3. De onmacht van het volk

‘De logica van het opnieuw invoeren van het censuskiesrecht is evident: als de kloof tussen arm en rijk groter wordt, en het onderwijs aan de armste groepen verslechtert, dan komt er een moment waarop liberale democraten wel met zulke voorstellen moeten komen.’
Meindert Fennema

Ooit vertelde Wim Kan hoe hij in een woordenboek de betekenis van het woord ‘democratie’ had opgezocht. Democratie, zo ontdekte Kan, betekent dat wat het volk wil, gebeurt. Sindsdien las hij elke ochtend vol verbazing in de krant wat hij nu weer wilde.
Wim Kan is inmiddels al lang overleden, maar de grap is nog even actueel als toen hij hem voor het eerst vertelde. Steeds minder mensen lijken zichzelf te herkennen in de besluiten die in politiek Den Haag worden genomen. Hoewel de Tweede Kamer officieel wordt bevolkt door volksvertegenwoordigers en hoewel het volk minstens een keer per vier jaar de kans krijgt om de samenstelling van die Kamer te wijzigen, lijkt het democratisch gehalte van de Nederlandse samenleving achteruit te gaan. Steeds vaker wordt er bezorgd gesproken over de kloof tussen burger en politiek. Waar komt die kloof vandaan? En wat valt eraan te doen? Wat is de rol van politieke partijen?
Ooit waren politieke partijen exponenten van bepaalde ideologische opvattingen en tevens de belangrijkste intermediair tussen bestuur en burger. Beide betekenissen lijken zij steeds meer te hebben verloren. Het lijkt er soms op dat ze zich aan het omvormen zijn tot een soort veredelde outplacementbureaus voor politieke carrièremakers. Voor een visie op de langere termijn hoef je bij de meeste partijen niet meer aan te kloppen en echt investeren in de relatie met de burger doen ze ook al niet meer. Op belangrijke ontwikkelingen in de samenleving lijken zij geen invloed meer te kunnen of willen uitoefenen. Het gevolg is dat steeds minder mensen zich geroepen voelen zich bij een politieke partij aan te sluiten. En zo is de cirkel rond: hoe minder politieke partijen geworteld zijn in de samenleving en hoe minder ze rechtstreeks contact met de mensen onderhouden, hoe minder ze ook oog hebben voor de misstanden in de samenleving, en hoe minder ze rekening houden met de problemen van de meeste mensen. En hoe minder ze dát doen, hoe minder mensen nog geïnteresseerd zijn in een gang naar de stembus. Zowel de Democratische Partij van Bill Clinton in de VS als New Labour onder Tony Blair in het Verenigd Koninkrijk, en ook de Partij van de Arbeid van ‘rood-wit-blauw Wim Kok’ in Nederland schuiven steeds meer op in de richting van het politieke midden om daarmee de middenklasse te behagen en voor zich te winnen. De traditionele achterban en hún belangen worden steeds meer veronachtzaamd. De hoop deze mensen nog naar de stembus te krijgen is opgegeven. Maar door die veronachtzaming gaan er bij elke volgende verkiezing wéér minder mensen naar de stembus, waar de partijen dan weer een bevestiging van de vermeende juistheid van hun politieke strategie aan ontlenen. Hoe kan anders verklaard worden dat Bill Clinton de moed heeft om aan de vooravond van de verkiezingen in het najaar van 1996 een welfare reform voor te stellen die zijn weerga niet kent: de mogelijkheid voor de afzonderlijke staten om sociale uitkeringen aan jonge, ongetrouwde moeders stop te zetten; de beperking van de tijd waarin je als werkloze een uitkering kan ontvangen; het gedurende de eerste vijf jaar ontzeggen van elke vorm van bijstand aan immigranten; het ontzeggen van financiële noodhulp en voedselbonnen aan ex-gevangenen en drugsverslaafden; en het verminderen van de voedselbonnen voor de mensen die onder de armoedegrens leven, waaronder 6,5 miljoen bejaarden? Electoraal niet handig, zou je zeggen, tenzij je meer steun verwacht van de middenklasse en de rijken dan van de mensen die traditioneel de Democratische Partij haar machtsbasis gaven.

