een nieuwe oorlog tegen een nieuwe vijand betrokken te raken. Hoe leg je zoiets uit aan je kinderen? Of aan je voorvaders? Bij de presentatie van het boek ‘Erasmus. Een portret in brieven’, op zaterdag 27 oktober 2001 in De Unie in Rotterdam, mocht ik een poging doen om de grote Rotterdammer bij te praten. Het is niet eenvoudig om een zo warm pleitbezorger van een beschaafde samenleving te vertellen dat het in het derde millennium heel anders loopt dan hij gehoopt en ook wij gedacht hadden.

‘Waarde Erasmus, met een vertraging van vijf eeuwen reageer ik nu op je brief van 1 december 1523. Zeeën van tijd zijn sindsdien verstreken, maar de actualiteit van je boodschap hebben ze niet weggespoeld. De kern ervan, goede vriend, lijkt mij je raad aan de allerchristelijkste majesteit van Frankrijk, Frans I, om in zaken van oorlog en vrede toch vooral de laatste een kans te geven. En dat midden in een bittere strijd tussen Frans en zijn tegenstander Karel V, die zich verbonden heeft met Hendrik VIII van Engeland en paus Leo X. ‘Toch zou ik vurig wensen,’ schrijf je, ‘dat alle christenvorsten eens objectief zouden afwegen welke ongelooflijke winst men maakt wanneer men een onrechtvaardige vrede verwelkomt eerder dan dat men een gerechtvaardigde oorlog blijft voeren’ (…) ‘Van al het kwaad dat een mensenleven kan teisteren, is er geen crimineler, geen funester dan oorlog, die een nog verschrikkelijker en verderfelijker aanslag op de zedelijke normen pleegt dan op bezit en op lijf en leden.’

Helaas moet ik je berichten dat de machthebbers in vijf eeuwen bitter weinig hebben bijgeleerd. Nog steeds verkwanselen ze de christelijke en humanistische beschaving om door een gewonnen oorlog het recht aan hun kant te krijgen. Nog steeds wordt gepraktiseerd dat, zoals je schrijft, ‘de verliezen te verwaarlozen zijn wanneer kleine, eenvoudige mensen worden beroofd, geteisterd, weggejaagd, verbrand, overvallen, vermoord…’, al zal geen staatsman zoiets nu nog hardop toegeven. Wij hebben daarvoor een term bedacht, die het leed van kleine mensen eenvoudig ontkent, namelijk ‘bijkomende’ schade, ‘bijkomstig’ zelfs, omdat het als onbedoeld neveneffect wordt gezien van het grote doel: de vernietiging van de duivelse tegenstander.

Ik heb het nu, goede Erasmus, over een oorlog in het jaar 2001 in een ver, onherbergzaam en arm land dat wij Afghanistan noemen. In jouw tijd was dat het grensgebied van het onmetelijke Indië, dat zich vanaf het Perzische rijk uitstrekte tot de boorden van de Stille Oceaan, zoals Magalhães hem doopte. Het was deze Magalhães die, zoals je weet, bewees dat het onbekende land, zo’n 30 jaar voor de datering van je brief ontdekt, niet Indië was, maar een Nieuwe Wereld. Dat was in 1522, een jaar voor je brief aan Frans, het nieuws zal je ongetwijfeld ter ore zijn gekomen. In jouw tijd werd deze Wereld onderworpen door de Spanjaarden en de Portugezen, maar later, moet je weten, werd het noordelijk deel ervan gekoloniseerd door Noord-Europeanen, vooral Angelsaksen. Daar ontwikkelde zich in de eeuwen die daarop volgden het machtigste land ter wereld: de Verenigde Staten. Die zijn nu in oorlog met het nietige en arme Afghanistan.

