2. De teloorgang van de sociaal-democratie

‘Temidden van dit droevig toneel voelt de sociaal-democratie sterker dan ooit haar heilige roeping om uw ogen te wenden van het donkere heden naar een betere tijd, die komen moet en zal; naar het socialisme, dat uit lijden en strijden bloeit.’
Pieter Jelles Troelstra

Het was een toespraak die geen nieuws bevatte, maar desondanks voor flink wat ‘nieuws’ zorgde. Toen Wim Kok begin december 1995 in De Rode Hoed in Amsterdam zijn Den Uyl-lezing had uitgesproken, nam menig politiek redacteur opgewonden plaats achter zijn tekstverwerker om de wereld kond te doen van de jongste inzichten van de PvdA-partijleider. Wat had Kok gezegd? Bijvoorbeeld dit: ‘Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring.’ En verder: ‘Ik zeg het Paul Kalma na: “Een werkelijke vernieuwing van de PvdA begint met een definitief afscheid van de socialistische ideologie; met een definitieve verbreking van de ideologische banden met andere nazaten van de socialistische beweging.” Dit proces is – anno 1995 – nagenoeg voltooid.’14
De eerste man van de Partij van de Arbeid en de eerste-minister van het land, zo concludeerden de kranten, had afscheid genomen van het socialisme. Maar was dat nieuw? Bepaald niet. In de aanloop naar de verkiezingen in 1989 hield Kok, toen in de hoedanigheid van lijsttrekker van de PvdA, een toespraak voor Nijmeegse studenten. Hij zei toen ondermeer: ‘Wij spreken niet meer over een Visioen of over Het Alternatief van de Partij van de Arbeid. (¼) Er is geen alternatief voor de maatschappelijke constellatie die we nu hebben en dus heeft het geen enkele zin daarnaar te streven.’ Nog geen twaalf jaar eerder nam het congres van de PvdA een beginselprogramma aan dat een geheel andere geest ademde. Als één van de belangrijke doelstellingen van de partij werd toen geformuleerd ‘het in gemeenschapsbezit brengen van basisindustrieën, banken, pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen, de farmaceutische industrie, de wapenindustrie en andere ondernemingen’. Geen wonder dat de PvdA in 1996 besloot dat er maar eens een nieuw beginselprogramma moest komen. Want zo het oude programma al ooit enige betekenis had gehad, in de loop van de jaren tachtig is de PvdA een dusdanig andere koers ingeslagen dat de vraag al lang niet meer luidt of de partij nog socialistisch is, maar hooguit of zij nog wel sociaal-democratisch is.
De titel van Koks Den Uyl-lezing luidde ‘We laten niemand los’, en dát zou, als het waar zou zijn, wél nieuws zijn geweest. Want sinds de PvdA in 1989 toetrad tot het derde kabinet-Lubbers (‘Tijd voor een ander beleid’ luidde destijds de verkiezingsleuze), heeft de partij de ene na de andere groep van traditionele PvdA-stemmers losgelaten. Als gevolg daarvan lieten de kiezers op hun beurt de PvdA massaal los, waardoor de partij zeven verkiezingen op rij verloor. Dat Kok het desondanks tot minister-president schopte, is dan ook geen eigen verdienste maar stom toeval. Doordat het cda in 1994 nóg meer stemmen verloor dan de PvdA, werd die laatste partij de grootste en mocht dus het initiatief nemen bij de formatie. Al was er wel een interventie van de koningin voor nodig om Wim Kok en zijn PvdA het initiatief te laten behouden. Had informateur Tjeenk Willink de koningin na het mislukken van de eerste besprekingen tussen PvdA, VVD en D66 immers niet geadviseerd een informateur van VVD-huize te benoemen? In de beste traditie van de Oranjes besloot de koningin desalniettemin om aan PvdA’er Wim Kok de voorkeur te geven. Hij kreeg de opdracht voor het schrijven van ‘een proeve’ die als basis kon gelden voor gesprekken over het nieuwe regeerakkoord. Na het door Bolkestein opblazen van de eerste ronde van besprekingen zat de schrik er bij de aankomend premier al zo in, dat hij een concept schreef dat hoegenaamd zonder slag of stoot door de VVD werd omarmd. Waardoor Bolkestein later met recht van de daken kon schreeuwen dat dit paarse kabinet ‘een liberaal kabinet’ is.

