10. De onvermijdelijkheid van een alternatief

We will fight for the right to be free
We will build our own society
And we will sing, we will sing
We will sing our own song

UB 40

Toen ik als tiener begon na te denken over de ‘grote vragen’ van het leven, was het eerste ‘grote antwoord’ dat sneuvelde de idee van de almachtige en alwetende God. Door mijn katholieke opvoeders was mij voorgehouden dat God niet alleen almachtig maar ook alwetend was, dat hij niet alleen het verleden en het heden kende, maar ook de toekomst. Maar als hij almachtig was, waarom stond hij dan toe dat er dagelijks tienduizenden mensen stierven van de honger? Waarom greep hij dan niet in? En als hij alwetend was en de toekomst al gekend werd, en dus vaststond, hoe zat het dan met de vrije wil? Zou een god, waarvan men zei dat hij Liefde was, ooit iemand kunnen veroordelen die zelf geen enkele zeggenschap had over de loop van zijn leven? En als dat laatste zo was, wat had het leven dan eigenlijk nog voor zin? De predestinatie kon toch alleen maar het fatalisme bevorderen?
Toen ik hoorde en las over de grote geleerden van de renaissance en de filosofen van de Verlichting, was het snel gedaan met mijn geloof in God. Het smolt weg als een ijsberg die richting Nederland drijft. Hadden de renaissance en de Verlichting ons niet verlost uit de donkere middeleeuwen? Had het rationalisme niet het religieuze denken met al zijn taboes, bekrompenheid en obscurantisme van zijn eeuwenoude voetstuk gestoten? Fatalisme, zo bedacht ik mij, is de eeuwige vijand van de vooruitgang. Tot op de dag van vandaag is fatalisme mij dan ook wezensvreemd gebleven. Hoeveel aanleiding tot somberheid de werkelijkheid soms ook mag geven, er is zelden echt reden tot wanhopen. Tenminste, als men onderscheid maakt tussen de gegevenheden van het leven, de onveranderbare feiten, aan de ene kant, en de zaken waar door menselijk ingrijpen iets aan te doen valt aan de andere kant. Die laatste bieden de mens voldoende ruimte om een fors stempel op de geschiedenis te kunnen drukken. Wij zijn zowel maaksels als makers van de geschiedenis.
Veel zaken worden als onwrikbare en onveranderbare feiten gepresenteerd, terwijl ze dat in werkelijkheid niet zijn. Het zijn de zaken die behoren tot het speelveld van de mens terwijl hij zijn geschiedenis schrijft en daarmee de voorwaarden voor zijn toekomst vormgeeft. Wij deinen niet stuurloos op de oceaan van de tijd. Zeker, het kan stormen en de golven kunnen hoog gaan, maar de mens kan een richting bepalen en alles doen om zijn doel dichterbij te brengen. Alles wat vandaag sterk en onveranderbaar lijkt, kan morgen vermolmd blijken en instorten. Dat geldt voor machthebbers, maar ook voor ideologieën. De geschiedenis leert ons dat geen enkele ideologie het eeuwige leven heeft, dat aan elke overheersing, hoe totaal ook, een einde komt. Het lijdt dan ook geen enkele twijfel dat ook de nieuwe, neoliberale wereldorde uiteindelijk weer ten onder zal gaan. En hoe eerder die orde de kans krijgt om geheel zichzelf te worden – en hoe meer daarmee de tekortkomingen van het stelsel voor iedereen zichtbaar en voor de overgrote meerderheid voelbaar worden – hoe eerder dat moment zal aanbreken. Het neoliberale denken mag op dit moment nationaal en internationaal sterk lijken, de irrationaliteit en de innerlijke tegenstellingen die het herbergt zullen zijn kracht uithollen. Wat nu sterk is zal dan zwak worden.