Het Hans van Mierlo-effect en de veramerikanisering van de politiek

In het najaar van 1995 viel mij de eer te beurt een toespraak te mogen houden op een bijeenkomst van de Jonge Democraten, de jongerenorganisatie van D66. Behalve dat ik verguld was met de uitnodiging (zo vaak krijg ik niet de kans een gehoor toe te spreken van wie niemand ooit op de SP heeft gestemd), was ik ook enigszins verbaasd. Nu D66 voor het eerst sinds jaren weer deelnam aan een kabinet, zou je toch denken dat er interessantere sprekers te vinden moesten zijn dan de fractievoorzitter van een kleine oppositiepartij. Maar navraag bij de organisatoren leerde dat de agenda’s van de Democratische bewindslieden helaas geen ruimte lieten voor een ontmoeting met de eigen jeugdige achterban.
Nu wilde het toeval dat het kabinet een dag eerder het lang verwachte besluit over de Betuwelijn had genomen. En het zal wel aan mijn achterdochtige geest te wijten zijn geweest dat ik het toch niet kon laten om in mijn toespraak te wijzen op een mogelijk verband tussen dat besluit en de weigerachtigheid van de D66-bewindspersonen. Immers, de aanleg van de Betuwelijn waartoe het kabinet besloten had, betekende de zoveelste deuk in het ooit zo gekoesterde groene imago van D66. Zeker door de Jonge Democraten moest dat toch met lede ogen zijn aangezien.
Nu is er geen partij in Nederland die zich de afgelopen decennia zo vaak bezorgd heeft getoond over het democratisch gehalte van de samenleving in het algemeen en de politiek in het bijzonder als D66. Kritiek op de disfunctionerende democratie is zo ongeveer de raison d’etre van de partij. Tegelijkertijd is D66 ook de partij die het duidelijkst illustreert wat er mis is met de rol die politieke partijen op dit moment in Nederland vervullen. Van oudsher spelen de politieke partijen een cruciale rol in de Nederlandse democratie. Het zijn de partijen die een analyse maken van de samenleving en die op basis van die analyse een visie ontwikkelen op de toekomst. De ideologie die een partij uitdraagt geeft de kiezer vervolgens een idee over wat hem te wachten staat als die partij gaat deelnemen aan de macht. Bovendien bieden de politieke partijen de burger de mogelijkheid om zélf aan die macht te gaan deelnemen: via de interne partijdemocratie kunnen leden immers op kandidatenlijsten terechtkomen voor verkiezingen op lokaal, provinciaal of landelijk niveau. Daarna doet de kiezer de rest.
Nu is het merkwaardige aan D66 dat de partij geen echte ideologie kent, nee sterker nog: er prat op gaat de eerste partij te zijn zónder ideologie. ‘D66 is geen ideologische partij, maar een partij van pragmatici,’ zeggen ze daar. Maar wat betekent pragmatisme anders dan dat je de status quo als enig denkbare werkelijkheid aanvaardt en daarop je politiek baseert? Maar waar blijft dan de kritische toets? Welk referentiekader hanteert men daar? Tekenend is waarschijnlijk dat D66 nooit een beginselprogramma heeft gehad. Maar natuurlijk heeft in feite ook D66 een ideologie: en wel de heersende liberale ideologie. Uit de naam blijkt dat de partij ‘democratisch’ is, maar met uitzondering van enkele extreem-rechtse splinterpartijtjes geldt dat voor alle politieke partijen in Nederland. Verder beroept D66 zich vooral op het gezond verstand als raadgever bij het besturen, maar ook daarvoor geldt: in die claim is zij bepaald niet de enige. In de jaren tachtig ging de partij enige tijd door voor een ‘groen’ alternatief. Maar toen werd ingestemd met gasboringen op Ameland en met de aanleg van een snelweg dwars door het natuurgebied Amelisweerd, nota bene uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van D66-minister Zeevalking van Verkeer en Waterstaat, kwam er al spoedig een einde aan dat imago. De enige constante bij D66 is eigenlijk het streven geweest naar staatsrechtelijke en bestuurlijke vernieuwing. Maar noch in de politiek, noch daarbuiten heeft men daar ooit de handen voor op elkaar kunnen krijgen.
En zo kwam het dat D66 de eerste partij werd waar de persoon van de lijsttrekker het in de beeldvorming won van de ideeën van de partij. Het waren achtereenvolgens Hans van Mierlo, Jan Terlouw en opnieuw Hans van Mierlo die D66 aan grote verkiezingsoverwinningen hebben geholpen. Dat in de campagnes onduidelijk bleef waar de partij nu precies voor staat, werd door de betrokkenen nooit als een bezwaar ervaren. En dat is begrijpelijk. Velen stemden begin jaren tachtig op D66 in de vaste overtuiging dat de partij tegen plaatsing van kruisraketten op Nederlandse bodem was. Ten onrechte. D66 en Van Mierlo, destijds minister van Defensie, waren vóór plaatsing.
Volgens Van Mierlo is het juist goed dat het in de politiek steeds meer om de personen gaat en steeds minder om de ideologie en de standpunten. De grote nadruk op personen en de daarbij horende mannetjesmakerij en image-building, kortom de veramerikanisering van de politiek, zou – zo is de opvatting – de kloof tussen politiek en burger verkleinen en de relatie tussen kiezer en gekozene verstevigen. De werkelijkheid laat echter precies het tegenovergestelde zien.