Over de wijze van oorlogvoeren in de 21e eeuw doe ik er het zwijgen toe. Want, hoe soepel jouw geest ook omging met de meest vergaande gedachten, het zou je toch duizelen als ik uitweidde over straaljagers, grondradar, vliegdekschepen, clusterbommen en laserwapens. Beschouw ze als verderfelijker dan buskruit en kanonnen. Geloof me: de mens heeft zichzelf overtroffen in uitvindingen en ontdekkingen, maar meer nog in beestachtigheid. Jij, humanist, zou diep geschokt zijn. Maar over de rechtvaardiging van deze oorlog kunnen wij onbekommerd spreken. Dat machtige land, de Verenigde Staten van Amerika, is aangevallen door een, laten we zeggen, boevenbende die zich schuilhoudt in Afghanistan en wel met medeweten van de regering daar. Die boeven noemen we ‘terroristen’, omdat ze dood en verderf zaaien zonder een staat te zijn, die kennelijk wel dood en verderf mag zaaien zonder terrorist te worden genoemd. Die terroristen hebben – hoe zal ik het zeggen – twee torens van Babylon in de Verenigde Staten van Amerika met duizenden mensen erin met één klap vernietigd. Die torens waren voor de Amerikanen wat de toren van Babylon voor de Babyloniërs was, namelijk het symbool van hun macht. Je begrijpt de reactie van de Amerikaanse regering: zij wil vergelding. De schuldigen moeten worden gestraft. Het kwaad, het terrorisme dient met wortel en tak te worden uitgeroeid. Oorlog heeft weer eens oorlog gebaard.

Is dit een rechtvaardige oorlog? Op het eerste gezicht wel. Een staat mag zich verdedigen tegen aanvallers. Zoals jij schrijft, geeft men ‘in dergelijke kwesties meer krediet aan wie het berokkende onrecht afweert dan aan wie het pleegt’. Maar tegelijk zeg je: ‘Ik weet ook wel dat iedereen zijn eigen zaak als zeer gerechtvaardigd beschouwt.’ Zo is het ook nu. De aanvallers beschouwen zich als verdedigers van hun geloof en hun menselijke waarden. De aangevallenen weten van de prins geen kwaad. Hun cultuur, hun macht voelen zij niet als bedreigend voor andere volken, maar als een groot goed dat de wereld slechts welvaart en geluk kan brengen

Desiderius, nog eens: is hier sprake van een gerechtvaardigde oorlog? Je zegt: ‘Misschien moet een goed vorst wel eens oorlog voeren, maar pas dan wanneer alle andere middelen uitgeput zijn en de hoogste nood hem dwingt.’ Is dat nu het geval? Ik geloof het niet. Jij hebt daar ook niet echt vertrouwen in gezien de strekking van je brief. Onderwerping van de tegenstander, daar draait het om. Zelfs de Turken, die het christelijke Europa bedreigen (je moest eens weten hoe treffend historische parallellen kunnen zijn!) beschouw je als minder wreed tegenover christenen dan de christelijke oorlogsvoerders tegenover hun christelijke vijanden. Nee, de echte oorzaken van oorlogen liggen in de ambities van heersers en de rechtvaardiging wordt gevonden in het-totale-gelijk-aan-de-eigen-kant. ‘Wraak is misplaatst, zelfs wanneer we sterk genoeg zijn om onrecht te wreken,’ stel je in je brief. Het is een opvatting die ook nu nog niet algemeen ingang heeft gevonden.

Stel nu eens, geleerde humanist, dat gewone mensen veel mondiger zouden zijn dan in jouw tijd. Zou dat de machtsdrift van heersers afremmen? Zou daardoor de oorlog worden uitgebannen? Jij, christen in hart en nieren, zag de oplossing van dit probleem in de kennismaking van het volk met het Nieuwe Testament, dat dankzij de boekdrukkunst door veel meer mensen gelezen kon worden. Hoe naïef, lieve vriend. Wij zijn intussen een paar stapjes verder. Verspreiding van de bijbel verhinderde niet dat na jouw tijd Europa zich stortte in de ellende van de godsdienstoorlogen. Jouw remedie tegen de oorlog werd de rechtvaardiging ervan. Verlichte denkers meenden vervolgens dat niet god, maar het verstand de oplossing zou bieden. Dat zal jou als ‘prediker der rede’ – zo ben je als een van de erflaters van onze beschaving later omschreven – aanspreken. Verschaf de mens inzicht in de dingen en hij doet vanzelf het goede. De meeste mensen in jouw christelijke Europa kunnen de bijbelse vredesboodschap lezen, maar doen het niet en het humanistische gedachtegoed is slechts in theorie gemeengoed geworden.