Het neoliberalisme is niet waardevrij

Zoals we in de vorige hoofdstukken hebben gezien vertoont het neoliberalisme een aantal in het oog springende tekortkomingen die een direct gevolg zijn van de mens- en maatschappijvisie die eraan ten grondslag ligt. Door de vormgeving van de samenleving niet in de eerste plaats over te laten aan de politiek maar aan het vrije spel der maatschappelijke krachten, en door te accepteren dat de economische wetten van het kapitalisme de marges bepalen waarbinnen de politiek mag opereren, raakt men steeds verder verstrikt in de eigen onmacht. Terwijl Frits Bolkestein meent dat een samenleving niet zonder normen en waarden kan, verwerpt zijn eigen achterban zelfs de meest rudimentaire gedachtenbepaling over hoe die normen en waarden eruit zouden moeten zien. Maar ook als het gaat om overwegingen die te maken hebben met de lange termijn, staat het neoliberalisme machteloos, omdat het de politiek tot een bijwagen van de economie heeft gemaakt. Het is ook daardoor dat men niet in staat is recht te doen aan het gegeven dat in de werkelijkheid alles met elkaar samenhangt. Integrale afwegingen kunnen alleen gemaakt worden door de politiek. Een speculant op Beursplein 5 vraagt zich niet af wat de gevolgen van zijn handelen zijn voor – laten we zeggen – de kwaliteit van het grondwater of de langdurige werkloosheid.
Deze structurele tekortkomingen in de neoliberale ideologie en de neoliberale praktijk zijn de oorzaak van al datgene wat ik in de voorafgaande hoofdstukken aan ontwikkelingen heb geschetst: de versplintering en verharding van de samenleving, de uitholling van de democratie, de vergroting en de verscherping van de tweedeling, de ontmanteling van de collectieve voorzieningen, de veronachtzaming van de publieke moraal, en de commercialisering van de maatschappij. Al deze ontwikkelingen worden stelselmatig gebagatelliseerd, en voor zover ze worden erkend, verwijst men naar de dwingende invloed van de Europese integratie en de globalisering. Voor de economische en politieke machthebbers bestaat er geen alternatief voor ‘meer markt en minder overheid’. En dat is ook niet verwonderlijk. Het neoliberalisme zelf is niet waardevrij, het heeft onmiskenbaar een klassekarakter: zij die al bevoorrecht waren worden door het systeem het meest bevoordeeld. De stelling dat er voor de huidige neoliberale politiek geen alternatief mogelijk zou zijn, is dan ook gewoon bedrog, met als enige doel te voorkomen dat de machtigen hun macht, invloed en vermogen moeten delen. In die zin is de overgang van de feodaliteit naar het kapitalisme niets anders geweest dan een variatie op een al eeuwenoud thema. Het kapitalisme heeft de oude feodale machthebbers vervangen door nieuwe, maar daarmee is het oude vraagstuk van morele legitimiteit van de macht niet opgelost.
Zeker, het kapitalisme was een stap vooruit in de geschiedenis. De massaproduktie, en daarmee de massaconsumptie, maakten het mogelijk dat er welvaart en vooruitgang kwamen. Geërfde macht werd een anachronisme en de democratische gedachte won terrein. Maar op de drempel van de eenentwintigste eeuw komen ook de structurele tekortkomingen van het systeem steeds duidelijker aan het licht. Er is niemand, ook in neoliberale kringen niet, die kan uitleggen hoe de bovenomschreven processen kunnen worden omgekeerd in een richting die ons leidt naar een menswaardiger samenleving. Alle opgeklopte verkooppraatjes ten spijt zullen ook de neoliberalen uiteindelijk moeten erkennen dat zij geen antwoord hebben op de grote vragen waar de wereld zich in deze tijd voor gesteld ziet. Een terugkeer naar de sociale verhoudingen van de negentiende eeuw, zoals die nu wordt bewerkstelligd, kan niet anders dan catastrofale gevolgen hebben. Er zijn mensen die daarom al hun hoop vestigen op de zegenende uitwerking van het gesternte van het Aquarius-tijdperk. Anderen verwachten de spoedige terugkeer van Christus. Ikzelf houd het bij een wat aardsere oplossing: de onvermijdelijkheid van een alternatief.

De mens als maat van alle dingen

