4. Arm Nederland

‘Armoede is geen tegenslag, maar een aanslag.’
(een voormalig werknemer van daf)

Het waren maar twee woordjes en ze waren ook nog verstopt in een lange, wat plechtstatige zin: ‘De regering doet een beroep op burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk de sociale uitsluiting en stille armoede in onze samenleving eensgezind en met kracht aan te pakken.’ Maar het feit dat het koningin Beatrix was die de twee woorden uitsprak, maakte dat ze toch voor flink wat beroering zorgden. Voor het eerst in vele jaren sprak de koningin op 19 september 1995 in de troonrede weer over armoede in Nederland.
Tijdens de algemene beschouwingen die volgden op het voorlezen van de troonrede citeerde Frits Bolkestein met instemming uit een artikel dat was geschreven door PvdA-kamerlid prof. Rick van der Ploeg. ‘De voordelen van de moderne markteconomie zijn verbijsterend,’ schreef de Amsterdamse hoogleraar daarin ondermeer. En Bolkestein stelde triomfantelijk vast dat hij het daar volledig mee eens kon zijn: ‘Ik vond het een zeer knap artikel,’ zei hij. ‘Ik wou dat ik het zelf geschreven had. Ik ben het ook eens met zijn stelling dat “enige mate van ongelijkheid nu eenmaal nodig is om te komen tot een meer doelmatige werking van de economie”. Puntig geformuleerd!’
In 1995 bedroeg het wettelijk minimumloon voor een gezin met twee kinderen 1835 gulden netto per maand. Philips-topman Timmer moest zijn gezin zien te onderhouden van ongeveer 45 duizend gulden netto per week. Een dergelijke mate van ongelijkheid toont het ware gezicht van de neoliberale samenleving.

De vele gezichten van de armoede

Armoede bestaat weer in ons land. Natuurlijk, niemand hoeft in ons land dood te gaan van de honger, en natuurlijk, armoede is een relatief begrip. Maar het gaat bij al die mensen die het treft wel om absolute feiten. Armoede betekent dat je niet normaal in de samenleving kunt functioneren, omdat je bent uitgerangeerd, omdat je te weinig geld hebt, of omdat (goede) voorzieningen voor jou niet bereikbaar zijn. Armoede grijpt diep in en kent vele gezichten. Enkele worden hieronder beschreven.
Uit talloze onderzoeken in binnen- en buitenland blijkt dat er grote verschillen bestaan tussen de gezondheid en levensverwachting van mensen met een hoog en mensen met een laag inkomen. Deze verschillen, doorgaans aangeduid als sociaal-economische gezondheidsverschillen, groeien naarmate de kloof tussen arm en rijk groter wordt. Volgens een onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne uit 1993 gaan mensen met een lage sociaal-economische status gemiddeld vierenhalf jaar eerder dood en blijven gemiddeld twaalfenhalf jaar korter gezond dan mensen met een hoge status.26
Gelijkluidende resultaten werden gevonden in het buitenland. In 1970 waren Japan en Engeland wat betreft inkomensverdeling en levensverwachting vergelijkbaar. In Japan, waar vanaf 1970 de inkomensverschillen drastisch zijn verkleind, zijn de gezondheidsverschillen ook kleiner geworden en is de levensverwachting flink gestegen. In Engeland daarentegen zijn de inkomensverschillen groter geworden, zijn de sociaal-economische gezondheidsverschillen toegenomen en is de levensverwachting gedaald.
De neoliberale voorstanders van grotere inkomensverschillen wijzen er vaak op dat het verband tussen inkomen en gezondheid complex is. Bij het ontstaan van sociaal-economische gezondheidsverschillen speelt een aantal factoren een rol, maar het bestaan van een verband tussen een lage opleiding en dito inkomen en een slechtere gezondheid dan mensen met een hoge opleiding is boven elke twijfel verheven. Zo maakt het een groot verschil of mensen in een vochtig en tochtig huis wonen dat slecht is verwarmd, of in een goede, centraal verwarmde woning. Ook werkomstandigheden spelen een belangrijke rol: stank; lawaai; ploegendiensten; gevaarlijk, eentonig en zwaar werk zijn allemaal ongunstig voor de gezondheid. Mensen met ‘lagere’ beroepen hebben gemiddeld vier maal vaker te maken met zwaar werk dan mensen met ‘hogere’ beroepen. Ook psychologische factoren als stress, (financiële) onzekerheid, of het vroegtijdig verliezen van een familielid hebben natuurlijk hun invloed. Al deze negatieve factoren komen meer voor bij mensen met een lagere sociaal-economische status. Daar komt bij dat zij juist weer minder financiële middelen hebben om dat te compenseren via korter werken, recreatie en vakantie.
Dan zijn er natuurlijk ook nog ongezonde leefgewoonten als roken, drinken en te vet eten. Van de mensen met alleen lager onderwijs rookt 45 procent, van de universitair geschoolden slechts 27 procent.27 Mensen met een lagere sociaal-economische status hebben enkele slechtere voedingsgewoonten: ze eten minder volkorenbrood, minder verse groenten en fruit, en meer vet.
Uiteraard is moeilijk in zijn algemeenheid vast te stellen welke factoren nu het meest bepalend zijn in het ontstaan van de gezondheidsverschillen tussen mensen met een verschillende sociaal-economische status. Maar uit alle cijfers blijkt zonneklaar dat vergroting van de inkomensverschillen, en met name verlaging van de laagste inkomens, leidt tot meer sterfte en een korter leven in volledige gezondheid. Een overheid die desondanks kiest voor verlaging van het sociale minimum en onvoldoende aandacht besteedt aan goede huisvesting en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, valt dus dood door schuld te verwijten.
Met de conclusies van al het beschikbare wetenschappelijk onderzoek wordt onvoldoende gedaan. De verkokering van de Haagse politiek is het paarse kabinet daarbij behulpzaam. Gezondheidseffecten vormen tot nu toe geen onderdeel van de afwegingen rondom bijvoorbeeld de ontmanteling van de sociale zekerheid. Maar ook als het gaat om de bescherming van arbeiders op de werkplek of om de volkshuisvesting wordt er zelden rekening gehouden met de gezondheidseffecten. De enige gevolgtrekking van de overheid uit alle rapporten over de sociaal-economische gezondheidsverschillen is dat er een zogenaamd interventiebeleid moet komen. In normaal Nederlands: er komt meer voorlichting om mensen zo over te halen gezonder te leven. Maar uit onderzoek is al lang geleden komen vast te staan dat juist de mensen die men wil voorlichten, hoegenaamd nooit worden bereikt. Dat heeft alles te maken met uitzichtloosheid en het gebrek aan belangstelling voor de gevolgen van gedragingen nu voor de lange termijn. Als het de overheid menens is met het aanpakken van de sociaal-economische gezondheidsverschillen zou men eerst eens moeten kijken hoe een ander, beter doordacht sociaal-economisch beleid rechtstreeks zou kunnen bijdragen aan het verkleinen van de gezondheidsverschillen. Dat is een vorm van preventie die van een overheid verwacht mag worden. De kans is bovendien groot dat zo’n aanpak zich later ook in financiële zin zal terugbetalen. Maar voor die samenhang bestaat in politiek Den Haag helaas zeer weinig begrip.