Het marxisme en de scheiding der geesten

De transformatie van de PvdA van veranderingsgezinde partij naar een conservatieve, conformistische partij, begon in het begin van de jaren tachtig en heeft haar voorlopige voltooiing gekregen bij de totstandkoming van de paarse coalitie. Menig Binnenhof-watcher en menig aanhanger van ‘modern links’ heeft deze gedaanteverwisseling met applaus begroet. Zij zou de enig juiste ontwikkeling zijn nu door de ineenstorting van het Oostblok het ‘ongelijk van links’ onomstotelijk was komen vast te staan. Elke pretentie om de maatschappij te willen veranderen was toch immers in rook opgegaan nu het grootste politieke experiment aller tijden op de klippen was gelopen? De liberale democratie, zo luidde de conclusie, was het enig reële politiek-economische bestel gebleken. En dus koos de sociaal-democratische loot aan de socialistische stam ervoor geen deel meer te willen uitmaken van de politieke stroming die streeft naar, en zich inzet voor, een andere, betere samenleving. Wat we hebben is het best haalbare. Weg met de spanning tussen wat is en wat zou moeten zijn, weg met de onrust, weg met het ongeduld, en weg met het zoeken in het halfduister! Want dat is wat het socialisme altijd geweest is: een zoektocht naar een alternatief voor de kapitalistische samenleving.
Als reactie op het langzaam maar zeker vorm krijgen van het kapitalisme ontstond in de tweede helft van de vorige eeuw een tegenbeweging. Aanvankelijk was het verzet idealistisch van karakter en slechts gebaseerd op verontwaardiging over het onrecht dat zovelen werd aangedaan, maar al snel werd dat voorzien van een heuse wereldbeschouwing en ideologie. Marx en Engels waren op dat terrein ware voortrekkers. Vanuit een symbiose van de Duitse filosofie (Hegel, Feuerbach), het Franse socialisme (Saint-Simon, Fourier) en de Engelse economie (Ricardo, Smith) formuleerden zij hun ‘wetenschappelijk socialisme’. Zij hielden zich intensief bezig met de vraag waar de winst nu precies vandaan komt en hoe de waarde en de prijs van een waar precies tot stand komen. Ook gingen ze na wat de verhouding is tussen de ontwikkeling van de produktiemiddelen (gereedschappen en machines) en de ontwikkeling van de produktieverhoudingen (de verhouding tussen de bezittende en de niet-bezittende klasse) en onderzochten ze de relatie tussen de strijd voor het bestaan en de ideeën en opvattingen van mensen. Bovendien verdiepten Marx en Engels zich in de historie en stelden vast dat de ontwikkeling van de produktiemiddelen bepalend is geweest voor de ontwikkeling van de geschiedenis. Hun filosofie wordt het dialectisch materialisme genoemd en hun toepassing daarvan op de geschiedenis het historisch materialisme. Veel van wat zij ontdekten aan wetmatigheden heeft zijn juistheid bewezen, en grote delen van hun analyse van het kapitalisme hebben nog steeds waarde. Wel valt op de door hen geschetste toekomstverwachtingen veel af te dingen, met name waar het gaat om de noodzakelijkheid waarmee een bepaald scenario zich zou moeten ontrollen.
Dat de marxistische analyse in de tweede helft van de vorige eeuw zo aansloeg, had alles te maken met de vruchtbare grond waar de ideeën van Marx en Engels op terechtkwamen. Het ontluikende kapitalisme was oorzaak van veel armoede, ellende en onzekerheid. Mensen woonden en werkten in de meest erbarmelijke omstandigheden en de relatieve bescherming van de oude, feodale normen en waarden en verhoudingen was ingeruild voor pure winzucht van de nieuwe bourgeoisie. Boeren werden arbeiders, inderdaad bevrijd van de feodale ketenen, maar verder ook vooral ‘vrij’ van enig bezit. Alleen hun arbeidskracht was interessant voor de nieuwe economische macht van de industriëlen en daar werd dan ook volop gebruik van gemaakt. Extreem lange werkdagen, geen vrije dagen, kinderarbeid, en levensgevaarlijke arbeidsomstandigheden waren de regel. Gaandeweg vond het marxisme meer en meer aansluiting bij de groeiende arbeidersbeweging en won daardoor aan kracht. Maar al aan het eind van de vorige eeuw begon zich binnen de socialistische beweging een scheiding der geesten af te tekenen. Globaal bestonden er twee hoofdstromingen: de ene stond een ‘zuiver’, radicaal socialisme voor, terwijl de andere pleitte voor een gematigde variant, de sociaal-democratie. De eerste stroming ging ervan uit dat het kapitalisme gedoemd was ten onder te gaan en te worden vervangen door een nieuwe, socialistische orde, waarin het kapitaal niet langer zou toebehoren aan de uitbuitende klasse, maar aan de gemeenschap. De dictatuur van het proletariaat, zoals het reëel bestaande socialisme ook wel werd genoemd, zou het voorportaal zijn van een samenleving waarin ‘ieder geeft naar vermogen en neemt naar behoefte’ – het communisme. De sociaal-democratie behield lange tijd haar fundamentele bezwaren tegen het kapitalistische systeem, maar accepteerde uiteindelijk toch de kapitalistische eigendomsverhoudingen als een gegeven, en streefde zodoende vooral naar vermindering van de uitwassen van het systeem en verzachting van de gevolgen van het systeem voor de werkende klasse.
Net als andere Europese landen heeft ook ons land een breed spectrum van partijen voortgebracht ergens op de lijn tussen de eerste en tweede stroming. De belangrijkste representanten waren respectievelijk de cph, de latere cpn en de sdap, de latere PvdA. De cpn heeft zichzelf aan het eind van de jaren tachtig opgeheven en is opgegaan in GroenLinks. De PvdA bestaat nog wel, maar lijkt, nu de partij zich verbonden heeft aan het paarse experiment, definitief haar intrek te hebben genomen in een van de kamers van het liberale huis.
Bij zijn Den Uyl-lezing haalde Wim Kok met instemming enkele woorden aan van de man naar wie de lezingencyclus is genoemd:

In onze tijd wordt nogal eens de klacht gehoord, dat er zo weinig utopie meer is, dat de inspirerende kracht van het geloof in een andere en betere wereld, dat de generatie voor ons zou hebben bezield, thans ontbreekt. (¼) Daarin ligt voor mij geen reden tot ontmoediging of oorzaak van ontluistering. Integendeel. De wereld bewoonbaar en het bestaan leefbaar maken is een opdracht voor elke generatie.