In zijn eerder geciteerde boek Het heft in handen schrijft Frits Bolkestein: ‘Het menselijk intellect is te beperkt voor het maken van geschikte blauwdrukken voor onze samenleving.’137 De kennis van de gevolgen van ons politieke handelen kan, volgens de liberale voorman, slechts ontstaan als resultaat van een politiek van ‘stapje voor stapje’, als ‘een spontaan proces van trial and error’. Omdat de mens nu eenmaal nooit over voldoende informatie en intelligentie zou kunnen beschikken om de ideale samenleving te ontwerpen, zit er volgens de VVD-voorman niets anders op dan een zo groot mogelijke vrijheid te creëren, waarin onevenwichtigheden met vallen en opstaan kunnen worden weggewerkt.
Er zit veel waars in die woorden. Wie een blauwdruk wil ontwerpen voor een gehele samenleving, lijdt aan overspannen pretenties. Het is niet toevallig dat in de centraal geleide Sovjet-economie het defaitisme in brede lagen van de bevolking hoogtij vierde. Als de toekomst toch al vastligt, is er voor het individu geen enkele reden meer om zich in te spannen of zich verantwoordelijk te voelen voor wie of wat dan ook. Het socialisme van nu zal dan ook die fouten moeten vermijden, net zoals de linkse dogma’s uit de jaren zeventig, toen ‘de staat’ geacht werd een oplossing te kunnen bieden voor elk individueel probleem.
Het socialisme is geen heilsprofetie, die alleen maar belooft dat het achter de horizon allemaal beter wordt. Het socialisme verwoordt op de eerste plaats een bepaalde visie op mens en samenleving, en heeft dus ook betekenis in het hier en nu. De socialistische gedachte is gebaseerd op het uitgangspunt dat de mens de maat is van alle dingen en dat de menselijke maat maatgevend moet zijn voor de inrichting van de samenleving. In het liberalisme mag de individuele waardigheid dan in theorie eveneens centraal staan, maar als het individu door de vrije economische krachten wordt gemangeld en beroofd van al zijn waardigheid, is er in de praktijk geen neoliberaal die daaraan de conclusie verbindt dat die economische krachten dús aan banden moeten worden gelegd. In haar actuele politieke uitwerking leidt de vrijheid van de een onherroepelijk tot de onvrijheid van de ander.
Wie het principe van trial and error serieus neemt, toetst de uitkomsten van het gevoerde beleid aan de vooraf gestelde doelen. Wie zegt dat de economie moet groeien zonder de leefbaarheid van de wereld voor toekomstige generaties om zeep te helpen, zal moeten ingrijpen als de praktijk aantoont dat die doelstelling met de huidige ideologische en politieke keuzes niet wordt gehaald. Wie de koningin laat zeggen dat er iets gedaan moet worden aan de groeiende armoede in Nederland, moet kijken of het gevoerde beleid de armoede bevordert of daadwerkelijk terugdringt. Het Sociaal en Cultureel Planbureau schreef als laatste zin van zijn Rapport 1994 – na ruim zeshonderd pagina’s minutieuze analyse van de actuele ontwikkelingen in de samenleving: ‘Ideologische en beleidsmatige ontwikkelingen van de laatste tijd verwijzen eerder naar een toenemende dan naar een verminderende ongelijkheid.’138 Desalniettemin propageren Frits Bolkestein, het hele paarse kabinet en alle paarse coalitiepartners een verdergaande liberalisering om de tweedeling in Nederland te bestrijden.
Als Frits Bolkestein zijn eigen woorden serieus zou nemen, zou hij uit de overvloedige hoeveelheid gegevens over de neoliberale trials de conclusie trekken dat er sprake is van grote errors. Hij zou dan tot het inzicht komen dat de dogma’s van de vrije-markteconomie niet leiden tot een wereld waarin ieder individu in min of meer gelijke mate de mogelijkheid krijgt zijn of haar geluk met een maximale kans op succes na te jagen. Hij zou zijn visie op de werkelijkheid inruilen voor een betere. De rechters van het Heilig Officie van de Inquisitie weigerden in 1633 om door Galileïs telescoop naar de hemellichamen te kijken. Het zou hun onwankelbare geloof in het kerkelijke dogma van de aarde als middelpunt van het heelal maar in gevaar kunnen brengen. Precies zo weigeren de huidige neoliberale machthebbers om kennis te nemen van de verwoestende gevolgen van hun beleid: het zou hun rotsvaste geloof in de heilzame werking van de onzichtbare hand van het vrije spel der maatschappelijke krachten maar aan het wankelen kunnen brengen. Het boek van Galileï, Dialoog over de beide wereldstelsels, bleef nog tweehonderd jaar op de Index (de lijst van verboden boeken van het Vaticaan) staan. Zolang zullen de neoliberalen hun verborgen agenda (een tot op het bot gespleten samenleving) gelukkig niet geheim kunnen houden.