Drempels in de gezondheidszorg

Eén van de taken van de gezondheidszorg zou moeten zijn waar mogelijk bij te dragen aan een verkleining van de genoemde gezondheidsverschillen. Van belang daarvoor is dat de voorzieningen minimaal voor iedereen gelijk toegankelijk zijn. Dat is echter niet het geval en het lijkt erop dat het alleen maar erger wordt. Van de mensen met slechts een lagere-schoolopleiding vinden drie keer zoveel mensen dat zij zelf een ‘minder-dan-goede’ gezondheid hebben dan mensen met een wetenschappelijke opleiding dat vinden van hún gezondheid. De objectieve gegevens bevestigen dit beeld: complete kunstgebitten komen onder lager opgeleiden ruim vier maal zo vaak voor en ernstige gebreken gemiddeld drie maal zo vaak. Merkwaardig genoeg vertonen de cijfers over het beroep dat mensen doen op de gezondheidszorg het omgekeerde beeld. Zo blijkt onder laag opgeleiden slechts 28 procent van de risicogroepen zich te laten inenten tegen influenza, terwijl van de wetenschappelijk opgeleiden 41 van de 100 mensen met een verhoogd risico op complicaties als gevolg van griep, een injectie haalt. Ook het bezoek aan specialist, tandarts en fysiotherapeut ligt significant hoger bij hoger opgeleiden dan bij mensen met een lage opleiding.
Toch hebben al deze cijfers de paarse coalitie er niet van weerhouden om de tandartshulp voor volwassenen uit het ziekenfonds te halen. Inmiddels is uit een evaluatie van de Ziekenfondsraad komen vast te staan dat een kwart van de ziekenfondscliënten zich niet heeft bijverzekerd. Onder mensen met een laag inkomen ligt dit percentage nog aanzienlijk hoger. De Associatie van Nederlandse Tandartsen meldt dan ook dat met name patiënten met lage inkomens steeds vaker de tandarts mijden. Tandartsen werkzaam in wijken waar veel mensen met een laag inkomen wonen, laten weten dat er een afname is van het bezoek aan de tandarts.28 De tijd lijkt niet ver meer dat we – net als voor de Tweede Wereldoorlog – aan iemands gebit kunnen zien hoe dik zijn of haar portemonnee is.
Om het beroep op zorg terug te dringen willen de paarse partijen ook nog een eigen bijdrage tot tweehonderd gulden per jaar per hoofdverzekerde opleggen. Dat zou mensen ervan moeten weerhouden onnodig gebruik te maken van de vaak dure voorzieningen. Maar dat is onzin: een eventueel effect zal alleen worden bereikt onder degenen voor wie die tweehonderd gulden veel geld is; mensen met voldoende geld zullen zich door dat relatief lage bedrag niet laten weerhouden. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de eigen bijdragen zullen werken waar zij moeten werken en het is zeer waarschijnlijk dat ze werken waar zij niet zouden moeten werken. Bovendien: wat wordt er precies bedoeld met onnodig gebruik van gezondheidsvoorzieningen? We hebben in ons land een prima systeem waarbij de huisarts als ‘poortwachter’ zich eerst een oordeel vormt over de noodzakelijkheid van toegang tot de tweedelijnszorg, de specialist dus. Voor zover er sprake is van onnodige en dus ongewenste doorverwijzingen zouden de huisartsen op hun vingers getikt moeten worden en niet de patiënten. Maar als de huisarts nu van mening is dat een doorverwijzing nodig is en de persoon in kwestie kan het geld niet missen? Een eigen bijdrage voor noodzakelijke zorg wordt zo een bijdrage aan de tweedeling en de vergroting van de sociaal-economische gezondheidsverschillen.
Maar het kan nog erger. Het kabinet heeft te kennen gegeven ook van de huisarts een eigen bijdrage in rekening te willen brengen. Als dit plan werkelijkheid wordt dan wordt het pas echt gevaarlijk. Want als mensen om financiële redenen gaan afzien van een consult bij de huisarts zijn grote ongelukken onvermijdelijk.
De neoliberale politici gaan ervan uit dat de premie voor een aanvullende verzekering voor de tandartszorg en fysiotherapie en ook de eigen bijdragen tot tweehonderd gulden, voor iedereen op te brengen moeten zijn. Theoretisch mag dat zo lijken, maar hier wreekt zich weer het gebrek aan inzicht in de samenhangen in het werkelijke leven. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau29 hebben nu 913 duizend gezinnen een inkomen van 112 procent van het sociale minimum of minder. Bijna 400 duizend huishoudens moeten al vier jaar of langer van dat minimum zien rond te komen. Bij mensen in die omstandigheden wint de wil om vandaag financieel rond te kunnen komen het vrijwel altijd van een (dure) investering in de gezondheid en financiële risico’s voor de dag van morgen.
In elk onderzoek naar de zaken die mensen écht belangrijk vinden, scoort ‘een goede gezondheid’ nummer één. Dan is het onaanvaardbaar dat de kansen op een gezond leven zo ongelijk zijn verdeeld. Zoals gezegd, deze ongelijkheid valt niet los te zien van de algehele toename van de maatschappelijke ongelijkheid. Prof. dr J.P. Mackenbach schrijft daarover in zijn boek Ongezonde verschillen: ‘De volksgezondheid kan zo bezien dienst doen als spiegel voor de samenleving (¼); een samenleving die zo is ingericht dat degenen die toch al minder hebben van alles, ook nog eens meer ziek zijn en korter leven, kan men toch moeilijk gezond noemen.’30