Zoals gezegd kende de Nederlandse politiek in de jaren tussen 1950 en 1980 een sociaal-democratische consensus. De overheersende invloed van het sociaal-democratische gedachtengoed vond zijn ultieme beloning in de vorming van het kabinet-Den Uyl. De opbouw van de verzorgingsstaat, het paradepaardje van de sociaal-democratie, kreeg onder dit kabinet een enorme impuls. Paul Kalma, toenmalig adjunct-directeur van de Wiardi Beckman Stichting – het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid – schreef eind jaren tachtig een boekje met als titel Het socialisme op sterk water. Daarin beweerde hij dat alles waar het socialisme voor stond en streed werkelijkheid was geworden in het Nederland van de jaren zeventig en tachtig. Volgens hem kan de PvdA de huidige maatschappij maar beter als een gegeven accepteren, omdat ‘de partij bij een radicale maatschappijverandering langzamerhand meer te verliezen dan te winnen heeft’.15
Het enige probleem met de verzorgingsstaat was echter dat deze al zo snel na haar voltooiing weer ernstige tekenen van verval begon te vertonen.

De hogepriesters van de Kerk van Welzijn en Geluk

Noemde Wim Kok tijdens zijn Den Uyl-lezing de verzorgingsstaat nog ‘de mooiste prestatie van menselijke en georganiseerde wilsvorming’, voor de Socialistische Partij is hij altijd een second best-oplossing geweest. Dat wil zeggen: zo lang de kapitalistische economische orde gehandhaafd blijft, biedt de verzorgingsstaat de beste bescherming tegen de nadelen van die orde, maar een fundamentele en houdbare oplossing is hij niet.
Er zijn met de verzorgingsstaat altijd twee dingen mis geweest. Allereerst doet hij geen recht aan de menselijke waardigheid, en op de tweede plaats is hij uiteindelijk onbetaalbaar. Menselijke waardigheid is boven alles gebaseerd op de erkenning van de eigen verantwoordelijkheid van ieder individu voor zijn of haar eigen leven en geluk. De overheid heeft wel als taak om ieder individu optimale kansen te bieden om dat geluk te bereiken, maar zij heeft niet de plicht, noch is zij in staat, om ieder mens gelukkig te maken. In de doorgeschoten verzorgingsideologie van de jaren zeventig, ging men ervan uit dat de overheid die verantwoordelijkheid wél had. Ieder mens had recht op geluk, en de overheid wist hoe dat het best kon worden bereikt.
Met name onder invloed van Nieuw Links werden de pretenties van wat de overheid allemaal vermocht enorm opgepompt. Zo kon het gebeuren dat Hedy d’Ancona, de latere minister van wvc, in de jaren zeventig pleitte voor een staatsopvoeding, omdat de overheid beter in staat zou zijn de ideale nieuwe mens groot te brengen, dan de hopeloos ouderwetse ouders die hun dochters met poppen en hun zoontjes met autootjes lieten spelen.
Over de verstikkende geitenwollensokkencultuur die lange tijd kenmerkend was voor de welzijnssector, is de afgelopen jaren genoeg geschreven. Niemand gelooft meer dat een ‘brok begrip’ en een ‘stukje individuele begeleiding’ de oplossing zijn voor al het maatschappelijk en persoonlijk leed. Uit het oogpunt van menselijke waardigheid is ‘opvoeden tot weerbaarheid’ en mensen in staat stellen voor zichzelf op te komen veel belangrijker dan knuffelen, wat – zoals HP/De Tijd later eens schreef – niet zelden ontaardde in doodknuffelen. Maar zeker zo fnuikend als de wollen deken van de nieuwe, vaak fors betaalde kaste van welzijns- en opbouwwerkers, was de onverdraagzame gelijkhebberigheid van de hogepriesters van de Kerk van Welzijn en Geluk: de zich links noemende intellectuelen die tot ver in de jaren tachtig het politieke debat in Nederland beheersten. Zij creëerden een groot aantal taboes, waarmee zij het bespreken en daarmee ook het oplossen van allerlei problemen jarenlang in de weg hebben gestaan.
Een van de meest schrijnende voorbeelden van de gevolgen van de taboes van ‘links’ in die tijd, is ongetwijfeld de manier waarop het minderhedenvraagstuk tegemoet werd getreden. Onder invloed van het welzijnsdenken werd het lange tijd onnodig en vaak zelfs ongewenst gevonden dat de hier wonende Turkse en Marokkaanse gastarbeiders Nederlands zouden leren. Immers, de overheid zou in al haar goedertierenheid wel zorgen voor tolken en vertalingen. Wie suggereerde dat buitenlanders die zich hier permanent wilden vestigen, zich tot op zekere hoogte dienden aan te passen, werd overladen met pek en veren, zoals velen met mij hebben mogen ondervinden.
Al in 1982 signaleerde de Socialistische Partij dat er grote problemen dreigden te ontstaan in de oude wijken van de grote steden. Daar vestigden zich in hoog tempo veel allochtonen op een betrekkelijk klein gebied, zodat er getto’s dreigden te ontstaan waar allerlei problemen samenkwamen: een onevenwichtige opbouw van de bevolking, verpaupering, armoede, criminaliteit en werkloosheid – veel werkloosheid. Want hoewel de gemiddelde personeelsmanager in die jaren goed doorkneed was in alle mogelijke politiek-correcte sociale-academie-vaardigheden, en ongetwijfeld de Volkskrant las en De Telegraaf verfoeide, bleek de allochtoon toch bijzonder weinig kansen te hebben op de arbeidsmarkt. Vandaar dat de SP pleitte voor een actief integratiebeleid, waar niet alleen taallessen in zouden zijn opgenomen, maar ook cursussen om kennis te kunnen nemen van de hier geldende normen en waarden, rechten en plichten. Uiteraard zouden die cursussen niet gevolgd hoeven worden door diegenen die na jaren van arbeid in de Nederlandse industrie terug wilden keren naar hun eigen land. Het SP-rapport stelde voor om een deel van de bijdrage die deze mensen aan de Nederlandse welvaart hadden geleverd aan hen terug te betalen, zodat zij in hun land van herkomst voldoende middelen zouden hebben om een nieuw bestaan op te bouwen.
Het is nu nauwelijks meer voorstelbaar, maar in linkse kringen is de SP vanwege deze voorstellen jarenlang afgeschilderd als een crypto-racistische partij, een wolf in schaapskleren erger dan Janmaat en de CD, gevaarlijker dan Glimmerveen en zijn Nederlandse Volks Unie. De SP zou ‘oprotpremies’ willen betalen en ze zou racisme aanwakkeren door geen respect te hebben voor de eigen taal en cultuur van buitenlanders – die je overigens niet meer zo mocht noemen, omdat de linkse schriftgeleerden hadden besloten dat zij voortaan ‘medelanders’ moesten heten.
Wat deze tragische gang van zaken vooral laat zien, is hoe volstrekt wereldvreemd de sociaal-democratie van de PvdA tot en met de voorlopers van GroenLinks aan het begin van de jaren tachtig geworden was. De kloof tussen het eigen, idealistische gedachtengoed en de werkelijkheid buiten de studeerkamer was welhaast onoverbrugbaar groot geworden. Wie niet horende doof en ziende blind is kan zelf vaststellen dat de integratie van de voormalige gastarbeiders volledig is mislukt. Ondanks de vele miljarden die gestoken zijn in de begeleiding, lees betutteling, van deze mensen. Pas halverwege de jaren negentig – vijftien jaar te laat – besloot men de ideeën die de SP al in het begin van de jaren tachtig naar voren had gebracht uit te voeren: de inburgeringscontracten. Ze heten nu een uitvinding van Bolkestein te zijn. Maar ondanks de doorbraak van het realisme op dit punt, is er nog steeds sprake van een hoge mate van cynisme als het over de minderheden gaat. Nog steeds is het segregatieproces langs etnische lijnen niet tot staan gebracht: we hebben witte en zwarte wijken en de zwarte wijken worden nog steeds zwarter, we hebben witte en zwarte scholen en de zwarte worden nog steeds zwarter.
De onstuitbare opkomst van de sociaal-technocraten