De jeugd, de toekomst en de homo universalis

Misschien wel de ultieme metafoor voor de kortzichtigheid van het neoliberalisme, is de manier waarop het omspringt met de jeugd. Er is niemand die bestrijdt dat opleiding en scholing van jonge mensen de beste investering vormen die een samenleving kan doen – zij zijn immers de volwassenen van morgen, de toekomst. Maar het neoliberale dogma van de terugtredende overheid biedt geen enkel perspectief op verbetering van de positie van kinderen en jongeren in de samenleving. Terwijl het onderwijs zucht onder de ene bezuinigingsronde na de andere en dus noodgedwongen steeds meer zijn toevlucht moet nemen tot het bedrijfsleven om aan inkomsten te komen, blijven de neoliberalen krokodilletranen huilen om de verloedering van de jeugd.
Regelmatig heb ik in Den Haag gesprekken met groepen studenten, waarbij meestal ook het standpunt van de SP ter sprake komt dat het hoogste salaris idealiter niet meer zou moeten bedragen dan, bijvoorbeeld, drie keer het laagste inkomen. Waarom zouden de handen van een loodgieter zoveel minder waard zijn dan de handen van een chirurg? Te vaak luidt de reactie van de studenten: dan zou ik niet meer gaan studeren. Kennelijk is voor veel jongeren een universitaire studie niets anders meer dan een opstapje naar een goed betaalde baan. En wie kan hun dat kwalijk nemen? In ieder geval niet diegenen die het najagen van financieel gewin tot het hoogste goed hebben gemaakt. Wie vlees door de molen haalt, moet niet verbaasd zijn dat er gehakt uitkomt. Want als ik aan diezelfde studenten vraag of zij het een goede ontwikkeling vinden dat financiële motieven steeds vaker doorslaggevend lijken voor het volgen van een studie, antwoorden zij vrijwel zonder uitzondering ontkennend.
Vanuit een socialistische mensvisie (dat wil zeggen: een visie waarbij de mens in de eerste plaats wordt beschouwd als een sociaal wezen met een verantwoordelijkheid voor zichzelf en zijn omgeving en niet wordt gereduceerd tot een individualistische zombie of calculerende burger) zou een radicale trendbreuk in de onderwijspolitiek gerealiseerd moeten worden. Nu wordt een steeds groter deel van de opleidingen omgetoverd in specialistische beroepsopleidingen gericht op het economisch nut van de student in de toekomst. Steeds vaker verdwijnen geschiedenis, kunstgeschiedenis, geografie, lichamelijke opvoeding en maatschappijleer uit het vakkenpakket. In plaats van vernauwing van de blik zou het onderwijs in de eerste plaats moeten bijdragen aan een verruiming ervan. Het is de taak van het onderwijs om aan te sluiten bij de verwondering en de verbazing van kinderen die zoeken naar de verbanden. Filosofie, niet te verwarren met kennis van filosofen, zou al op de basisschool onderwezen kunnen worden. Er moeten nieuwe doelen worden bedacht en nieuwe wegen om die doelen te bereiken: meer tijd en geld steken in de algemene ontwikkeling van kinderen; hun belangstelling voor het leven in al zijn facetten aanwakkeren; ze opleiden tot weerbare, kritische individuen die weten dat je samenleven samen doet; ze waardering en respect bijbrengen voor de medemens; ze vertrouwd maken met kunst, cultuur en wetenschap; ze vaker en intensiever confronteren met levenslessen van mensen die zelf hun ervaringen verwoorden; de school als gemeenschap meer in de samenleving, het werkelijke leven plaatsen.
Alle discussies over onderwijs gaan tegenwoordig over geld, structuren, didactische trucjes (wel of geen computer in de klas, wel of geen toets voor kleuters) en onnozele vragen als ‘wat is de plaats van het creationisme bij het eindexamen?’ Over de vraag waartoe wij opvoeden wordt veel te weinig nagedacht en daarom is een terugkeer van de pedagogiek noodzakelijk – niet alleen in het onderwijs, maar ook in de politiek en de samenleving als geheel. Wat moeten wij doen en wat moeten wij laten om van kinderen waardevolle, complete en gelukkige mensen te maken? Moeten wij niet gaan denken aan twee expliciete onderwijsdoelstellingen in plaats van één? Eén – de meer traditionele – die met name de voorbereiding op de latere beroepsuitoefening beoogt, en een andere – de education permanente – die de algemene vorming tot doel heeft en dus eigenlijk nooit ten einde komt? De homo universalis is als doelstelling nu totaal uit beeld verdwenen, terwijl we daar meer behoefte aan lijken te hebben dan ooit tevoren. De ingewikkeldheid van de samenleving maakt dat algemene ontwikkeling en algemene interesse voorwaarden zijn voor een volwaardige deelname aan de samenleving. Sociale uitsluiting dreigt op grote schaal, niet eens zo zeer doordat er niet langer voor iedereen werk zou zijn, maar doordat velen niet langer deelnemen aan de culturele, sociale en politieke aspecten van het leven.