Onveiligheid, slechte scholing en rechteloosheid

Zoals we zagen is arm zijn ongezond. Maar arm is ook onveilig. Zo goed als er sociaal-economische gezondheidsverschillen bestaan, zo zijn er ook sociaal-economische veiligheidsverschillen. In het Korpsbedrijfsplan van de Politieregio Rotterdam-Rijnmond van november 1995, is een studie opgenomen naar de veiligheidssituatie in de verschillende Rotterdamse wijken en buurgemeenten. Uit dit rapport komt duidelijk naar voren dat er een relatie bestaat tussen de cumulatie van problemen in bepaalde wijken en buurten en de veiligheid. Door de opeenstapeling van problemen als hoge werkloosheid, armoede, verpaupering en handel in drugs is er een hoge mobiliteit en dus een geringe sociale cohesie. Gevolg is dat wijken als Delfshaven, het Oude Westen en het Oude Noorden vallen onder de categorie met een ‘zeer lage veiligheid’, terwijl de buurgemeenten van Rotterdam het predikaat ‘zeer hoge veiligheid’ krijgen. Spreken we over woninginbraken dan liggen de aantallen in wijken met ‘zeer lage veiligheid’ drie tot zes maal hoger; bij autocriminaliteit hebben we het over een factor vijf; bij geweldsdelicten over een factor twee tot vier; en bij overige persoonsdelicten over een factor twee.
Deze klinische cijfers beschrijven slechts een klein deel van de werkelijkheid. In het leven van alledag hebben de mensen niet alleen te maken met die criminaliteit, maar ook met tal van andere problemen, die ook weer vaak ten grondslag liggen aan die hoge criminaliteitscijfers. En ook in deze wijk wonen vaders en moeders die proberen hun kinderen zo goed mogelijk op te voeden. Maar met wat voor perspectief? Want alsof dit allemaal niet erg genoeg is, lopen hun kinderen ook nog een gerede kans naar een slechtere school te moeten dan de meeste andere kinderen. Behalve met ziekte en onveiligheid gaat armoede namelijk ook vaak gepaard met slechter onderwijs. Dat bleek uit een onderzoek onder duizend basisscholen dat werd uitgevoerd door het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen in Nijmegen. Onderzoeker P. Jungbluth concludeerde ondermeer: ‘Onderwijs, zelfs op het niveau van de basisschool, is nog steeds een sociaal privilege.’31 Iedereen die een beetje thuis is in de wereld van het basisonderwijs wist dit natuurlijk al lang. Maar officieel is het nooit erkend: Nederland kent immers een beleid om de scholen in de achterstandswijken extra te steunen. Die hulp verdoezelt echter niet dat de verschillen tussen de studieresultaten op elitescholen enerzijds en arbeidersscholen en scholen met veel buitenlandse kinderen anderzijds, zeer groot zijn. Zo zijn de beste leerlingen van de zwakste scholen even goed als de zwakste pupillen van de beste scholen. De voortschrijdende segregatie op basis van inkomen en etnische afkomst maakt dat ook de afstand tussen scholen met goede en slechte resultaten steeds groter wordt. Alleen al daarom zou de overheid concentratie van buitenlanders in bepaalde wijken tegen moeten gaan. Nu zijn er basisscholen met meer dan 80 procent buitenlandse kinderen. Hoe moeten die kinderen ooit goed Nederlands leren? Hoe moeten zij ooit integreren als ze alleen buitenlandse vriendjes en vriendinnetjes hebben? Hoe jong ze ook nog zijn, door dit beleid worden ze al bij het allereerste begin door de overheid tegengewerkt in plaats van gesteund.
Al deze problemen worden nog eens versterkt door het neoliberale volkshuisvestingsbeleid. Onder het derde kabinet-Lubbers bestond er vrijwel kamerbrede overeenstemming over het afstoten van de sociale volkshuisvesting als taak van de rijksoverheid. De woningcorporaties werden in belangrijke mate onafhankelijk, en moesten voortaan hun eigen broek ophouden. Ook in de sociale volkshuisvesting werd de marktwerking geïntroduceerd. Om hun financiële reserves op peil te brengen of te houden gingen sommige corporaties zelfs zo ver dat ze besloten te gaan speculeren op de kapitaalmarkt. Andere probeerden de huuropbrengsten maximaal op te schroeven, gingen huurwoningen verkopen, of werden een soort projectontwikkelaar en investeerden in de bouw van koopwoningen. Ondertussen kon de rijksoverheid zichzelf verlossen van de objectsubsidies, de subsidies die werden verleend om huren op een redelijk niveau te houden. De nadelige gevolgen van deze operatie beginnen nu langzamerhand zichtbaar te worden: veel woningcorporaties zijn van verenigingen veranderd in stichtingen; leden/huurders is hun macht ontnomen (ze mogen alleen nog komen ‘onderhandelen’); de