J.W. Oerlemans schreef in februari 1990 een inmiddels beroemd geworden artikel voor NRC Handelsblad onder de titel ‘Eén-partijstaat Nederland’. Kern van zijn betoog was dat alle grote partijen op elkaar zijn gaan lijken en inhoudelijk hoegenaamd niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Bij de verkiezingen van 1994 werd zijn gelijk onderstreept door de geringe verschillen tussen de verkiezingsprogramma’s. Geen van de grote partijen sloot dan ook vooraf een coalitie met een van de andere partijen uit. Het werden zonder twijfel de meest Amerikaanse verkiezingen die ooit in ons land werden gehouden. Want, om toch de schijn van een heuse verkiezingsstrijd op te kunnen houden, moesten de partijen hun toevlucht nemen tot het uitvergroten van de nog resterende minimale programmatische verschillen en tot het oppoetsen van de persoonlijke karaktereigenschappen van de eigen lijsttrekker. Daarbij konden zij rekenen op de loyale medewerking van de media. Om onduidelijke redenen besteden die in ons land altijd veel aandacht aan de beloftes in verkiezingsprogramma’s en veel minder aan de daden uit de voorafgaande kabinetsperiode en de vraag of men zich gehouden heeft aan de eerder gedane beloftes. Zo kon de PvdA blijven beweren een schild te zijn voor de zwakkeren, ondanks het feit dat de zittende cda-PvdA-coalitie aanzienlijk meer verslechteringen voor gewone mensen had doorgevoerd dan de voorgaande coalities van VVD en cda, en meer dan de PvdA bij de verkiezingen in 1989 de kiezer had verteld. Daarbij werd, zoals ik in het vorige hoofdstuk al aanstipte, vooral gegokt op de vertrouwenwekkende en ‘presidentiële’ uitstraling van Wim Kok. Het cda gokte op de aantrekkingskracht van Elco Brinkman (met zijn Brinkman-shuffle, het Brinkman-fotoboek, de Brinkman-touringcar en zijn aquarellerende vrouw Janneke) en verloor mede daardoor de verkiezingen. En passant liet het cda daarmee zien hoe hachelijk het is om als politieke partij afhankelijk te worden van één enkele persoon. Ook aan Lubbers werden in een zeer recent verleden presidentiële kwaliteiten toegedicht, maar al voor zijn afscheid van de landelijke politiek verbleekte zijn ster en inmiddels lijkt – buiten het cda – niemand de arme man meer te missen. De PvdA zou er een wijze les uit kunnen leren, ware het niet dat de partij met het afschudden van de laatste ideologische veren net als destijds het cda geen alternatief lijkt te hebben.
En D66? D66 herhaalde bij de verkiezingen van 1994 het beproefde recept uit het verleden en wierp wederom de welbespraakte en televisie-genieke Hans van Mierlo in de strijd. En zie daar: de grootste verkiezingsoverwinning uit de Democratische geschiedenis werd een feit. Na de verkiezingen werd een van de belangrijkste wensen van D66 vervuld: er kwam een paarse coalitie en een regering zonder het cda. Dat deelname van D66 aan het kabinet de partij vervolgens weer electoraal in de problemen zou gaan brengen, was even onvermijdelijk als de steeds terugkerende discussie over de vraag wie Van Mierlo moet gaan opvolgen. Van de vier grote partijen heeft D66 namelijk niet alleen de smalste ideologische basis, ze heeft, door haar geringe ledental, ook de smalste personele basis. Om een indruk te geven: in 1995 telde het cda 95 duizend leden, dat waren er weliswaar 55 duizend minder dan in de jaren tachtig, maar de partij is daarmee wel nog altijd de grootste van het land. D66 telde in datzelfde jaar slechts zo’n 15 duizend leden. Ter vergelijking: de SP schreef in juni 1996 haar 19 duizendste lid in.
Volgens het Documentatiecentrum voor Nederlandse Politieke Partijen van de Rijksuniversiteit Groningen was in 1995 slechts 3 procent van de kiesgerechtigde Nederlanders lid van een politieke partij (in 1946 was dat nog 15 procent, in het begin van de jaren zestig 10 procent) en van die 3 procent is weer slechts 10 procent daadwerkelijk actief – voor alle partijen te zamen zijn dat zo’n 31 duizend mensen. En omdat er in Nederland naar schatting zo’n 30 duizend politieke en partijfuncties beschikbaar zijn (variërend van afdelingsbestuurslid tot minister) wordt de keuzemogelijkheid steeds beperkter. ‘In personele zin,’ zo schrijft directeur Voerman van het Documentatiecentrum, ‘dreigen vraag en aanbod binnen het Nederlandse politieke stelsel steeds meer met elkaar samen te vallen, met alle gevolgen voor de representativiteit van de vertegenwoordiging.’22 Voerman ziet trouwens ook voordelen aan de lage partijgebondenheid van Nederlanders. Die zou duiden op de afwezigheid van een politiek patronage- of clientèlesysteem. ‘Anders dan in België of Italië is een partijlidmaatschap in Nederland niet van belang voor het krijgen van een baan of een huis,’ aldus Voerman. Wat dat huis betreft heeft hij ongetwijfeld gelijk, maar als het om het bemachtigen van goedbetaalde banen gaat, blijkt het lidmaatschap van een politieke partij wel degelijk grote voordelen te kunnen bieden.