De kinderen van de Batavieren hadden nog geen klassen en geen onderwijs nodig om later volwaardig in de groep te kunnen functioneren. Pas in het begin van deze eeuw bestond er voor het eerst in de geschiedenis een economische noodzaak zoveel mogelijk mensen te leren lezen en schrijven, en vanaf toen gebeurde dat dus ook. De vermeende economische noodzaak leidt nu tot de roep om nog specialistischer mensen en dus ook dito opleidingen. Vandaar ook de discussie over ‘de excellente leerweg’ in het wetenschappelijk onderwijs en ‘de masters-opleiding’ in het hoger beroepsonderwijs, beide natuurlijk exclusief voor de excellente master-studenten. De economische noodzaak álle mensen een goede ondergrond te geven door middel van goed onderwijs lijkt – gezien de hoge, structurele werkloosheid – vervallen. Wellicht dat daarin de verklaring schuilt voor de stiefmoederlijke wijze waarop bijvoorbeeld het basisonderwijs door de achtereenvolgende kabinetten is behandeld: de speciale opleidingen voor kleuterleidsters zijn afgeschaft, de budgetten van de scholen zijn te krap en de klassen zijn te groot.
In de VS kennen ze al sinds jaar en dag het onderscheid tussen de arme, slechte public schools en de rijke, goed geoutilleerde private schools. Vanzelfsprekend gaan de kinderen uit het getto naar de scholen gefinancierd door de overheid en de rijke kinderen naar de privé-scholen. Omdat de kwaliteit van de public schools zoveel te wensen overlaat besluiten steeds meer mensen uit de middenklasse hun kinderen ook naar de privé-scholen te brengen. Ze moeten dan wel met z’n tweeën drie of vier banen op zich nemen, maar wie heeft dat niet over voor de ontwikkeling van zijn kind? Nu we in ons land inmiddels steeds meer vertrouwd zijn geraakt met de tweedeling tussen arm en rijk in de gezondheidszorg, is het niet raar te veronderstellen dat de neoliberale logica ons ook zal leiden tot een tweedeling in het onderwijs. Tien jaar geleden had toch ook niemand geloofd dat we nu in ons land privé-klinieken zouden kennen en dat we rijke mensen een betere behandeling zouden geven dan fondspatiënten? Er is alle reden alert te zijn, want de eerste tekenen zijn er al. We hebben inmiddels al elitescholen met hoge ouderbijdragen, en scholen in volkswijken waar ze te weinig geld hebben voor goed onderwijs.
Als we het hebben over de belangen van kinderen en de noodzaak van de terugkeer van de pedagogiek, hebben we het niet alleen over onderwijs. We hebben het ook over al die andere zaken waar kinderen tijdens hun eerste levensfase – direct of indirect – mee te maken krijgen. Opvallend is hoe zelden de belangen van kinderen dan überhaupt nog maar een punt van overweging zijn. Enkele voorbeelden: het volbouwen van onze steden waardoor zelfs de laatste stukjes groen verdwijnen met als gevolg dat buiten spelen niet meer kan; het bezuinigen op sportclubs waardoor de contributies omhoog moeten en kinderen van ouders met weinig geld gedwongen zijn af te haken; de invloed van de tv heb ik in hoofdstuk 6 al beschreven; de libertaire gedachte dat de filmkeuring out of time is; de bezuinigingen op de openbare gezondheidszorg waardoor preventieve bezoeken aan de schoolarts steeds spaarzamer worden; de kwaliteit van de kinderdagverblijven en de crêches die ver onder de maat blijft vanwege het hoge verloop onder het personeel (ongetwijfeld verband houdend met de slechte beloning) en het vaak ontbreken van een pedagogisch plan; kinderrechters die klagen dat zij kinderen soms niet in gesloten inrichtingen kunnen plaatsen vanwege plaatsgebrek en dus de kinderen de straat op moeten sturen of plaatsen in een politie- of gevangeniscel; de kinder- en zedenpolitie die als gevolg van bezuinigingen hoegenaamd is ontmanteld; alleenstaande moeders in de bijstand die gedwongen worden te gaan werken terwijl ze nog jonge kinderen thuis hebben; de flexibilisering die regelmaat en rust in gezinnen uitsluit.
Wie zich werkelijk zorgen maakt over de zorgeloze manier waarmee wij omspringen met onze jeugd (reeds 15 procent van de kinderen is nu al aangewezen op professionele jeugdhulpverlening), zal de moed moeten hebben om de structurele gebreken toe te geven en mee te helpen aan het ontwikkelen van een maatschappijvisie waarin datgene wat waardevol wordt bevonden, bescherming geniet. Want, zoals Lucebert al schreef: ‘Alles van waarde is weerloos.’ Die wetenschap brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee voor ieder mens – en zeker voor diegenen die zich bezighouden met de opvoeding en scholing van kinderen en jongeren: de ouders, de leraren, de leraressen, de politici, ja, wie eigenlijk niet?
Het proces van trial and error begint met de analyse. Als we het over die analyse eens kunnen worden, kunnen we ons vervolgens afvragen hoe we de gewenste werkelijkheid dichterbij kunnen brengen – in plaats van dat we er steeds verder van verwijderd raken.