meeste bestuurders die nog affiniteit hadden met de sociale volkshuisvesting zijn ingeruild voor moderne managers; de woningnood loopt weer op en ligt op minimaal 3,5 procent van de woningvoorraad (bijna een kwart miljoen huizen)32 en de huren rijzen de pan uit. Uit onderzoek van de fnv is gebleken dat sommige huurders, met name zij met een laag inkomen, al meer dan 40 procent van hun inkomsten kwijt zijn aan woonlasten.33 Behoorden de huren in Nederland tien jaar geleden nog tot de laagste van Europa, inmiddels is dat beeld dramatisch veranderd. Het onderzoeksinstituut otb schrijft daarover in een vergelijkend onderzoek tussen Europese landen: ‘De veel gehoorde veronderstelling dat de uitgaven van huurders in Nederland dienen te stijgen om een meer op het Europese gemiddelde afgestemde woonquote te realiseren is onjuist. (¼) De Nederlandse huurders behoren wat hun woonuitgaven betreft thans tot de koplopers in Europa, waarbij het verschil met het buitenland nog jaarlijks toeneemt.’34
Wie is er verantwoordelijk voor de geschetste ontluistering van de sociale volkshuisvesting? Er is in dit geval sprake van gedeelde schuld. De eerstverantwoordelijken zijn de politici die welbewust op deze nieuwe koers hebben aangedrongen en niet eerst hebben nagedacht over de maatschappelijke gevolgen van hun adoratie voor het concept van de terugtredende overheid. Maar ook de oude corporaties hebben schuld. Zij waren zo ver van de huurders en van hun oorspronkelijke doelstelling af komen te staan dat zij een makkelijke prooi vormden voor de overheid die op zoek was naar bezuinigingen. Vanuit de Tweede Kamer wordt nu regelmatig kritiek geleverd op de corporaties en ontevreden huurders worden dan ook al snel doorverwezen naar de sociale verhuurder – ‘Den Haag’ gaat er immers niet meer over. Het zou echter beter zijn als de Haagse partijen zich eens afvroegen of zij niet zelf de ellende over de huurders hebben afgeroepen, in plaats van nu de corporaties te beschimpen.
In dit verband moet ook nog de fiatteringsgrens in de individuele huursubsidie worden genoemd. Huurders krijgen een maximum aan huursubsidie, gerelateerd aan de hoogte van het inkomen en de huur. Alleen wanneer de gemeente haar fiat geeft kan dat bedrag worden verhoogd. Die fiattering is echter wel aan zeer strenge regels gebonden en wordt nog slechts sporadisch verleend. Uit een onderzoek van de SP blijkt dat voor mensen met een belastbaar inkomen tot 2334 gulden per maand (in 1992) reeds ruim 30 procent van de huurwoningen onbereikbaar was geworden.35 Met als resultaat: mensen met weinig geld komen steeds meer in de oude, slechte wijken met lage huren te wonen, omdat de nieuwbouw onbetaalbaar is geworden.
Tot slot betekent arm zijn ook minder toegang hebben tot het recht – en dus rechteloosheid. Sinds de invoering van de Wet op de Rechtsbijstand per 1 januari 1994 kan nog slechts 48 procent van de bevolking een beroep doen op gefinancierde rechtsbijstand. Voorheen was dat 66 procent. Ronduit zorgwekkend is het feit dat als gevolg van de eigen bijdragen steeds meer mensen afzien van rechtshulp en dus ook van een beroep op de rechter. Door de nieuwe wet is het aantal toevoegingen, toewijzingen van advocaten aan mindervermogenden, in civiele en bestuurlijke zaken gedaald met 32 procent en in strafzaken met 25 procent.36
Prof. mr A. Brenninkmeijer, rechter bij de Centrale Raad van Beroep, zegt over deze ontwikkeling:
De sociale advocatuur wordt om zeep geholpen. (¼) Je kunt vaststellen dat daardoor het recht een elitair gebeuren is geworden. Het is voor hogere inkomensgroepen. De lagere inkomensgroepen worden met allerlei maatregelen geconfronteerd, bijvoorbeeld op het terrein van de sociale zekerheid, en ze hebben eigenlijk geen weerwoord meer. De kwetsbaren in de samenleving (¼) zijn de dupe. Voor hen, les misérables van ons land, is de rechtsbescherming weggevaagd. Eerst neemt de overheid hun allerlei rechten af, en vervolgens maakt zij de verdediging van de nog resterende rechten bij de rechter onbetaalbaar.37

En dan is er nog de ongelijkheid als het gaat om de behandeling door de rechter. Wie kan er uitleggen waarom een bankbediende die op het werk heeft gefraudeerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgt en zijn baan verliest, terwijl het Van der Valk-concern de overheid voor een bedrag van honderden miljoenen tilt en de schuldige topmensen in hoger beroep toch wegkomen met een alternatieve straf? Dit druist in tegen elk rechtsgevoel.