De verzorgingsstaat had niet alleen te lijden onder de te hoge pretenties en het wereldvreemde gedachtengoed waar hij zo nauw mee verbonden was. In het begin van de jaren tachtig werd tevens duidelijk dat hij onbetaalbaar dreigde te worden omdat hij een te groot beslag legde op de collectieve middelen. Juist in die tijd verkeerde Nederland – en Nederland niet alleen – in een diepe recessie. Massaontslagen waren aan de orde van de dag en daarmee namen de aanspraken op de sociale fondsen recht evenredig toe. De concurrentiepositie van Nederland kwam in het geding, wat algemeen tot de conclusie leidde dat de lasten (belastingen en premieheffingen) op arbeid in ons land te hoog waren. De verzorgingsstaat moest eraan geloven. Rechten mochten niet langer ‘verworven rechten’ genoemd worden. Niets was meer vanzelfsprekend en de sociale zekerheid veranderde in razend tempo in sociale onzekerheid.
Hier komen we bij het tweede structurele manco van de verzorgingsstaat: binnen het kapitalistische systeem is hij uiteindelijk altijd onbetaalbaar. De verzorgingsstaat moet namelijk de klappen opvangen die het kapitalistische systeem uitdeelt ten tijde van economische tegenspoed. De middelen daartoe moeten echter voortgebracht worden door datzelfde kapitalistische systeem. En in tijden van tegenspoed wil dat systeem die middelen juist aanwenden ten behoeve van zichzelf. De combinatie van deze twee zwakheden (de wereldvreemdheid en de onbetaalbaarheid) verklaart in grote mate de Titanic-achtige ondergang van het sociaal-democratische vlaggeschip in de jaren tachtig. Net als bij de Titanic waren het ook hier de eersteklaspassagiers die het vege lijf wisten te redden, ten koste van de arme sloebers op het benedendek.
De populariteit van links onder de intellectuelen van de jaren zeventig, leidde ertoe dat zich in de jaren tachtig een geheel nieuwe lichting PvdA-bestuurders aandiende. Deze hoog-opgeleide aanstormende talenten maakten optimaal gebruik van de verwarring waarin de partij verkeerde na de stukgelopen onderhandelingen over een tweede kabinet-Den Uyl. Het akkoord dat Wiegel en Van Agt in 1977 onder het genot van een copieuze maaltijd in Le Bistroquet bereikten, leidde tot grote frustraties bij de zittende partijtop. En terwijl Joop den Uyl in de Tweede Kamer knarsetandend en geforceerd oppositie voerde, zagen de jonge honden uit de lagere echelons hun kans schoon in de gemeentebesturen. Daar, in de lokale en regionale politiek, bleken ideale carrièremogelijkheden te liggen. De veranderende tijdgeest maakte dat persoonlijke ambitie niet langer een verdachte karaktereigenschap was voor een politicus, en bovendien werd het oude aanzien van bedrijfsleven en ondernemerschap in rap tempo hersteld. En dus konden de Walter Etty’s en André van der Louws van de PvdA hun werkterrein moeiteloos verleggen van sociaal-democratische zorgenkindjes als de volkshuisvesting en gezondheidszorg, naar meer aansprekende prestigeprojecten als de Amsterdamse IJ-boulevard, het Rijnoever-project in Arnhem en de Rotterdamse Kop van Zuid.
Deze ‘sociaal-technocraten’ smeedden hun kiezersmandaat in korte tijd om tot een ideale springplank voor een glanzende maatschappelijke carrière. Van het bestuurderspluche bleek het slechts een kleine stap naar talloze andere interessante functies als het voorzitterschap van een sportbond of omroepvereniging, een adviseurschap in het bedrijfsleven of een ambtelijke topfunctie op een van de ministeries. Dat de traditionele PvdA-achterban zich meer en meer in de steek gelaten voelde, was natuurlijk wel vervelend, maar niet rampzalig. De PvdA werd van massapartij gewoon kaderpartij. Voor het contact met de kiezer werden professionals ingehuurd: marketing- en communicatiedeskundigen, marktonderzoekers, opiniepeilers en reclamemakers. Bovendien, de partij had inmiddels vastgesteld dat het, indien men electoraal wilde overleven, zaak was zich meer te gaan richten op de middengroepen. Daarom was het nodig de oude ‘strijdpunten’ overboord te zetten en ook politiek meer op te schuiven naar het midden. Daar was het weliswaar al bijzonder druk, maar je kon je er tenminste nooit een buil vallen. Want zolang je roept wat iedereen al vindt en zolang je nooit iets belooft, zul je ook nergens op kunnen worden afgerekend. Vanaf het midden van de jaren tachtig stond voor de PvdA één ding vast: er moest geregeerd worden, wat de prijs ook zou zijn.
Wie de serie interviews nog eens naleest die PvdA-voorzitter Rottenberg na de verkiezingen van 1994 gaf aan Het Parool, zal zien dat de ‘Kies Kok’-campagne tot in de details was doordrenkt van de filosofie van ‘zeg-maar-niks-dan-zeg-je-ook-niets-verkeerds’. Het was ook de ‘verdienste’ van Rottenberg dat in 1994 de nieuwe generatie carrière-politici kon doorbreken op landelijk niveau. De daarop volgende keuze voor het neoliberalisme van paars was niet meer dan een logische volgende stap in de ontideologisering van de sociaal-democratie.