Partijpolitieke benoemingen

Sinds het ctsv-drama, dat in de zomer van 1996 de politieke kop kostte van VVD-staatssecretaris Robin Linschoten, is er vermoedelijk niemand meer die denkt dat partijpolitieke benoemingen in Nederland geen probleem vormen. In het parlementair onderzoek dat werd ingesteld naar de problemen bij het toezichtsorgaan voor de sociale verzekeringen, werd op pijnlijke wijze duidelijk hoe politici van de grote partijen elkaar aan lucratieve baantjes helpen. Twee gesprekjes tussen Linschoten en zijn op dat moment werkloze partijgenote Dian van Leeuwen en marge van een vergadering van de Eerste Kamer en tijdens een VVD-borrel in Wassenaar, waren voldoende om haar tot voorzitter van het bestuur van het ctsv te bombarderen – een functie die wordt gehonoreerd met een salaris van drie ton per jaar en een eigen auto met chauffeur, wat meer is dan wat de minister-president van dit land ontvangt. Van Leeuwen hielp vervolgens twee andere werkloze ex-politici aan een baan als medebestuursleden: de cda’er Van Rooijen en de PvdA’er Van Otterloo. Onafhankelijke onderzoekers – zoals professor Rood en de leden van de parlementaire onderzoekscommissie Van Zijl – zouden later unaniem vaststellen dat daarmee de kiem was gelegd voor het enorme conflict waaraan het ctsv vervolgens bijna ten onder ging.
Maar de benoeming van de ctsv-bestuurders staat bepaald niet op zichzelf. Steeds vaker worden uitgerangeerde politici door invloedrijke mensen in hun partij of andere machtigen binnen de kaste van politici aan een andere baan geholpen, waarbij het belang van de organisatie die zij moeten gaan dienen veelal uit het oog wordt verloren. Het is al sinds mensenheugenis de gewoonte om vrijkomende posten voor Commissaris van de Koningin toe te wijzen aan politici die om de een of andere reden in politiek Den Haag zijn uitgerangeerd. Zo kon de VVD’er Wiegel in Friesland belanden, oud-minister van Defensie Relus ter Beek (PvdA) in Drenthe en de voormalige milieuminister Alders (ook PvdA) in Groningen. Bij die laatste benoeming lag het kabinetsbesluit al op straat voordat de adviescommissie uit de Provinciale Staten haar werk naar behoren had kunnen uitvoeren, terwijl de benoeming van Ter Beek haaks stond op de wens van de Drentse vertrouwenscommissie. De inspraak van direct betrokkenen bleek bij beide benoemingen een wassen neus.
Soortgelijke onverkwikkelijkheden spelen er ook regelmatig rond de benoeming van burgemeesters. Brokx, Nijpels, Hermans en Wöltgens zijn slechts enkelen van de vele politici die na jaren van dienst in politiek Den Haag werden beloond met een burgemeesterspost. Min of meer als vanzelfsprekend wordt er in de politiek van uitgegaan dat het ambt van burgemeester of Commissaris van de Koningin alleen bekleed kan worden door iemand met een partijpolitieke achtergrond. Dat lijkt vanuit de outplacement-gedachte nog te begrijpen, maar is onverdedigbaar wanneer we uitgaan van het principe dat de beste man of vrouw op de meest geschikte plek moet komen. Van beide ambtsdragers wordt verwacht dat zij objectief en partijpolitiek-neutraal hun werk doen als voorzitter van het college van B&W en gemeenteraad, en als voorzitter van het college van gedeputeerden en Provinciale Staten. Welaan, wat ligt er dan meer voor de hand dan door middel van een open sollicitatieprocedure diegene te selecteren die het meest geschikt is voor deze taken?
Maar echt schandalig wordt het pas als we zien hoe de verschillende partijen claims leggen op provincies en grote steden: ‘Als de PvdA Groningen krijgt, dan eisen wij Gelderland’, dat soort discussies. Het gevolg is alleen maar dat het reservoir van waaruit de nieuwe bestuurder moet worden betrokken kleiner en kleiner wordt.
Zijn de banen van burgemeester en Commissaris van de Koningin politiek gezien nog tamelijk neutraal, dat wordt al anders met functies als die bij het ctsv en de ser. Ook die functies worden in toenemende mate toebedacht aan uitgerangeerde politici van de vier grote partijen. Zo kreeg PvdA-kamerlid Buurmeijer als beloning voor zijn inspanningen als voorzitter van de parlementaire-enquêtecommissie die onderzoek deed naar de gang van zaken rond de uitvoering van de sociale verzekeringswetten, het voorzitterschap van het tica (Tijdelijk Instituut voor Coördinatie en Afstemming) in de schoot geworpen. Oud-cda-minister Bert de Vries mocht over de Sociale Verzekeringsbank de scepter gaan zwaaien, terwijl ex-VVD-staatssecretaris Koning de Algemene Rekenkamer onder zijn hoede kreeg. Voor al die semi-ambtelijke functies worden riante salarissen betaald. Buurmeijer zag zijn inkomen stijgen van zo’n 135 duizend gulden per jaar als kamerlid naar 250 duizend gulden bij het tica – dat is 30 duizend gulden meer dan het salaris van de minister van Sociale Zaken. Bert de Vries ontvangt voor één dag werk in de week bij de svb 50 duizend gulden per jaar en zou omgerekend naar een volledige baan dus eveneens kunnen rekenen op een jaarsalaris van 2,5 ton.
Nu is het natuurlijk best mogelijk dat een oud-politicus de meest geschikte kandidaat is voor een bepaalde bestuurlijke functie. Het probleem is alleen dat oud-politici steeds vaker buiten alle sollicitatieprocedures om op posten worden geparachuteerd die zeer hoge eisen stellen aan degenen die ze bekleden. Daarmee wordt niet alleen de integriteit van de politiek als geheel te grabbel gegooid, maar bovendien het algemeen belang een bijzonder slechte dienst bewezen. ‘Nederland is al een bananenrepubliek,’ zo stelde het weekblad Vrij Nederland in maart 1996 vast, waarna een overzicht volgde van een kleine honderd partijpolitieke benoemingen.
De politieke kaste, zo blijkt uit alles, laat zich steeds minder gelegen liggen aan haar geloofwaardigheid ten opzichte van de burger en kijkt steeds meer naar het ‘welbegrepen’ eigenbelang van de nieuwe aristocratie.

Geen politiek zonder idealen

Het ledenverlies van de grote politieke partijen wordt vaak geweten aan de ontzuiling en toenemende individualisering. Die spelen zeker een rol. Maar minstens zo belangrijk lijkt mij dat verstandige, kritische burgers in de grote politieke partijen niets meer te zoeken hebben. Die worden immers volledig gedomineerd door beroepspolitici en professionele kaders, die weinig affiniteit hebben met de oorspronkelijke uitgangspunten. Veel van de angry young men van Nieuw Links die in de jaren zeventig de PvdA wakkerschudden, veranderden, zoals we in het vorige hoofdstuk al zagen, in de jaren tachtig zelf in de nieuwe regenten. En ook D66, de partij die ooit werd opgericht uit onvrede over het weinig democratische gehalte van de Nederlandse politiek, is inmiddels een keurige establishmentpartij.
Het politieke debat is in de jaren tachtig, onder invloed van de no-nonsense-gedachte, bovendien versmald tot voor leken onbegrijpelijke discussies tussen cijfer-fetisjisten. Ging het in de jaren zestig vooral over politieke beginselen, in de jaren zeventig verschoof de aandacht naar doeleinden en middelen, om in de jaren tachtig plaats te maken voor een denken in termen van doelmatigheid. Daarbij werd dat laatste begrip ook nog eens versmald tot doelmatigheid in financiële zin. Die verschuiving is ook terug te vinden in de prioriteiten die de politieke elite voor zichzelf formuleert. In zijn studie Politiek als evenwichtskunst schrijft de politicoloog A. Hoogerwerf daarover ondermeer:

Aan Nederlandse ministers, staatssecretarissen, vooraanstaande kamerleden, topambtenaren en topadviseurs op rijksniveau is de vraag gesteld: ‘Welke persoonlijke kwaliteiten heeft iemand volgens u nodig om een functie als de uwe goed te kunnen vervullen?’ De kwaliteiten die zij het meest noemden, waren contactuele eigenschappen (78%), een goed verstand en intellectuele vaardigheden (60%), een stabiele persoonlijkheid (58%), inhoudelijke vakkennis (49%), betrouwbaarheid (16%) en een goede gezondheid (11%). Bij het no-nonsense-klimaat van de jaren tachtig en negentig past dat bepaalde kwaliteiten slechts zelden genoemd werden: een maatschappij- en mensvisie; gedrevenheid en idealisme; je aan een zaak wijden, niet voor jezelf optreden.23

Zonder een analyse met behulp van het waardepatroon waar een partij voor staat, zonder een samenhangende visie over hoe een democratische samenleving eruit zou kunnen of moeten zien, zonder idealen over hoe het anders en beter kan, verliest elke politieke partij uiteindelijk haar bestaansrecht. Partijen verworden dan tot cynische clubs van baantjesjagers, waar de turbotaal van gewiekste public relations-managers en reclamejongens de plaats van het ideologische debat heeft ingenomen. Scoren in de media en de waan van de dag, effectbejag en image-building winnen het dan steeds vaker van serieuze analyse en consistentie. Geen wonder dat uit dezelfde studie van Hoogerwerf blijkt dat negen op de tien burgers de stelling onderschrijven dat politici meer beloven dan zij in de praktijk kunnen waarmaken.24

Het monistische dualisme

De hierboven gesignaleerde veranderingen hebben natuurlijk ook grote invloed gehad op de kwaliteit van het debat in de Tweede Kamer. Ten tijde van de drie kabinetten-Lubbers werd er regelmatig geklaagd over het gebrek aan dualisme: de kamerfracties van de regeringspartijen waren met handen en voeten gebonden aan het regeerakkoord en lieten zich nog verder de mond snoeren in het wekelijkse ‘torentjes-overleg’. Van het parlement als controleur van de regering kwam zo weinig terecht. Alles wat het kabinet besloot leek wel gedaan in de ogen van de coalitiepartners. Vandaar dat de paarse coalitie bij haar aantreden plechtig beloofde om aan die verfoeilijke praktijk onmiddellijk een einde te maken. Met het dualisme zou het inhoudelijke debat terugkeren in de Kamer. Maar helaas, in de praktijk van alledag is daar weinig van terechtgekomen. Sterker nog, aan sommige van de kwalen die voorheen met name het cda werden toebedacht blijken de paarse partijen in nog heviger mate te lijden. Het ‘torentjes-overleg’ (het overleg op het torentje van de minister-president tussen de premier en de drie fractievoorzitters eventueel aangevuld met fractiewoordvoerders, de twee vice-premiers of andere bewindslieden) bloeit als nooit tevoren. Maar daar blijft het niet bij. Inmiddels is bekend geworden dat de woordvoerders van de coalitiepartijen in de Kamer aan de vooravond van belangrijke debatten overleg voeren met de verantwoordelijke bewindspersonen. In die besloten overleggen wordt bepaald wat de marges zijn in het aanstaande kamerdebat. Voor partijen die zeggen dat voor hen de onafhankelijke positie van het parlement ten opzichte van de regering heel dierbaar is, is dat op z’n minst een merkwaardige zaak. Echt bedenkelijk wordt het, als de woordvoerders van PvdA, VVD en D66 voorafgaande aan een besluit van de Kamer om te komen tot een parlementair onderzoek óók overleg hebben met leden van het kabinet. Dat is gebeurd toen de Kamer moest besluiten over een parlementair onderzoek naar de gang van zaken rond het ctsv-drama. Hoewel daarbij natuurlijk ook de positie van de verantwoordelijke staatssecretaris Linschoten aan de orde zou komen, belette dat gegeven de woordvoerders van PvdA, VVD en D66 niet vooroverleg te hebben met de staatssecretaris en minister Melkert. Met dualisme heeft dat natuurlijk niets te maken.
Nu kan men zeggen: maar dat onderzoek is er wél gekomen en het heeft wél geleid tot de val van Linschoten. Dat is juist, en dat is ook de reden waarom de SP-fractie steeds voor een parlementair onderzoek heeft gepleit. Voor ons stond al in een vroeg stadium vast dat wanneer de kennis die wij reeds zelf vergaard hadden, via een parlementair onderzoek ‘geobjectiveerd’ voor de hele Kamer beschikbaar zou komen, dat onherroepelijk zou leiden tot de val van Linschoten, en dat – nog belangrijker – het fenomeen van de partijpolitieke benoemingen definitief in diskrediet gebracht zou zijn. Zowel de uiteindelijke instemming van de regeringspartijen met het onderzoek als het besluit van PvdA en D66 om Linschoten te laten vallen, had alles te maken met het feit dat de oppositie door lang aanhouden langzamerhand een ‘dossier-Linschoten’ had opgebouwd en dat de geloofwaardigheid en daarmee de bruikbaarheid van deze staatssecretaris voor de paarse bezuinigingsdoelstellingen niet veel meer voorstelde. In plaats van een bewijs van dualisme was het ctsv-onderzoek eerder een voorbeeld hoe binnen paars ook met mensen pragmatisch wordt omgegaan.
Overigens, mede naar aanleiding van de uitkomsten en de gevolgen van het onderzoek van de commissie-Van Zijl (die het onderzoek naar het ctsv-drama uitvoerde), worden er – met name vanuit het kabinet! – steeds meer vraagtekens geplaatst bij het aantal onderzoeken waartoe de Kamer besluit. Men wijst dan op mogelijke devaluatie van het krachtige middel van het parlementair onderzoek, al of niet in enquêtevorm. Maar dat is onzin: een eventuele devaluatie heeft niets te maken met de kwantiteit, maar met de kwaliteit van het onderzoek (en daar is over het algemeen niet veel op aan te merken) en de gevolgen die worden verbonden aan de uitkomsten van de onderzoeken. En over dat laatste valt zeker te twisten.
Van de door paars beloofde verandering in de politieke cultuur is niet veel terechtgekomen, en van het dualisme dus ook niet. De vraag is of het wel anders kan met de politieke constellatie die we nu hebben. Dualisme krijgt alleen een kans wanneer de organische samenhang tussen enerzijds een coalitie in het parlement en anderzijds de vorming (en instandhouding) van een regering ongedaan wordt gemaakt. Immers, een stem voor een partij betekent in ons staatsbestel: én een stem voor de macht, én een stem voor de controle op de macht. Dat maakt het dualisme in feite monistisch. Ere wie ere toekomt: het was D66 dat als eerste op dit punt wees. Helaas horen we ze daar tegenwoordig niet meer over.