‘Armoede is de schuld van de armen zelf’

Reeds jaren terug becijferde het nibud dat alleenstaande ouderen per maand 104 gulden te kort kwamen. En zij waren niet de enigen die in geldnood verkeerden. Het sociaal minimum, zeg maar het niveau van uitkeringen zoals dat betaald wordt aan bijstandsgerechtigden, is gewoon te laag. Wie zich ook maar enigszins verdiept in de alledaagse werkelijkheid van mensen die van het minimum moeten rondkomen, zal deze conclusie onderschrijven. Jarenlang zijn het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen bevroren geweest, nadat ze in het begin van de jaren tachtig zelfs met 3 procent zijn verlaagd. Hierin ligt voor het grootste deel de verklaring voor de groeiende armoede in ons land.
Het kabinet denkt daar echter anders over. Men kon het probleem weliswaar niet langer negeren – daarom kwam het ook in de troonrede van 1995 terecht – maar er echt iets aan doen is wat anders. Eerst moest er maar eens een nota over geschreven worden. Onder de titel De arme kant van Nederland presenteerde minister Melkert eind 1995 het paarse antwoord op de groeiende armoede. Kern van de nota is de vaststelling dat men eigenlijk niet zo goed weet waar die armoede nu eigenlijk vandaan komt. En de voorlopige conclusie is dan ook dat de oorzaken toch vooral bij de mensen zelf gezocht moeten worden. ‘De kans op armoede houdt verband met de persoon zelf, de gezinssituatie, de groep waartoe men behoort en de arbeidsmarkt,’ aldus de nota. Verder kom je er begrippen in tegen als ‘tegenslagen in de privé-sfeer’, ‘sociaal-psychische factoren’, ‘de ingewikkeldheid van regelingen’ en ‘vaardigheden van mensen’. En ook de werkloosheid en de stijging van de vaste lasten worden wel genoemd. Maar de kern van de boodschap is toch: de persoon in kwestie is het probleem; over structurele oorzaken valt in de hele nota niets te lezen. Het slachtoffer is kennelijk vooral zelf schuldig. Het is, zeker als je weet hoe de werkelijkheid in elkaar zit, een buitengewoon navrante houding. Meneer Janssen werkte vijfendertig jaar bij daf en werd ontslagen. Er was geen geld voor een sociaal plan en nu, vijf jaar later, zit hij in de bijstand. Waar ligt zijn schuld? Zijn leeftijd, waardoor hij nu nergens meer aan de bak komt, valt hém toch niet te verwijten?
Daar waar de overheid wel bereid was onder verwijzing naar de ‘structurele noodzaak’ vele miljarden lastenverlichting aan het bedrijfsleven ter beschikking te stellen, weigert zij bij de aanpak van de armoede even ‘structureel’ naar de zaak te kijken. Let wel: de miljarden voor het bedrijfsleven waren een gift zonder dat er enige voorwaarde (bijvoorbeeld ten aanzien van de werkgelegenheid) aan verbonden was. Het gevolg is dat de armoedenota van het kabinet-Kok eigenlijk een nietszeggend verhaal is geworden: geen structurele verhoging van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen, en geen maatregelen tegen de almaar stijgende woonlasten, de huren en de gemeentelijke belastingen en heffingen (die laatste zijn de afgelopen zeven jaar gemiddeld met bijna 75 procent gestegen). Terecht merkte een vertegenwoordiger van Justitia et Pax tijdens een hoorzitting van de Tweede Kamer over de armoede dan ook op: ‘Het kabinet praat niet over de armoede, men praat alleen over arme mensen.’
Als doekje voor het bloeden werd wel extra geld uitgetrokken voor de bijzondere bijstand, maar daarvan is allang bekend dat veel mensen daar geen gebruik van willen maken, omdat ze de bijzondere bijstand zien als een vorm van bedeling door de gemeente. Uit onderzoek is komen vast te staan dat zelfs van de mensen die al een uitkering in het kader van de Algemene Bijstandswet ontvangen nog niet de helft een beroep doet op de bijzondere bijstand.38 Hun gevoel van waardigheid verzet zich daartegen. Ondertussen is het aantal huisuitzettingen als gevolg van huurachterstand weer op vooroorlogse hoogte; net als het aantal huishoudens met problematische schulden – in 1996 zijn dat er zo’n 200 duizend. Het is de opeenstapeling van financiële problemen die de achtergrond vormt van verreweg de meeste uitkeringsfraude. Zoals twee onderzoekers van het gak uit Amsterdam concludeerden:

De indruk dat dit soort uikeringsfraude wordt gepleegd door de calculerende, half-criminele slimmerik, is in veel gevallen niet juist. Het gaat toch vooral om een sociaal-economisch zwakke en kwetsbare groep, die een aantal strategieën hanteert om het hoofd boven water te houden. Schulden maken is zo’n strategie. Als die niet meer werkt, kan uitkeringsfraude de volgende stap zijn.39

Nog geen tien jaar geleden zou men, lopend in het centrum van welke grote stad dan ook, gegeneerd de andere kant hebben uitgekeken als men een dakloze eten zag zoeken in een vuilnisbak. Nu is dat een beeld dat we allang niet meer alleen kennen van straatreportages in New York. Het is zorgwekkend hoe snel we zoiets ‘normaal’ zijn gaan vinden. Naar schatting van het toenmalige ministerie van wvc had 25 tot 40 procent van de zwervers – die in 1993 in tehuizen onderdak kregen – psychiatrische hulp nodig.40 In de bijna-elfsteden-winter van 1996 vroor er nog een dood op de trappen van het station van Bussum. De man had (bij temperaturen van ver onder het vriespunt) alleen een T-shirt aan. Hij was schizofreen en dacht dat hij de man was van Linda de Mol. Daarom vertoefde hij vaak op het nob-complex in Hilversum. De hulpverleners kenden de man, de politie kende hem en iedereen wist hoe hij eraan toe was, maar niemand deed iets. Hoezo zijn wij dan nog socialer en beter dan die asociale Amerikanen? Ook het aantal minderjarige zwervers en daklozen groeit schrikbarend snel. Steeds meer kinderen eten, slapen, wonen, leven op straat. In 1996 beliep hun aantal maar liefst zevenduizend. Is dit alles alleen te wijten aan laksheid en desinteresse? Of heeft het wellicht iets te maken met een doorgeslagen idee van persoonlijke vrijheid: ‘ook de zwerver – al is het een kind of iemand die psychiatrische hulp nodig heeft – moet lekker zichzelf kunnen zijn’?
Alle zaken die hierboven aan de orde kwamen zijn een rechtstreeks gevolg van een beleid dat geen rekening houdt met mensen, maar alleen met macro-economische getallen. Waar de verzorgingsstaat en de sociale zekerheid vroeger nog voor enige verlichting zorgden, worden, nu die sociaal-democratische verworvenheden steeds meer verdwijnen, de ware karaktertrekken van het kapitalisme in al hun afzichtelijkheid zichtbaar. En de grootste fout die we kunnen maken, is te denken dat het hier wel bij zal blijven. Wanneer de neoliberale consensus in de Haagse politiek niet wordt doorbroken, staan ons hier op alle terreinen Amerikaanse toestanden te wachten, ook al wordt dat nu nog door iedereen in de politiek voor onmogelijk gehouden.