De laatste sociaal-democraten

Maar hoe zit het dan met de gloedvolle betogen die zo nu en dan verschijnen in kranten, weekbladen, of zelfs in boekvorm, van sociaal-democraten-in-hart-en-nieren als Thijs Wöltgens en Ruud Vreeman? Roepen zij niet op tot eerherstel voor de verzorgingsstaat? En bekritiseren niet ook zij het neoliberalisme?
Om met de eerste te beginnen: in zijn meest recente boek De nee-zeggers schrijft Wöltgens enkele zeer behartenswaardige dingen over het neoliberalisme. Bijvoorbeeld dit:

Het neoliberalisme is een aards geloof met totalitaire ambities. Het verdoemt de mensen tot een vrijheid, die door de meesten als dwang tot aanpassing wordt ervaren. De vrijheid om je tegen die aanpassing te verzetten wordt ontkend of onhoudbaar geacht of onmogelijk gemaakt. Het extreme individualisme (¼) ontkent de mogelijkheid om enig menselijk handelen buiten markt en ruil te plaatsen.16

Het probleem is alleen dat Wöltgens zich pas luid en duidelijk is gaan uitspreken, nadat hij door Felix Rottenberg uit het brandpunt van de politieke besluitvorming was verdreven. Als senator en burgemeester van Kerkrade is het kennelijk makkelijker om vrijuit je mening kenbaar te maken dan als voorzitter van de Tweede-Kamerfractie. En dan nog wordt die mening hem door zijn partijgenoten niet bepaald in dank afgenomen. Samen met twee andere kritische geesten binnen de PvdA van de midden jaren negentig, Paul Kalma en Bart Tromp, zou Wöltgens zich in de zomer van 1996 gaan wijden aan het schrijven van een nieuw beginselprogramma. Van het begin af aan viel dat niet bij iedereen in goede aarde. Zoals Bart Tromp in Elsevier constateerde: ‘In de jaren zeventig en tachtig werden wij gerekend tot de uiterste rechtervleugel van de partij. Het is nogal ironisch dat wij nu in de PvdA gezien worden als “het gevaar van links”.’17 Kort na het verschijnen van Wöltgens boek, werd het driemanschap van de opdracht afgehaald. De discussie over het beginselprogramma is door het partijbestuur verschoven tot na de volgende verkiezingen.
En Ruud Vreeman, de oud-vakbondsstrijder en vice-voorzitter van de PvdA? Zijn boek Zonder rood geen paars18 bevat een aantal interessante beschouwingen en hetzelfde geldt voor de artikelen die hij regelmatig voor dagbladen schrijft. Jammer alleen dat er zo’n groot verschil bestaat tussen de teneur van de artikelen, en de opstelling van de auteur als het er echt op aankomt. Alle door het kabinet-Kok doorgevoerde verslechteringen hebben tot dusver kunnen rekenen op de loyale steun van de voltallige PvdA-fractie, inclusief Ruud Vreeman. Alleen op het punt van de privatisering van de Ziektewet stemde Vreeman tegen. Hij had ten tijde van het opstellen van het regeerakkoord een aantekening laten maken dat hem dat toch te ver ging.
Er bestaat binnen de PvdA ongetwijfeld nog een hoop goede wil, en de tranen die het kamerlid Adelmund vergoot over de teloorgang van de wao kwamen zonder twijfel voort uit oprechte twijfel en diep-gevoelde frustratie, maar de harde werkelijkheid is dat de partij zich bij de onderhandelingen over het paarse regeerakkoord de handen op de rug heeft laten binden door Bolkestein. Men heeft zich gebonden aan een neoliberale koers en wil, zoals Wallage dat eens zei ‘een betrouwbare coalitiepartner zijn’ – alle mooie woorden buiten de Kamer ten spijt. Daar wekt men nu de indruk zich te voelen als een burgemeester in oorlogstijd. Wanneer PvdA-kamerleden door hun eigen achterban worden aangesproken op het beleid van paars, zeggen zij vaak: ‘Zonder ons zou het nog slechter zijn.’ Maar dat is net zoiets als tegen mensen in de regen zeggen: ‘Wees blij dat het niet hagelt.’
Het is onduidelijk of er voor de PvdA nog een toekomst is als grote, progressieve volkspartij. De partij heeft de laatste jaren zeer fors ledenverlies geleden en het lijkt erop dat juist de mensen die nog in staat waren de koers van de partij te corrigeren, als eersten zijn vertrokken. Sommigen pleiten nu voor een samengaan van de PvdA met delen van D66, GroenLinks en verlichte geesten uit de VVD. Programmatisch lijken er geen onoverkomelijke bezwaren tegen zo’n vergaande stap, maar organisatorisch ligt dat misschien anders – er zijn nogal wat belangrijke posities in het geding.