Herinner je nog eens hoe de priesters in jouw ‘Lof der Zotheid’ de bange gelovigen met hel en verdoemenis dreigden en hen daardoor voor hun karretje konden spannen. Er is niet bar veel veranderd. Wel wordt de kansel nu betreden door zachtaardige priesters, maar de kerken zijn goeddeels leeg. Wij kennen een nieuwe kerk, een nieuwe godsdienst zelfs. Die zetelt in onze huiskamers. Zij strooit niet met aflaten om aan haar gerief te komen, maar verblindt het volk met gelukbrengende boodschappen en laat de werkelijkheid zien door een gekleurde bril. Nog steeds weten zo de machthebbers de massa van de mensen voor hun gelijk te winnen. Nou vraag jij je natuurlijk af hoe dat in zijn werk gaat. Nu, stel je voor, jouw allerchristelijkste Frans I kan al zijn onderdanen in één keer bereiken doordat zijn afbeelding te zien is in alle paleizen en hutten van Frankrijk. Die afbeelding spreekt en wordt verstaan. Dan legt Frans uit waarom hij wel oorlog móet voeren om Milaan en waarom daarvoor Fransen moeten sneuvelen. Dan kan hij ook nog schilderijen laten zien van de wreedheden, begaan door de troepen van Karel V en de pauselijke troepen van Leo X. Die van de Franse zijde toont hij wijselijk niet. Zo wordt de oorlog in Frankrijk algemeen aanvaard. Ik voel dat je denkt: dit bestaat niet. Dit is het bedenksel van een perverse geest. Het kan niet en zelfs als het zou kunnen, zo slecht kunnen mensen niet zijn. Ik moet je teleurstellen. De door jou verwelkomde boekdrukkunst heeft niet alleen mensen verlicht, maar ook tallozen gedood, omdat zij een instrument werd in handen van kwade heersers.

Beschaving is een moeilijk begrip, maar tegenover jou, mijn dierbare vriend Erasmus, heb ik het gevoel dit woord zonder schroom te kunnen gebruiken, omdat ik weet dat we elkaar verstaan. Het is mijn mening, dat het een onhoudbare stelling is te beweren dat de mens zich langs een rechte lijn ontwikkeld heeft van onbeschaafd, naar beschaafd, nog beschaafder etc. Het lijkt er op dat we door een gebrek aan historisch besef steeds dezelfde fouten blijven maken en maar niet willen of kunnen leren hoe de persoonlijke ambitie te combineren met het respecteren van het algemeen belang. De mens zoekt nog steeds in het donker. Sol justitiae illustra nos.