De lege dop van de bestuurlijke vernieuwing

In een democratie is het minste wat van politici verwacht mag worden dat ze duidelijk zijn, dat wil zeggen dat zij begrijpelijk spreken en zich steeds ten doel stellen door de burgers goed verstaan te worden. Echter, het gebruik van eufemismen, dat onder Lubbers al een hoge vlucht nam, heeft onder paars waarlijk epidemische vormen aangenomen. De vele verslechteringen die het gevolg zijn van het financiële dictaat dat men zichzelf heeft opgelegd, worden aan de man gebracht met een stortvloed aan verhullende termen. De afbraak van de sociale zekerheid heet ‘modernisering’, het afschaffen van verworven rechten zoals de extra beloning voor overwerk en de vrije zaterdag, wordt verkocht als ‘flexibilisering’, en de introductie van marktwerking in de gezondheidszorg zou plaatsvinden om de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van de mensen te vergroten. De truc achter al deze eufemismen is, dat steeds wordt gekozen voor een term die iets suggereert waar geen redelijk mens bezwaar tegen kan hebben: wie wil er nu niet ‘modern’ zijn, wie wil niet als ‘flexibel’ door het leven gaan, en wie is niet trots op zijn ‘eigen verantwoordelijkheid’? Maar de burger, die dag in dag uit de gevolgen van al die verslechteringen aan den lijve moet ondervinden, voelt natuurlijk heel goed aan hoe hij bedrogen wordt. En zo slaat de cynische wijze waarop veel politici omgaan met de politiek over op de burgers.
Het gebrekkig functioneren van de democratie is natuurlijk niet alleen een zorg van de Socialistische Partij. Ook de paarse coalitiepartners hebben zich over het probleem gebogen en de oplossing die zij aanreiken heet ‘bestuurlijke vernieuwing’. Uiteraard is in de voorstellen vooral het gedachtengoed van D66 terug te vinden. Zo lijkt er nu eindelijk een plaats te worden ingeruimd voor het referendum. Maar het zogenaamde ‘correctief wetgevingsreferendum’ waar het paarse kabinet nu mee is gekomen, is een wel heel slap aftreksel van wat de voorvechters van bestuurlijke vernieuwing ooit voor ogen stond.
Allereerst kunnen burgers in deze variant niet zelf het initiatief nemen om tot een referendum over bepaalde kwesties te komen. Of Nederland een groot deel van zijn soevereiniteit moet afstaan aan Europa is een vraag die niet op initiatief van de bevolking door middel van een referendum aan de bevolking kan worden voorgelegd. Als het aan het paarse kabinet ligt, komt er namelijk alleen een correctief referendum, waarbij de burger zich achteraf kan uitspreken over wetgeving die reeds door het parlement is aanvaard. De drempels die zijn opgeworpen zijn bovendien zo hoog, dat men kennelijk vooral wil voorkómen dat er ook ooit daadwerkelijk een referendum wordt gehouden. Zo moeten er minimaal 600 duizend handtekeningen, te zetten op het gemeentehuis, worden verzameld om een verzoek tot het houden van een referendum geldig te maken, en zijn belangrijke politieke twistpunten zoals infrastructurele projecten uitgesloten als mogelijke onderwerpen. Terwijl juist in zaken als de aanleg van de Betuwelijn, de hogesnelheidslijn en de uitbreiding van Schiphol is gebleken hoe groot de kloof tussen burgers en politiek kan zijn.
Een andere discussie die het kabinet-Kok weer op de agenda wil zetten, is ons op evenredigheid gebaseerde kiesstelsel. Er circuleren ideeën om het stelsel te laten opschuiven in de richting van een districtenstelsel. Nederland zou daartoe moeten worden onderverdeeld in 5 districten waar telkens gemiddeld 15 mensen gekozen zouden worden. Deze 75 zouden samen met de 75 gekozenen via het evenredige stelsel de Tweede Kamer kunnen gaan bevolken. Het zou te ver voeren alle gevolgen van dit nieuwe systeem hier te bespreken, maar berekeningen hebben reeds uitgewezen dat deze verandering in ieder geval negatief zal uitpakken voor de kleine partijen, die niet geheel ten onrechte vaak worden omschreven als ‘het zout in de pap van de politiek’. Ook dit plan heeft – net als het voorstel voor een correctief referendum – tot doel de betrokkenheid van de burger bij politiek en bestuur te vergroten. Maar dat is een oneigenlijk argument, het is hooguit iets dat als spin-off kan optreden, het kan nooit het hoofddoel zijn. Verkiezingen hebben tot doel volksvertegenwoordigers voor gemeenteraden, Provinciale Staten en Tweede Kamer op de meest democratische wijze te laten aanwijzen. De meest democratische wijze is zonder twijfel het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. En ook referenda hebben niet tot doel de afstand tussen bestuur en burger te verkleinen. Referenda hebben tot doel de kwaliteit van de besluiten te verhogen en het bestuur op de meest directe wijze te laten weten of er voor een belangrijk besluit wel of geen draagvlak bestaat onder de bevolking. Het referendum en de wijziging van het kiesstelsel zullen het democratisch gehalte van het openbaar bestuur niet verhogen, net zo min als de legitimiteit van besluit en bestuur erdoor zal toenemen. En de reeds vaak genoemde kloof tussen bestuur en burger zal er zeker niet door worden verkleind.