De vakbond als sociale ANWB

Van oudsher is de PvdA altijd nauw verbonden geweest met de vakbeweging. Wim Kok, Elske ter Veld, Ferd Crone, Ruud Vreeman, Karin Adelmund, zij bekleedden alle vijf vooraanstaande functies bij de fnv, voordat zij de overstap maakten naar de landelijke politiek. Maar niet alleen in personele zin, ook in politiek opzicht hebben de PvdA en de vakbeweging – in het bijzonder het nvv en later de fnv – veel gemeenschappelijk. Ze maakten beide immers deel uit van de machtige rooie, sociaal-democratische zuil. Maar zoals de successen van de sociaal-democratie vaak werden bevochten door de vakbonden, zo hangt ook de teloorgang ervan samen met de steeds verder afnemende strijdlust van de bonden. Toen Joop den Uyl en zijn toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken Ien Dales in 1982 wilden dat de verplichting voor werkgevers om het ziekengeld aan te vullen tot 100 procent van het nettoloon uit de cao’s zou verdwijnen, kwam de vakbeweging massaal in opstand. De Ziektewet bleef onaangetast. Hoe anders was dat in 1995. Opnieuw was het een sociaal-democraat op het ministerie van Sociale Zaken, deze keer Ad Melkert, die de Ziektewet onder vuur nam. Zijn plannen gingen aanzienlijk verder en kwamen in feite neer op een afschaffing van de collectieve Ziektewet. Bedrijven moesten voortaan zelf opdraaien voor de doorbetaling van het loon voor de zieke werknemer gedurende de eerste twaalf maanden. En wat deed de vakbeweging? Zij betoonde zich bij monde van fnv-voorzitter Stekelenburg ‘verontrust’, maar acties, laat staan stakingen, werden er niet georganiseerd. abva-kabo voorzitter Vrins formuleerde het zo: ‘Wij hebben de inschatting gemaakt dat je tegen de Ziektewet-plannen geen honderdduizenden mensen het Binnenhof op krijgt. Nog afgezien van de vraag of dat iets geholpen zou hebben.’19 Gevolg van de stilte aan het front was in ieder geval dat de plannen van Linschoten en Melkert zonder kleerscheuren door het parlement konden worden geloodst, zij het met slechts de stemmen van de coalitiepartijen vóór.
Een belangrijk omslagpunt in de houding van de vakbeweging is ongetwijfeld de wao-crisis geweest. Toen het kabinet-Lubbers iii (waarin Wim Kok minister van Financiën en vice-premier was en Elske ter Veld staatssecretaris van Sociale Zaken) in 1991 de wao op de helling zette, was de maatschappelijke verontwaardiging zo groot, dat de bonden zonder moeite een kwart miljoen mensen op het Malieveld bijeen kregen om tegen die ingrepen te protesteren. Vervolgens gebeurde er echter niets meer. De PvdA ging bijna aan haar eigen verdeeldheid ten onder, maar de wao-plannen werden gewoon doorgedrukt. En al die mensen die op het Malieveld hun woede hadden getoond, moesten vaststellen dat de bonden zich zonder slag of stoot gewonnen gaven. Een strategische blunder die niet zonder gevolgen zou blijven: bij alle volgende maatregelen ter ontmanteling van de sociale zekerheid en de collectieve voorzieningen hebben de vakbonden nog slechts een marginale rol kunnen spelen.
Nu wordt er binnen de vakbeweging bepaald niet eensgezind gedacht over de toekomst van het sociale zekerheidsstelsel. De privatisering wordt door sommigen verfoeid, maar door anderen juist omarmd. Steeds vaker wordt er door vakbonden, bijvoorbeeld de Industriebond fnv, gepraat over het zogenaamde cappuccino-model. Daarin stelt de overheid via wettelijke maatregelen het minimum vast, de bodem in de sociale zekerheid, ‘de koffie’. Vervolgens zorgen bedrijven en bonden via collectieve afspraken voor ‘de melk’, zoals is gebeurd bij de reparatie van het wao-gat. Het ‘toefje cacao’ wordt gevormd door de individuele verzekeringen die mensen zelf daarnaast nog naar keuze kunnen afsluiten. Dit model komt dicht in de buurt van het door de VVD bepleite ministelsel en is een forse stap terug: in plaats van 70 procent van het laatst verdiende loon ben je nog slechts verzekerd van een minimumuitkering, en het oude niveau kan slechts in het kader van de cao worden terugbevochten. Dat het model toch grote aanhang geniet bij veel bondsbestuurders, heeft ermee te maken dat een goede cao zo nog belangrijker wordt. En door het bevechten van extra voorzieningen voor werknemers via de cao-onderhandelingen kan de vakbond meer ‘smoel’ krijgen en zijn bestaansrecht nog eens onderstrepen. Maar één miljoen werknemers vallen onder geen enkele cao, wat zal er dan met hen gebeuren? En wat zal er gebeuren in sectoren waar de vakbeweging om wat voor reden dan ook geen echte vuist kan maken en dus ook niet in staat is een collectieve reparatie in de cao af te dwingen?