De top zorgt goed voor zichzelf

Het is van belang dat we de verarming van een deel van ons land niet los zien van de verrijking van een ander deel. Nederlanders houden niet van grote verschillen tussen arm en rijk. Er is altijd een brede steun geweest voor een redelijk gelijke verdeling van de rijkdom. Dat was zo in de jaren zestig, en dat is zelfs in de egoïstische jaren tachtig niet wezenlijk veranderd. Volgens het Sociaal en Cultureel Rapport uit 1994 is een meerderheid van de Nederlandse bevolking nog altijd voor verkleining van de inkomens- en standsverschillen. Desondanks groeien de inkomensverschillen in Nederland al jaren. Mensen met een minimuminkomen zijn tussen 1984 en 1995 met bijna 20 procent achtergebleven bij de mensen met een modaal inkomen. De armste helft van de huishoudens bezit gemiddeld nog geen duizend gulden, hieronder vallen ook de 900 duizend huishoudens die meer schulden hebben dan bezittingen.41
Hoe anders vergaat het de rijken. Volgens het cbs42 kende ons land in 1986 35 duizend miljonairs. In 1991 was dat opgelopen naar 51 duizend, in 1993 tot 101 duizend. Hun vermogen bedraagt gemiddeld 2,3 miljoen gulden en in totaal bezit deze 1,5 procent van de bevolking 30 procent van het totale vermogen. Het aantal miljonairs stijgt dus niet alleen, het neemt ook nog steeds sneller toe. Deze ontwikkeling stemt precies overeen met wat er in de Verenigde Staten is gebeurd nadat daar in het begin van de jaren tachtig het neoliberalisme de overhand kreeg. Ook daar zijn de rijken de laatste vijftien jaar aanzienlijk bevoordeeld, ten koste van de mensen met weinig geld. Dat alles onder het sarcastische motto: geef het paard maar overvloedig haver, dan valt er altijd wel iets op de weg voor de mussen. In een notedop is dat de essentie van de zogenaamde trickle down-theorie die sinds het Reagan-tijdperk in Amerika zeer populair is.
Het bruto binnenlands produkt (bbp) van de Verenigde Staten groeide in de afgelopen twintig jaar met 2 duizend miljard dollar, gerekend naar de prijzen van 1990. Tegelijkertijd groeide ook de armoede. In 1994 leefden meer dan 39 miljoen Amerikanen (15,1 procent van de bevolking) onder de armoedegrens – het hoogste aantal sinds 1961. Van de economische groei profiteerden, dankzij de Amerikaanse liberale dynamiek, vooral de rijken. Het totale inkomen van mensen die meer dan 1 miljoen dollar per jaar verdienen, groeide in de jaren tachtig met maar liefst 2184 procent.
Uiteraard zeggen de Nederlandse neoliberalen dat zij geen voorstanders zijn van dergelijke extreme verschillen. Maar ondertussen verliest Nederland in hoog tempo zijn oude, egalitaire aanzien. Hoewel 57 procent van de Nederlanders voor verhoging van de belasting op hogere inkomens is, werd het top-tarief bij de invoering van het plan-Oort verlaagd van 72 naar 60 procent (de VVD wil zo snel mogelijk naar 50 procent). Overigens moet niemand de fout maken te denken dat deze percentages ook werkelijk aan de fiscus worden betaald. Alleen degenen bij wie loonbelasting wordt ingehouden betalen 100 procent van hun tax. Mensen met hoge inkomens hebben vaak zo hun manieren om minder of zelfs niet te hoeven betalen. Zo schrijft Arie van der Zwan, decaan van de Universiteit Nijenrode:

Het complex van belastingvlucht en belastingontwijking heeft de progressieve werking van de inkomstenbelasting volledig teniet gedaan. De vrijdom voor particulieren van belasting op vermogenswinsten, die in de tachtiger jaren weer een belangrijke opbloei heeft doorgemaakt, heeft onder vermogenden het nul-inkomen populair gemaakt, zodat de paradoxale situatie is ontstaan dat de meest-draagkrachtigen het minst bijdragen aan de belastinginkomsten.43