Dan ligt er tot slot nog het plan om wethouders en gedeputeerden niet langer deel te laten uitmaken van respectievelijk de gemeenteraad en Provinciale Staten, met andere woorden: hen van buiten de raad of Provinciale Staten te betrekken en dus niet te laten kiezen door de burger. Een slechte gedachte. Immers, hiermee wordt de weg vrijgemaakt voor rondtrekkende managers die hun diensten aanbieden aan de meest biedende, saneerders die zonder enige affectie met de stad en haar bewoners en slechts op basis van financiële criteria en ‘algemene wijsheden’ hun voorstellen doen. Expertise is voor gemeentebesturen op tal van wijzen (binnen of buiten het ambtelijk apparaat) beschikbaar en hoeft dus niet op deze gekunstelde wijze te worden aangetrokken.
Introductie van ‘wethouders van buiten de raad’ betekent ook het einde van het monisme op gemeentelijk en provinciaal niveau. Maar vooralsnog zijn de nadelen van dat systeem voor deze bestuurslaag kleiner dan de voordelen.
Fundamentele rechten kun je niet decentraliseren

Een andere manier waarop op dit moment wordt getracht het democratisch gehalte van de samenleving te verhogen, is door gemeenten meer ruimte te geven voor het ontwikkelen van eigen beleid. Onder het mom van ‘de zorg op maat’ te willen bevorderen, schuift de landelijke overheid steeds meer problemen door naar de gemeenten. Zo is in het kader van de op 1 april 1994 van kracht geworden Wet Voorziening Gehandicapten (wvg) de hulp aan gehandicapten gedecentraliseerd en hebben de gemeenten in de nieuwe Algemene BijstandsWet (nabw) meer mogelijkheden gekregen de hoogte van uitkeringen zelf vast te stellen. Daarmee lijkt de afstand tussen politiek en burger te zijn verkleind, maar de prijs die daarvoor wordt betaald is een vergroting van de willekeur. In de praktijk blijkt bijvoorbeeld dat gehandicapten in de ene gemeente aanzienlijk beter af zijn dan in de andere, zonder dat zij daar iets anders tegen kunnen ondernemen dan te verhuizen. Uit twee evaluatierapporten over de praktijk met de nabw – onder andere van de Landelijke Vereniging van Sociaal Raadslieden – blijkt dat de uitvoering van de gedecentraliseerde wet leidt tot grote verschillen tussen steden en zelfs tussen gelijke gevallen binnen één stad. Men denkt er nu zelfs over ook de uitvoering van de individuele huursubsidie te decentraliseren. Kenmerkend bij al die decentralisaties is dat het benodigde geld er niet wordt bijgeleverd. De gang van zaken rond de wvg is daarvoor illustratief: hoewel de omvang van de doelgroep door uitbreiding met alle ouderen werd verdubbeld, kregen de gemeente toch niet meer geld dan de rijksoverheid eerst zelf uitgaf aan alléén de gehandicapten.
Er zitten ook meer principiële bezwaren aan de decentralisatie-operatie waar de landelijke overheid mee bezig is. Terecht is er altijd van uitgegaan dat gemeenten geen inkomenspolitiek moeten bedrijven. Dat was altijd exclusief voorbehouden aan de landelijke overheid. Nederland is immers een eenheidsstaat, hetgeen onder andere tot uitdrukking dient te komen in de inkomenspolitiek en alle andere zaken die daarmee samenhangen. De genoemde decentralisaties ondermijnen die gedachte, en fundamentele rechten van mensen dreigen nu onderwerp te worden van politiek gekissebis in gemeenteraden. Politieke partijen worden nu voor het volgend dilemma geplaatst: het openhouden van een zwembad komt iedereen ten goede en levert dus meer krediet op bij de kiezer dan het in stand houden of uitbreiden van voorzieningen voor bijvoorbeeld gehandicapten. Per definitie worden zo minderheidsgroepen altijd het slachtoffer. Electoraal vertegenwoordigen ze immers altijd een relatief kleine groep.
Terwijl de rijksoverheid steeds meer taken overhevelt naar het lokaal bestuur, hevelt het lokaal bestuur steeds meer taken over naar het zogenaamd verlengd lokaal bestuur, de streek- en stadsgewesten. Gedacht moet dan worden aan bevoegdheden op punten als milieu, ruimtelijke ordening, huisvesting, openbaar vervoer, en gezondheidszorg. Deze interlokale samenwerking heeft zich steeds meer ontwikkeld tot een soort vierde bestuurslaag. Maar dan wel een laag zonder deugdelijke democratische sturing en toezicht. De streekgewestraden worden over het algemeen bevolkt door leden van de colleges van B&W en hun politieke vrienden uit de gemeenteraden van de aangesloten gemeenten. Zij worden getrapt gekozen en hoeven dus nooit rechtstreeks verantwoording af te leggen aan de kiezer. Een democratisch gat van de eerste orde, dat vrijwel onzichtbaar voor de burger tot stand is gebracht. De vorming van mini-provincies zou hier uitkomst kunnen bieden. Er blijven drie bestuurslagen (de oude provincies verdwijnen immers), het geografisch gebied sluit meer aan bij de realiteit van alle dag, en het bestuur wordt rechtstreeks door de burger gekozen. Enige twee voorwaarden zijn wel dat de oude gemeentegrenzen zoveel mogelijk in tact blijven en dat de gemeente als de bestuurslaag die het dichtst bij de mensen staat niet geheel wordt overvleugeld en ontdaan van zijn meest wezenlijke bevoegdheden.