Het systeem van de gemiste kansen

Het falen van de marktwerking als bruikbaar, ordenend mechanisme wordt wellicht nergens zo schrijnend duidelijk als op de arbeidsmarkt. Terwijl honderdduizenden mensen thuiszitten en gedwongen nietsdoen, moeten zij die werk hebben steeds harder en langer werken en blijft steeds meer maatschappelijk belangrijk werk liggen, omdat daarvoor geen geld meer zou zijn. Of het nu gaat om belangrijk werk in de gezondheidszorg, bij het onderhoud van openbare groenvoorzieningen, het toezicht, het onderwijs, de jeugdhulpverlening, of de psychiatrische zorg: op al die terreinen groeit het tekort aan menskracht als gevolg van jarenlange bezuinigingen.
Wie in plaats van winstmaximalisatie menselijke waardigheid, gelijkheid en solidariteit centraal stelt, zal maatschappelijk nuttig werk navenant willen belonen en Melkert-banen en banenpools afwijzen. Automatisering zal dan ook niet meer leiden tot nog harder werken voor degenen die mogen blijven en armoede voor hen die worden ontslagen, maar tot minder werken voor allen. Werk zal in dienst staan van de mens, en de mens niet langer in dienst van het werk. In zijn Grijsboek beschrijft Piet Grijs hoe de slaven van Athene het vuile werk deden en daarmee de vrije burgers in staat stelden zich bezig te houden met zaken als nietsdoen, liefde, discussie, spel en wetenschap. Grijs: ‘Die slaven krijgen wij binnenkort ook, al zullen ze gelukkig van metaal zijn.’139 Van dat soort ‘metalen slaven’ kunnen we er niet genoeg hebben, dunkt mij. Werkloosheid is, het zij nogmaals gezegd, in de kern een organisatorisch probleem. Hoe zorgen we dat gedaan wordt wat er gedaan moet worden? Hoe zorgen we dat dat gebeurt onder fatsoenlijke omstandigheden, en tegen een fatsoenlijke beloning? Hoe zorgen we dat iedereen mee kan doen? Dat zijn de vragen waar het om gaat. En hebben we meer ‘handen’ dan werk, wat ligt er dan meer voor de hand dan dat we het werk ook fatsoenlijk verdelen? Niemand kan daar redelijkerwijs enig bezwaar tegen hebben, mits we natuurlijk ook de opbrengst van de arbeid fatsoenlijk en eerlijk verdelen.
Is dit alles onmogelijk? Ook hier geldt: als we het erover eens zijn dat het wenselijk is, zouden we dan niet, via een methode van trial and error tot een aanpak kunnen komen die de gewenste werkelijkheid dichterbij brengt, in plaats van steeds verder weg, zoals nu? Of moeten wij berusten in de huidige teloorgang van de vele sociale verworvenheden die toch ook op de een of andere manier tot stand zijn gebracht tegen de wetten van de liberale dogmatiek in? Toen in het verleden nieuwe sociale verworvenheden tot stand werden gebracht, zoals de afschaffing van de kinderarbeid, de introductie van de 40-urige werkweek en de vrije zaterdag, schreeuwden de toentertijd gezaghebbende economen ook moord en brand, maar de geschiedenis heeft hun ongelijk bewezen – zoals zo vaak. In Amerika zeggen ze tegen economen: ‘If you’re so smart, why aren’t you rich then?’
Een soortgelijk verhaal over trial and error gaat ook op voor de milieuproblematiek. De kennis, de inzichten en de technologie van deze tijd, bieden een enorme hoeveelheid kansen om de samenleving leefbaarder te maken voor iedereen – zowel arm als rijk, zowel in het heden als in de verre toekomst. Voorwaarde is dan wel dat we leren van de fouten in het verleden. In plaats van ons af te vragen hoe we met nieuwe technologieën zo snel mogelijk zo veel mogelijk geld kunnen verdienen, zouden we ons moeten afvragen hoe de problemen die het gevolg zijn van eerdere technologische vernieuwingen (zoals de introductie van de auto die leidde tot luchtvervuiling en files, en de televisie die in pedagogisch opzicht geen onverdeeld succes is gebleken) dit keer voorkomen kunnen worden. Het neoliberale vertrouwen in de zegeningen van de ‘vrije markt’ laat hiervoor echter geen enkele ruimte. De neurotische economische groei sluit bezinning en verstandige besluitvorming uit. Duurzame technieken worden niet ingezet als niet-duurzame technieken op korte termijn zorgen voor hogere winsten. De enorme bereidheid onder de bevolking om rekening te houden met het milieu (die ondermeer blijkt uit het succes van de glas-, papier- en biobakken), wordt alleen benut om extra heffingen op te leggen, en niet om daadwerkelijke veranderingen te bewerkstelligen in produktie- en consumptiepatronen. Het is niet voor niets dat vrijwel alle rapporten over de milieuproblematiek eindigen met aanbevelingen voor een drastische wijziging van de economische verhoudingen in de wereld. Het is natuurlijk evenmin toevallig dat die aanbevelingen door de neoliberale politici onmiddellijk terzijde worden geschoven – meer dan wat ook vertegenwoordigen die politici immers de belangen van de gevestigde economische machten. Dat de wél overgenomen doelstellingen om het milieu minder te belasten vervolgens bij lange na niet worden gehaald (nationaal, noch internationaal), bewijst eens te meer de noodzakelijkheid van een alternatief voor het neoliberalisme, de ideologische en politieke vertaling van de economische machtsverhoudingen die we nu kennen. Met andere woorden, variërend op de ondertitel van dit boek: geen Groen zonder Rood.