In een brief aan de Kamer bevestigde staatssecretaris Vermeend van Financiën in de zomer van 1996 deze constatering. Duizenden directeuren-grootaandeelhouders hebben via een zogenaamde ‘nul-constructie’ jarenlang geen cent aan inkomstenbelasting betaald.44
Maar de belastingverlagingen die de rijken in Nederland de afgelopen jaren zijn toebedeeld en de baten als gevolg van de mazen in de fiscale wetgeving vallen geheel in het niet bij de salarisverhogingen die zij zichzelf toekenden. Tien jaar geleden verdienden de bestuurders van het chemieconcern dsm 240000 gulden per jaar. In 1995 ontvingen zij de man zo’n slordige 1,1 miljoen – ruim het viervoudige dus. Soortgelijke spectaculaire salarisverhogingen vielen er te noteren bij de raden van bestuur van PolyGram (504000 gulden in 1989, 3050000 gulden in 1995), Heineken (van 953000 naar 1587000 gulden) en de ing-groep (van 767000 voor de bestuurders van de nmb Postbank in 1989, naar 2250000 in 1995). De leden van de groepsraad van Philips bedachten zichzelf alleen al in het jaar 1995 een salarisverhoging van 17 procent toe – van 2768000 gulden per jaar naar 3250000 gulden.
En het zijn niet alleen de bestuurders die zichzelf rijkelijk bedelen. De Nederlandse managers zorgen ook goed voor zichzelf. Terwijl de gemiddelde loonstijging voor produktiemedewerkers over 1995 slechts 2 à 2,5 procent bedroeg, stegen de lonen van het topmanagement in datzelfde jaar met het dubbele: 4 tot 5 procent. Daarmee loopt Nederland keurig in de pas bij andere westerse landen die het neoliberalisme hebben omarmd. Alleen in Engeland groeiden de inkomensverschillen nog harder: de managers zagen hun salaris toenemen met maximaal 7 procent terwijl de produktiemedewerkers genoegen moesten nemen met een stijging van 2 tot 4 procent. Naast deze ‘gewone’ loonstijgingen geven steeds meer grote concerns hun managers de gelegenheid bedrijfsaandelen te kopen tegen een vooraf vastgestelde prijs. Via deze constructie kunnen er nog eens miljoenen (belastingvrij!) worden bijgeschreven op de rekeningen van topmanagers van bedrijven als Ahold en Vendex. Tot dusver is uitgeversconcern Reed Elsevier het enige bedrijf dat volledige openheid geeft over dit soort bonussen. Daardoor is bekend dat voormalig topman Pierre Vinken in de drie maanden tot aan zijn vertrek in 1995 niet alleen 1,1 miljoen gulden salaris verdiende, maar ook nog eens 1 miljoen opties verzilverde, wat hem tussen de 1 en 7 miljoen gulden moet hebben opgeleverd.45

Loonmatiging levert geen werk op

Er zit achter de groeiende inkomensverschillen in Nederland natuurlijk meer dan alleen maar het eigenbelang van de elite. Volgens de neoliberale economische theorie is loonmatiging door werknemers goed voor de Nederlandse concurrentiepositie en dus voor de werkgelegenheid. Omdat langdurige werkloosheid wordt gezien als de belangrijkste oorzaak van de groeiende armoede en omdat vooral mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te kampen hebben met werkloosheid, gaan er steeds meer stemmen op om het minimumloon te verlagen (de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) of zelfs helemaal af te schaffen (de werkgeversorganisatie vno/ncw en de VVD). De nieuwe banen die dan ontstaan zouden uitkeringsgerechtigden de kans moeten bieden om uit de armoedeval te ontsnappen. Voor een optimaal effect zullen dan natuurlijk ook de uitkeringen en het sociaal minimum moeten worden verlaagd.
Maar is de theorie in overeenstemming met de praktijk? Die vraag lijkt meer dan gerechtvaardigd. In de zomer van 1996 publiceerde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso), waarbij 27 landen zijn aangesloten, haar jaarlijkse rapport over de vooruitzichten op het gebied van de werkgelegenheid. Men schrijft dat het onduidelijk is of een verlaging van het minimumloon en de uitkeringen een effect heeft ‘op de algehele kansen op werk voor de laaggeschoolden en degenen zonder werkervaring’. Een bijzondere uitspraak, als men in aanmerking neemt dat de oeso toch algemeen beschouwd wordt als een bolwerk van liberaal denken.46
Nu heeft de aanpak van Reagan en Bush in de jaren tachtig wel degelijk geleid tot veel nieuwe banen in de VS. Door de macht van de vakbonden te breken konden werkgevers de loonkosten drastisch verlagen. En omdat de Amerikaanse bijstand niets om het lijf heeft, waren mensen wel gedwongen dat slecht betaalde werk te aanvaarden. Als gevolg daarvan zit nu 18 procent van de banen in de VS qua honorering beneden de armoedegrens van 13 duizend dollar per jaar – dat is dus bijna 1 op de 5 banen. De werkloosheid nam hierdoor wel sterk af, maar de tweedeling in de samenleving groeide gestaag verder en het fenomeen van de working poor deed zijn intrede. Zelfs de Amerikaanse minister van Arbeid van de regering-Clinton, Robert D. Reich, baart deze ontwikkeling zorgen, getuige zijn woorden in een artikel dat hij onder andere publiceerde in NRC Handelsblad:

Het is niet veel beter vijftig uur per week te werken en nauwelijks het hoofd boven water te houden, dan vijftien uur per week te werken en te verkommeren op een sociale uitkering. Ons doel moet zijn al onze medeburgers de kans te geven te delen in de opbrengsten van de economische verandering, opbrengsten die nu ten goede komen aan relatief weinigen.47