En daar blijft het niet bij: Proteq, het verzekeringsbedrijf voor fnv-leden, sluit steeds meer individuele verzekeringen af die nodig zijn geworden als gevolg van de verslechteringen in de sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld de Nabestaandenwet. Ook voor een aanvullende verzekering, nodig omdat steeds meer zaken uit het ziekenfondspakket worden geschrapt, kan men bij de vakbond terecht. Op deze manier krijgt de vakbond verschillende rollen en verschillende belangen, die op sommige punten onderling strijdig zijn. De fnv heeft al laten weten dat wanneer – als gevolg van de invoering van de nieuwe Ziektewet – de werkgevers weigeren om het ziekengeld aan te vullen tot 100 procent, de vakbeweging een collectieve verzekering voor de leden nadrukkelijk wil overwegen. Een bepaling in de cao heeft weliswaar nog steeds de voorkeur, maar een alternatief ligt er al. De vakbeweging raakt op deze wijze steeds verder af van haar oorspronkelijke doelstelling, het bevechten van goede, algemene, wettelijke regelingen, en gaat steeds meer lijken op de Amerikaanse vakbonden. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit het pleidooi van de cnv Industrie- en Voedingsbond om vakbondsleden bij reorganisaties privileges te geven, en exclusief voor leden speciale banenplannen in het leven te roepen.
De geschiedenis van de vakbeweging in Nederland beslaat zo’n honderd jaar, een eeuw van strijd voor rechtvaardigheid, voor emancipatie van de arbeidersklasse en voor solidariteit. Op vaak onverschrokken wijze, met de moed der wanhoop en tegen hun eigen, korte-termijnbelang in hebben duizenden en duizenden mensen voor diegenen die na hen kwamen veel in de wacht gesleept. Maar ook de vakbeweging lijkt niet te zijn ontsnapt aan de ‘professionalisering van de strijd’ en het sociale-academievirus. Velen op de werkvloer associëren de tegenwoordige vakbeweging met betaalde bestuurders in moderne outfit, met wollig taalgebruik en spiegelende kantoorgebouwen. En dat is een treurige ontwikkeling. De vakbond is net als de strijd voor betere arbeidsvoorwaarden immers niet alleen iets vóór de mensen, maar vooral ook ván de mensen.
Net als in veel andere westerse landen laat ook hier de vakbeweging zich steeds meer uit de traditionele rol van ‘het sociale geweten der natie’ drukken. Van een beweging die trachtte de solidariteit tussen arbeiders – of ze nu werk hadden of niet – te vergroten, dreigt de vakbeweging zich te ontwikkelen tot een soort sociale anwb, een belangenbehartiger voor met name de eigen leden. Van een visie op een betere samenleving is steeds minder zichtbaar. Daarom schikt men zich ook steeds meer naar de wensen van het bedrijfsleven en naar wat het huidige systeem van arbeiders verlangt. Daarom werken de bonden mee aan verlenging van de bedrijfstijden, de flexibilisering, en het creëren van lagere schalen voor aanvangslonen in de cao. Van offensief is de vakbeweging defensief geworden. Van strijdorganisatie is zij veranderd in een overlegmachine met bureaucratische trekjes. In het concept voor de nieuwe Grondslag van de fnv die in 1997 van kracht wordt, stelt het bestuur dat de vakbond afstand moet nemen van het streven naar een allesomvattende maatschappijhervorming. Haar inzet zal zich in het vervolg beperken tot ‘het arbeidsbestel’. Volgens het bestuur is er geen behoefte meer aan een vakbeweging die zich opstelt als een brede maatschappelijke beweging.20 En dat zeggen Stekelenburg en de zijnen juist in een tijdsgewricht waarin het neoliberalisme aan een onstuitbare opmars bezig is. Waarin dankzij de slogans ‘ieder voor zich’ en ‘meer markt en minder overheid’, individualisme definitief boven solidariteit lijkt te zijn verheven. In plaats van zich aan te passen aan de neoliberale trend, zou de vakbeweging leiding moeten geven aan een breed tegenoffensief. Daarbij zouden de lessen uit de honderdjarige vakbondsgeschiedenis zeer van pas kunnen komen. Want strijdbaarheid, visie, belangeloze inzet, eenheid en organisatie zijn nog steeds de ingrediënten voor een succesvolle sociale beweging.