Het recht op geluk bestaat niet

Er bestaat een slechts zelden opgemerkte overeenkomst tussen de maakbaarheidspretenties uit de jaren zestig en zeventig, en het hedonistische ‘ieder voor zich’ en het ‘gewoon jezelf zijn’ van de neoliberalen van de laatste decennia. In beide maatschappijvisies ligt de vooronderstelling besloten dat ieder mens recht heeft op geluk. Meenden de welzijnswerkers van weleer dat mensen bij de overheid terecht moesten kunnen voor hun dagelijkse shot geluk, de vrije jongens van nu houden de consument voor dat dat recht op geluk ingevuld kan worden door de aanschaf van consumptiegoederen. De onderliggende boodschap van elke commerciële reclame-uiting is, dat je wel gek zou zijn als je genoegen zou nemen met minder dan het allerbeste, het allersnelste en het allernieuwste. Ongemakken zijn er om te worden opgelost, tegenslagen om te worden overwonnen, en geluk om gekocht te worden.
Geen wonder dat consumentisme behalve met scherp gesneden bad- en maatpakken, ook alom wordt geassocieerd met leegheid. Immers, de onderliggende boodschap – het recht op geluk – is een leugen, en de in het vooruitzicht gestelde invulling vindt dan ook zelden plaats. Geluk is niet te koop, net zo min als gezondheid en alle andere zaken van werkelijke waarde. Sterker nog: geluk is een buitengewoon schaars goed waar hard voor gewerkt moet worden. De opgefokte pretenties van het consumentisme en het hedonisme kunnen alleen maar leiden tot mensen die leven met te hoog opgepompte verwachtingen over het ultieme levensgeluk dat binnen handbereik zou zijn.
Ondertussen is wat het consumentisme zelf te bieden heeft alleen maar meer van hetzelfde – het ene surrogaat vervangt het andere. En elke keer als de verwachtingen niet uitkomen leidt dat weer tot teleurstelling en irritatie, of erger. Ook in de gezondheidszorg neemt het consumentisme hand over hand toe. Immers, bij het gepresenteerde schoonheidsideaal passen geen krassen, niet in het gelaat en niet op de ziel. Verjongingskuren en Prozac helpen ons ‘rein’ te worden en reiken ons het geluk op een presenteerblaadje aan. En daar blijft het niet bij. Hoever is een scheiding tussen de voortplanting en de genegenheid tussen twee mensen nog verwijderd nu steeds meer bekend wordt van het menselijk genoom, ons erfelijk materiaal? Wordt de mens zo dadelijk een biochemische robot die eindeloos gereproduceerd kan worden? Geluk op bestelling, zonder respect voor de mens als mens? Het lijkt allemaal een beetje op koning Midas die, omdat hij iemand geholpen had, een wens mocht doen. Hij zei: ‘Geef mij, heer, de wonderkracht dat alles, wat ik aanraak, in goud verandert.’ Zo geschiedde. Toen Midas een tak van een eik afbrak, veranderde deze aanstonds in goud. En hetzelfde gebeurde met een aardkluit die hij aanraakte en een steen die hij opraapte. Thuis vond hij de tafel gedekt en zette zich aan de dis. Maar de gouden gerechten bleken te hard voor zijn kiezen, en het gloeiende goud kon hij niet drinken.140
De werkelijk belangrijke zaken in het leven krijgen ondertussen steeds minder aandacht: de zelfverwerkelijking en de zoektocht naar de grenzen van de eigen mogelijkheden en die van de samenleving als geheel, en de erkenning, waardering en sympathie die iedereen graag van zijn omgeving – welke dat ook is – ondervindt. De zin van het leven is niet veel meer dan zin hebben in het leven, in de toppen en de dalen die daar onvermijdelijk bijhoren. Het consumentisme wil ons doen geloven dat ‘het rijk van de vrijheid’ te koop is, maar niets is minder waar. Vrijheid is niets anders dan inzicht in en acceptatie van wat de onwrikbare gegevens van het leven zijn. Natuurlijk, voor velen is de zin in het leven (tijdelijk) vergald door rampspoed, maar inzicht kan helpen het leed te verzachten, en de omgeving – familie, buren, collega’s en ook de overheid – kunnen daarbij behulpzaam zijn en nieuwe zin aan het leven geven. Maar juist op dit terrein laat de overheid het steeds meer afweten. De georganiseerde solidariteit wordt gesloopt en iedereen wordt teruggeworpen op zijn eigen verantwoordelijkheid. We laten bejaarden die een peperdure opvang niet kunnen betalen, rustig met z’n zessen zonder enige vorm van privacy hun levensavond in verpleeghuizen slijten. Hun zin in het leven is niet groot meer. In dat licht bezien getuigt nu aandringen op een verdere liberalisering van de euthanasiepraktijk wel van een buitengewoon cynische instelling.
De mens is zowel in staat tot het goede als tot het kwade. Welke van die twee neigingen het sterkst tot uitdrukking komt, heeft soms te maken met fysiologische oorzaken, maar veel vaker zal de omgeving de doorslag geven. Die omgeving, de sociale verbanden waarvan ieder mens deel uitmaakt, worden op hun beurt in hoge mate beïnvloed door politieke keuzes. Natuurlijk is de samenleving niet geheel maakbaar, maar de invloed van politieke beslissingen wegredeneren, zoals veel politici en postmoderne maatschappijcritici tegenwoordig doen, lijkt vooral ingegeven door de wens geen verantwoordelijkheid te hoeven aanvaarden voor het vele onrecht van deze tijd.
Die valse bescheidenheid over de sturende mogelijkheden van de politiek staat in schril contrast met de absoluutheid waarmee menig politicus heden ten dage het neoliberale gedachtengoed predikt. En vooral ook met de absoluutheid waarmee dat gedachtengoed aan de samenleving wordt opgelegd. Er is slechts minimale ruimte voor twijfel en voor de vraag of alle aannames wel kloppen. Daar komt nog bij dat grote leugens vaak eerder geloofd worden dan kleine. Velen hebben zich inmiddels op de mouw laten spelden dat marktwerking een panacee is voor vrijwel elk maatschappelijk probleem. Dat managers waardevoller zijn dan mensen die nog affiniteit hebben met het oorspronkelijk doel van een organisatie. Dat de staat per definitie verdacht dient te zijn. Dat het vrije spel der maatschappelijke krachten alleen maar goeds voortbrengt. En dat elk alternatief voor deze opvatting thuishoort op de mestvaalt van de geschiedenis. Het zijn de absolute vanzelfsprekendheden van de heersende politieke opvattingen.
Maar als de geschiedenis ons één ding heeft geleerd, dan is het wel dat absolute waarheden leiden tot absolute gruwelen. Negenhonderd jaar geleden ging Godfried van Bouillon vergezeld van honderdduizenden ridders en andere volgelingen op weg om met het zwaard in de ene en de bijbel in de andere hand ‘de waarheid’ te verkondigen. Die waarheid betekende dat islamieten heidenen en barbaren waren, nog net goed genoeg om te worden afgeslacht. De absolute waarheden van de Kerk van Rome leidden tot de Inquisitie; de vermeende superioriteit van het Arische ras, tot Dachau; de alwetendheid van de Partij, tot de Goelag; en het islamitische fundamentalisme leidde tot de Jihad en de Fatwah. Absolute waarheden bestaan alleen in de theoretische wiskunde en dan nog alleen maar omdat er een aantal axioma’s aan ten grondslag ligt. Dé waarheid kan alleen maar een optelsom zijn van verschillende waarheden, waarvan de inhoud wordt bepaald door tijd en plaats. Cruciaal is ‘de twijfel’. Natuurlijk kunnen we niet altijd overal aan twijfelen, want dan komen we nergens meer toe. Maar wél zullen we altijd de bereidheid moeten hebben vragen toe te staan, en nog beter: ze zelf te stellen. Velen geven graag de voorkeur aan een bekend probleem boven een onbekende oplossing. Maar wat vandaag nog onbekend, nieuw en vreemd is, kan morgen bekend en vertrouwd zijn.