Dat de hoge Nederlandse loonkosten een herstel van de werkgelegenheid in de weg staan, is een fabeltje. De forse groei van de Nederlandse economie is en wordt voornamelijk gerealiseerd door de export: internationaal blijken wij dus zeer concurrerend te produceren. Niet in de laatste plaats door de zeer hoge arbeidsproduktiviteit en de relatief lage lonen. Het Institut der deutschen Wirtschaft becijferde dat wanneer de hoogte van de lonen in ons land wordt afgezet tegen de arbeidsproduktiviteit, Nederland behoort tot de goedkopere industrielanden. Stellen we Duitsland op 100, dan komt Nederland uit op 79. Landen als Denemarken, Canada, Noorwegen, Zweden, en zelfs de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn allemaal duurder.48 Nederland voerde in 1994 dan ook voor bijna 30 miljard gulden meer uit dan het invoerde. Kijken we alleen naar Europa dan geeft de balans zelfs een positief saldo te zien van bijna 65 miljard gulden.
Toch blijft de werkloosheid onverminderd hoog, ondanks alle nieuwe banen die er nu door de aantrekkende economie ontstaan. Die banen worden vooral ingenomen door de grote aantallen nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Net als in de andere Europese landen is ook in ons land het niveau van de werkloosheid na elke recessie weer hoger dan daarvoor, waardoor met name het aantal langdurig werklozen steeds verder toeneemt. Dat komt onder andere door het feit dat het aantal gewerkte uren in ons land sinds de jaren zeventig eigenlijk niet echt is toegenomen, de groei van het aantal banen is vooral te danken aan de kortere werktijden en het werken in deeltijd.
De nu reeds vele jaren aanhoudende economische groei (tussen 1986 en 1995 steeg het bbp met 43 procent van ruim 437 miljard gulden naar ruim 626 miljard) is vooral te danken aan de groei van de export, de binnenlandse en met name de consumptieve bestedingen bleven achter. En dat is slecht voor het midden- en kleinbedrijf, de enige echte motor van de banengroei. Hier heeft de jarenlang volgehouden loonmatiging en het voortdurende besparen op de uitkeringen dus een negatief effect op de groei van de werkgelegenheid. De econoom Jan Pen schrijft hierover:

De regering wil bezuinigen om het begrotingstekort terug te drukken. Dit is slecht voor de werkgelegenheid, wat voor Nederland duidelijk in het oog springt: de export loopt als een lier, de binnenlandse bestedingen blijven al decennia lang achter, het overschot op de betalingsbalans keert jaar in jaar uit terug, de winsten worden geïnvesteerd in het buitenland, de groei van de produktie ligt nauwelijks boven de trendmatige groei van de arbeidsproduktiviteit, die ook al niet erg krachtig is. Het is waar, dat we geen cumulatieve instorting van de markten hebben, maar wel slappe markten. Het is treurig, dat over dit beleidsdilemma wordt gezwegen.49

Dit is ook de achtergrond van het voorstel van de SP om het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen te verhogen met om te beginnen 5 procent. Het mes snijdt dan aan twee kanten: de groeiende armoede wordt structureel aangepakt, en de werkgelegenheid wordt bevorderd door de binnenlandse bestedingen aan te moedigen. De mensen aan wie deze verhoging ten goede komt, besteden die bij de kruidenier of slager op de hoek en zetten het geld in ieder geval niet op een Zwitserse bankrekening. De verhoging zou betaald kunnen worden uit een verhoging met enkele procenten van de vennootschapsbelasting, de belasting op de winsten. Die belasting is eind jaren tachtig juist verlaagd van 42 naar 35 procent. Ter vergelijking: de gemiddelde bedrijfsbelasting voor alle oeso-landen bedraagt 40 procent; in Duitsland, onze belangrijkste handelspartner, betalen bedrijven maar liefst 56 procent vennootschapsbelasting. Het paarse kabinet is het bedrijfsleven zowel in 1995 als in 1996 ook nog eens tegemoet gekomen met een forse lastenverlichting: alleen al in 1996 gaat 3,5 miljard van het pakket lastenverlichting van in totaal 4 miljard naar de werkgevers.50
Maar zelfs zonder die lastenverlichting stegen de winsten van het bedrijfsleven de afgelopen jaren reeds spectaculair, zoals uit onderstaand staatje mag blijken.

Winst 1994 1995 Verschil

Shell 10.356 11.025 + ··6,5%
abn/amro ·2.286 ·2.616 + ·14,5%
rabo ·1.284 ·1.427 + ·11,0%
Interpolis ···.93 ··.151 + ·62,5%
kpn ·2.035 ·2.257 + ·10,9%
dsm ··.532 ·1.071 + 101,5%
Randstad ··.112 ··.163 + ·45,5%
vnu ··.206 ··.430 + 108,5%
knp bt ··.355 ··.470 + ·32,5%

(Nettowinst in miljoenen guldens na afdracht van belastingen)

De drieëntwintig grootste winstmakers van ons land boekten in 1995 ten opzichte van 1994 gemiddeld een extra winst van ruim 33 procent. Maar helaas, tot vermindering van de werkloosheid heeft dit nauwelijks geleid. Sterker nog, bedrijven als Philips, Shell, abn-amro en ing kondigden verminderingen van het aantal arbeidsplaatsen aan die opliepen tot in de tienduizenden. De stijging van de winsten en de daling van de werkgelegenheid hebben alles met elkaar te maken. Een belangrijke verklaring voor de explosie van de winsten bij deze bedrijven ligt juist in het feit dat men zovelen de laan heeft uitgestuurd en tevens de blijvers heeft verplicht harder te gaan werken.
Hoe absurd deze situatie ook is, het is een logisch gevolg van het feit dat de belangen van ondernemers niet stroken met de belangen van de gemeenschap als geheel. Zoals werkgeversvoorzitter Blankert ooit bij nova zei: ‘Het is niet de taak van bedrijven werk te creëren. Werk ontstaat als er geproduceerd kan worden om winst te maken.’ De werkloosheid zal niet worden opgelost door het bedrijfsleven rijkelijk te bedelen. Zij wordt pas opgelost als het bestaande werk beter wordt verdeeld, want in essentie is de werkloosheid een organisatorisch probleem. Bovendien zal de tweedeling in de samenleving blijven groeien zolang de neoliberale mode voortduurt. Want alle mooie woorden over armoedebestrijding kunnen niet verhullen dat de armen armer en de rijken rijker worden. Terwijl de rijkste 20 procent van de huishoudens in 1991 4,1 maal zoveel verdiende als de armste 20 procent, was dat cijfer in 1994 al gegroeid tot 4,4. Zoals de VN-organisatie undp in de zomer van 1996 vaststelde: Nederland groeit wel, maar het groeit ‘meedogenloos’.51