Komt het oude censuskiesrecht weer terug?

In een democratische rechtsstaat ontleent het bestuur zijn legitimiteit aan het feit dat het is gekozen door de kiesgerechtigde burgers. Maar we zien dat steeds grotere groepen mensen helemaal niet meer opkomen bij die verkiezingen. Bij verkiezingen voor de deelraden in Amsterdam en Rotterdam, maar ook bij de Europese verkiezingen, en soms zelfs bij gemeenteraadsverkiezingen maakt nog niet eens 50 procent van de kiesgerechtigden gebruik van hun stemrecht. Sommigen in de politiek nemen hier schouderophalend kennis van en zeggen: ‘Hoe saaier de politiek en hoe lager de opkomst bij verkiezingen, hoe gelukkiger het land.’ Maar dat is wishful thinking van de bovenste plank. Voor velen is politiek synoniem geworden met laksheid, traagheid, eigenbelang van politici, corruptie, en zeker niet met een instrument voor verandering.
De dalende opkomstpercentages – met name in bepaalde, arme wijken – baren sommige politici wel degelijk zorgen en op de verkiezingsavonden waarop blijkt dat er weer minder mensen zijn opgekomen, neemt men zich steeds weer voor daar nu eens echt iets aan te gaan doen. Maar zoals zo vaak bij goede voornemens: het blijft daarbij. Weinig partijen trekken nog de wijken in om – ook buiten verkiezingstijd – belangstelling te tonen voor hoe het de mensen vergaat. Laat staan dat men de daar vergaarde kennis omzet in politieke actie om het lot van die mensen te verbeteren. Politici mogen klagen dat veel mensen te weinig belangstelling hebben voor de politiek, de klacht van veel mensen over de politiek is dat die te weinig belangstelling heeft voor hen. Het gevolg: met name de mensen die tot voor kort de politiek als instrument zagen voor de realisatie van een betere toekomst, haken nu af. Zij laten zich niet meer paaien door verkiezingsbeloften en mooie tv-spotjes en geloven het verder wel. Het opkomstpercentage van bevolkingsgroepen bij verkiezingen is steeds meer recht evenredig met de hoogte van de opleiding en het inkomen. Je zou kunnen spreken van sociaal-economische opkomstpercentages. Vroeger noemde men dat censuskiesrecht.
Maar dat is nog niet alles. Er zijn op z’n minst twee ontwikkelingen die op termijn even bedreigend zijn voor de kwaliteit van de democratie. Ten eerste is daar de Europese integratie en overheveling van nationale bevoegdheden naar de Europese Commissie en de Raden van Ministers. In hoofdstuk 8 kom ik daar uitvoerig op terug. Een ander punt is de groeiende onmacht van de politiek. De neoliberale consensus heeft onder andere met zich meegebracht dat politici steeds meer willen overlaten aan de markt. De overheid is van trendsettend trendvolgend geworden. Het concept van ‘meer markt, minder overheid’, ook op wezenlijke terreinen waarvan nog niet zo lang geleden bijna iedereen van mening was dat die voorbehouden moesten blijven aan de democratisch gelegitimeerde overheid, vergroot de machteloosheid van de politiek en het bestuur en holt daarmee de geloofwaardigheid van de politiek en het bestuur uit. De markt kent geen democratische waarden. De markt zou alleen democratisch kunnen werken als alle betrokkenen evenveel geld en macht zouden hebben, maar dat is niet het geval. Integendeel. De markt brengt dagelijks nieuwe ongelijkheden voort, dat is inherent aan het systeem.
Alles bijeen is dit een somber beeld als het gaat om de toekomst van de democratie. De mensen die nog slechts meesmuilend over het functioneren van de democratie kunnen spreken, dreigen het gelijk aan hun zijde te krijgen. Tenminste: als we niets ondernemen, als partijen niet weer ergens voor gaan staan, als ze niet actiever worden, als de overheid niet meer gaat doen en tevens beter, als het Europees integratieproces niet wordt getemperd, en als de hegemonie van het neoliberalisme en het marktdenken niet wordt doorbroken.