Een maatschappij voor mensen

Eerder heb ik al betoogd dat ieder mens in eerste en in laatste instantie zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen leven en geluk (zie hoofdstuk 2). We worden ‘alleen’ geboren, we sterven ‘alleen’, en onze gevoelens worden wij individueel gewaar. Maar de mens is ook een sociaal wezen, wij leven samen. De overheid hebben wij opgedragen namens de gemeenschap een aantal dingen te verzorgen zoals het waken over het algemeen belang voor nu en voor de langere termijn. De overheid wordt daartoe door de burgers eens in de zoveel jaar bij verkiezingen gelegitimeerd. Bij de uitoefening van haar taken behoort de overheid rekening te houden met de waarden die algemeen in de samenleving leven, zoals respect voor de waardigheid van het individu en de gelijkwaardigheid van alle mensen.
Wat socialisten en liberalen tot elkaars tegenstrevers maakt, is niet de wens zoveel mogelijk aan de mensen zelf over te laten en te volstaan met een zo klein mogelijke overheid: de weerzin tegen betutteling en paternalisme is een gemeenschappelijke. De hoofdtegenstelling tussen liberalen en socialisten zit op het punt van wat gemeenschappelijk zou moeten worden gedaan en wat zich zonder bezwaar in de samenleving zelf kan uitkristalliseren. Het voornaamste verschil van opvatting heeft betrekking op de plaats van de economie, de kurk waarop de samenleving drijft, en de plaats van de overheid. Waar liberalen de economie primair zien als een vrijplaats voor investeerders, zeggen socialisten dat de economie te belangrijk is om de macht erover in handen te laten van enkelen. Hoe kan men zeggen te hechten aan de democratie en tegelijkertijd eisen dat de belangrijkste voorwaardenschepper buiten de invloedssfeer van die democratie blijft? Waarom de democratie de handen op de rug binden en het democratisch proces frustreren? Wat wij jaarlijks ‘als land’ produceren is het resultaat van gezamenlijke inspanning. Waarom dan de beslissing over wat en hoe we produceren en wat we doen met de revenuen van onze gezamenlijke inzet overlaten aan investeerders die alleen rekening (kunnen) houden met hun eigen, beperkte privé-belangen? De eigendomsverhoudingen zoals we die nu kennen, beletten de overheid de besluiten te nemen die nodig zijn. Ze maken het, om nog maar eens een voorbeeld te noemen, onmogelijk om mensen die – om wat voor reden dan ook – tijdelijk of definitief minder produktief zijn toch werk te geven, zodat ze voor zichzelf kunnen zorgen en een bijdrage kunnen leveren aan onze gemeenschappelijke rijkdom. We worden nu al jaren achtereen geconfronteerd met een groeiend gat tussen enerzijds de collectieve armoede (tot uitdrukking komend in de niet-aflatende bezuinigingsdrift van de achtereenvolgende kabinetten) en anderzijds de groeiende rijkdom van enkelen. Zoals ik in hoofdstuk 2 heb laten zien, is de achterliggende redenering dat de collectieve lasten omlaag moeten ten behoeve van onze internationale concurrentiepositie. Maar van dat collectieve geld worden wel allerlei collectieve regelingen betaald, die – zoals iedereen weet – per definitie goedkoper zijn dan wanneer iedereen zijn eigen boontjes moet doppen. Natuurlijk is het macro-economisch goedkoper wanneer meer mensen en bedrijven gebruik maken van het openbaar vervoer. Natuurlijk is het goedkoper voor de samenleving als geheel wanneer iedereen automatisch onder dezelfde voorwaarden is verzekerd tegen ziektekosten. Sinds de tandzorg voor volwassenen uit het ziekenfonds is verwijderd, zijn de mensen die zich hebben bijverzekerd in totaal minimaal tweemaal zoveel kwijt als de ‘collectieve’ besparing van 420 miljoen per jaar. De reparatie van het wao-gat via de cao kostte volgens het fnv de samenleving in totaal één miljard meer dan toen de oude wao nog van kracht was. Termen als ‘Bruto Binnenlands Produkt’ en ‘collectieve lasten’ geven een totaal verkeerd beeld van de werkelijkheid. De arbeid verricht om varkens groot te brengen wordt netjes meegenomen in het bbp, zo niet de inzet van ouders verbonden aan het grootbrengen van hun kinderen. Met collectieve lasten worden de lasten bedoeld die richting overheid en sociale fondsen gaan, maar niet onze collectieve lasten – de optelsom van de geïndividualiseerde lasten – nodig om ons toegang te verschaffen tot de noodzakelijke voorzieningen. Het zijn allemaal financieel-economische begrippen die verwarring zaaien en niets te maken hebben met de werkelijkheid. Ze behoren tot het instrumentarium van de economen die van alles de prijs, maar van niets de waarde kennen.
In plaats van minder – zoals de liberalen willen – zou de overheid dus juist meer invloed moeten hebben op het economische reilen en zeilen. Niet als doel in zichzelf, maar om zich de mogelijkheden te verschaffen te doen waartoe zij door de burgers is gemachtigd. Het is de enige manier om het voor de overheid mogelijk te maken de integrale afwegingen te maken die nodig zijn om de samenleving voor iedereen menswaardiger te maken. Om de files terug te dringen moet er iets worden gedaan aan de mobiliteit. We zullen in de planologie wonen, werken en recreëren weer meer bij elkaar moeten brengen, en een eind moeten maken aan de nog altijd voortschrijdende concentratie van economische activiteit in de Randstad ten koste van de regio’s. Het zijn zaken waarop de overheid nu slechts marginale invloed kan uitoefenen.
Door de eigendomsverhoudingen aan te passen, veranderen ook de machtsverhoudingen: het primaat van de politiek kan eindelijk gevestigd worden. Betekent dat ook dat de politiek en de overheid alle macht aan zich moeten trekken? Nee, allerminst, want in het algemeen zouden mensen ook meer te zeggen moeten krijgen over hun eigen woon-, werk- en leefomstandigheden. Een vergaande democratisering is het enige effectieve antwoord op de individualisering en de fragmentarisering van de samenleving. Het democratisch proces brengt mensen bij elkaar. En dat niet alleen, het kan ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de kwaliteit van de besluiten. Het draagvlak ervan zal in ieder geval worden vergroot, net als de identificatie van de mensen met de publieke zaak. Bovendien verschaffen we ons door middel van het democratisch proces een infrastructuur die het mogelijk maakt de publieke moraal ‘te onderhouden’ en de overdracht ervan op nieuwe generaties – nu de ontzuiling bijna is voltooid – te stimuleren. Wat aan de mensen overgelaten kan worden, moet ook door de mensen zelf – individueel of collectief – worden bestierd. De overheid schept de voorwaarden, stimuleert, mobiliseert en coördineert. Deze overheid is primair een bondgenoot van mensen en niet een vreemde macht die mensen overheerst. Zij trekt zich de noden van de mensen aan, zij identificeert zich met hun lot en probeert veranderingen door te voeren die ten goede komen aan alle mensen.
Natuurlijk is Nederland geen eiland, en natuurlijk ligt een Alleingang van Nederland op al deze punten tegelijk niet voor de hand. Maar dat betekent niet dat er reden is te wanhopen. Want het proces van bewustwording van het feit dat we als mensheid kansen laten liggen, verloopt in ons land, en gelukkig ook daarbuiten, recht evenredig aan de groeiende invloed van het neoliberale denken en handelen. Zeker, de nederlaag is de moeder van de overwinning – maar het omgekeerde is net zo waar.