Waarde Erasmus, de mensheid heeft op vele terreinen vooruitgang geboekt: het menselijk lichaam hebben we ontleed, al stellen de hersenen ons nog voor velen vragen; we hebben medicijnen ontwikkeld voor belangrijke ziekten; epidemieën hebben we in Europa uitgebannen; alhier zijn we erin geslaagd de armoede vrijwel te overwinnen; de meesten hebben een dak boven hun hoofd en genieten onderwijs; met alle nieuwe snufjes van de techniek zal ik je niet vermoeien, maar het leven is er een stuk makkelijker en aangenamer door geworden. Politiek echter lijken we maar niet vooruit te komen. In de vorige eeuw hebben we hier nog twee vreselijke wereldoorlogen uitgevochten, ook wéér met alleen verliezers, met name – net als in jouw tijd – onder de gewone mensen. Met uitzondering van een conflict op de Balkan in de jaren ’90 van de vorige eeuw is het de laatste decennia in Europa vrij rustig geweest. Maar hoe anders ligt het voor de andere continenten. Baden wij hier in rijkdom, in vele andere landen ligt dat geheel anders. Afrika, het terra incognita, bevat inmiddels geen geheimen meer voor ons, maar de mensen daar kennen geen rijkdom, buiten enkele heersers. De mensen daar leven in regelrechte armoede. Dagelijks sterven er tienduizenden kinderen als gevolg van ondervoeding, slecht drinkwater en ziekte. Oorlogen komen er ook vaak voor, net als in de Kaukasus, Zuidoost Azië (Indië), het Midden-Oosten (het land van het Oude en Nieuwe Testament) en vele andere streken. De wereld is kleiner geworden, door middel van geheimzinnige verbindingen kunnen we alles van elkaar weten. Ik vertelde je al over die schilderijen die in alle huiskamers hangen en kunnen praten. We weten dus dat de rijkdom erg oneerlijk is verdeeld, maar we doen er niets aan. Sommige volkeren hebben vrijwel alles, andere hebben vrijwel niets. Dit moet wel tot conflicten en oorlogen leiden.

Erasmus, jij als de ware kosmopoliet, ik als eenvoudig mens die zich beschouwt als een wereldburger, gunnen alle mensen vrijheid en ontwikkeling. Het spijt me dus zeer je te moeten meedelen dat onze wens op dit terrein zeker nog geen werkelijkheid is geworden.

Erasmus, jij als pleitbezorger van het belang van de Heilige Schrift, ik als iemand die zijn geloof in een hogere macht verloren heeft, kunnen ons beiden iets voorstellen bij het beeld van Christus die zich vergelijkt met een hen die haar kiekens onder haar vleugels vergaart. Ik las die vergelijking in je werk ‘Vredes weeklacht’. ‘Hoe kunnen de christenen dan zulke kiekendieven zijn?’ vroeg je je af. En je vervolgde met ‘Versier zoveel u wilt uw huizen en gewaden met het teken des kruizes; Christus zal slechts het teken erkennen dat hij zélf heeft voorgeschreven, namelijk dat van de eensgezindheid.’ Het spijt me wederom, van eensgezindheid is in de huidige wereld geen sprake. Integendeel. Economische wetten die de ongelijkheid bevorderen, nationalisme en religieus fanatisme verhinderen dat de mensheid één wordt. Je oproep aan de machthebbers, geformuleerd in je brief, om ‘zich als ernstige artsen de moeite te getroosten om de kreunende wereld bij te staan’ was toen actueel, en is dat nu nóg!

Vriend Erasmus, het is jammer dat ik maar één keer met je mag corresponderen. Ik ben zeer nieuwsgierig naar wat jij van deze oorlog in Afghanistan zou vinden. Maar dat houdt in dat je nu nog zou moeten leven. Dat je zou moeten meemaken dat men een volk niet alleen bestookt met kogels, maar ook met voedsel. Wie een van beide treft, beslist het blinde lot. Soms is het een voorrecht vroeg geboren te zijn.

Waarde Erasmus, de brief die ik nu beëindig heb ik geschreven op verzoek van mensen die zeggen over een tijdmachine te beschikken die het mogelijk maakt dat jij deze brief daadwerkelijk onder ogen krijgt. Ik heb hem mogen voorlezen op een banket in de stijl van jouw tijd, zoals de organisatoren het zelf omschrijven. Nu weet ik dat je je vreselijk kon ergeren aan de beestachtige manier waarop mensen in de 16e eeuw plachtten om te gaan met spijs en drank. Zo schreef je eens: ‘Als Epicurus eens herboren werd en deze wijze van leven zag, zou hij zich zelf streng en stoïcijns vinden.’ Dit alles staat mij nu – anno 2001, nota bene in jouw Rotterdam – ook te wachten. Ik beloof je: het zal bij een eenmalige uitspatting blijven.
Ik groet je, Desiderius Erasmus van Rotterdam.