De ondergang van het ‘reëel bestaande socialisme’

Op de kortstondige opstand van de Parijse Commune in 1870 na, was de Russische oktoberrevolutie in 1917 de eerste poging het ideeëngoed van het socialisme in praktijk om te zetten. Wat aanvankelijk begon als een revolutie tegen de absolute macht van de tsaren en de onbeschrijflijke uitbuiting van met name de arme boeren, leidde uiteindelijk tot een machtsovername door de bolsjewieken. De ‘dictatuur van het proletariaat’ was gevestigd, maar voor hoe lang? Het land was volkomen geïsoleerd en van vele kanten werd de nieuwe staat aangevallen. Hij verkeerde lange tijd in oorlog met zijn belagers, die het experiment zagen als een bedreiging. Dat laatste was overigens niet geheel ten onrechte, want de nieuwe staat kon ook in West-Europa aanvankelijk rekenen op grote sympathie onder het linkse volksdeel.
Die sympathie is bij velen (te) lang blijven bestaan als gevolg van naïviteit en selectieve verontwaardiging. Want al snel werd duidelijk tot wat voor weerzinwekkende uitwassen de geïnstitutionaliseerde revolutie en de rigide opstelling van partij en staat leidden. De ondergang van het Sovjet-model is ongetwijfeld in hoge mate veroorzaakt door de centralistische manier waarop de samenleving was georganiseerd en de buitensporige macht en welvaart voor de nomenklatoera. Ten onrechte is er in de ussr en in de andere landen die dit model – al dan niet vrijwillig – overnamen, vanuit gegaan dat een gemeenschappelijk bezit van de produktiemiddelen automatisch een centraal geleide economie moest inhouden, dat elke vorm van privé-eigendom van produktiemiddelen uit den boze was, en dat marktwerking per definitie en onder alle omstandigheden afgewezen moest worden. Het dirigisme vanuit Moskou bracht een bureaucratie voort die zichzelf in de weg zat en een flexibel optreden uitsloot. Je kan zeggen dat alle mooie idealen van de beginperiode zijn bezweken onder het gewicht van de dictatoriale bureaucratie. Bovendien werd er, als gevolg van de regelzucht, onvoldoende ruimte gegeven aan de creativiteit van mensen. Sterker nog: eigen initiatief werd niet beloond, maar bestraft. Daardoor kwam de menselijke waardigheid en de daaraan verbonden eigen verantwoordelijkheid in het gedrang. Men is niet in staat gebleken het potentieel aan energie, ideeën en goede wil, voortkomende uit die eigen verantwoordelijkheid, aan te boren ten behoeve van het algemeen belang. De Sovjet-staat was zo gepreoccupeerd met vijanden van buiten en later ook binnen het systeem, dat alle kritiek en elke vorm van oppositie in de kiem werden gesmoord. In plaats van de vrije gedachtenwisseling kwam de ijzige kou van de absolute waarheden, verwoord door de partij. De leidende rol van de partij werd zelfs in de grondwet verankerd, waardoor de partijleiders geen moeite meer hoefden te doen om hun autoriteit te verwerven door hun woorden en hun daden.
Dat dit systeem ten slotte ten onder ging, is dus geen verlies voor diegenen die een vrijheidslievend socialisme nastreven. Maar het betekent evenmin ‘het einde van de geschiedenis’ zoals Fukuyama heeft betoogd. Diens constatering dat de wereld thans geen grote ideologische tegenstellingen meer kent, en dat er dus geen wezenlijke veranderingen meer nodig zijn, gaat er bij de neoliberalen in als koek. Maar die stelling valt ongetwijfeld aanzienlijk moeilijker uit te leggen aan de armen in Colombia, de daklozen in New York, de kind-arbeiders in Calcutta of (om dichter bij huis te blijven) de moeder in de bijstand die haar kind niet de opleiding kan laten volgen die ze graag zou willen. Armoede en uitbuiting zijn aan het einde van de twintigste eeuw nog even actueel als honderd jaar geleden. Het socialisme stelt daar een maatschappijvisie tegenover waarin menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit centraal staan. Hoe die visie op de drempel van de 21ste eeuw omgezet kan worden in daadwerkelijke verbetering en verandering van de samenleving, is de belangrijkste vraag waarvoor socialisten overal ter wereld zich op dit moment gesteld zien. Zoals het liberalisme zich in de afgelopen decennia heeft ontwikkeld tot het neoliberalisme, zo zullen ook degenen die een samenhangend, eigentijds antwoord willen vinden op de problemen van vandaag en morgen, bereid moeten zijn van fouten te leren en te werken aan een hernieuwde opleving van het socialisme – of, zo u wilt, aan een neosocialisme.