7. Een kwestie van beschaving

‘We zijn het dorpsplein kwijtgeraakt, zowel fysiek als psychisch. Het is jammerlijk gesloopt. De overheid richt zich altijd op het oplossen van problemen in plaats van op het voorkomen ervan. Ze slopen het dorpsplein en klagen vervolgens over de verloedering van de samenleving.’
M. Huibregtsen

Een van de merkwaardigste uitnodigingen die ik ooit ontving, was afkomstig van de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg. Het aan die universiteit verbonden Centrum voor Wetenschap en Levensbeschouwing en de studievereniging voor sociologiestudenten Versot vroegen mij in februari 1996 of ik het eerste exemplaar in ontvangst wilde nemen van een boekwerk getiteld God is dood! Leve God? Beschouwingen over zingeving. Bij die gelegenheid zou ik dan ook nog een toespraak moeten houden over de in het boek aangesneden thema’s. Uiteraard vroeg ik mij onmiddellijk af: waarom ik? Bij mijn beste weten heb ik namelijk nooit de pretentie gehad, laat staan publiekelijk uitgesproken, dat ik iets zinnigs te zeggen zou hebben over het al of niet bestaan van God. En een beschouwing over zingeving op de drempel van de 21ste eeuw had ik ook nog nooit ten beste gegeven. Maar goed, mijn nieuwsgierigheid (en misschien ook wel mijn ijdelheid) won het uiteindelijk van mijn twijfel, en dus sprak ik op de bewuste avond een gehoor toe van katholieke studenten, de voormalige bisschop van Breda monseigneur Ernst, emeritus hoogleraar godsdienstsociologie prof. dr Goddijn en nog enkele tientallen andere belangstellenden.
Nu heb ik zelf een katholieke opvoeding genoten en enkele jaren doorgebracht op katholieke kostscholen. Met name aan één van die kostscholen bewaar ik minder goede herinneringen. Maar een hekel aan gelovigen of religieuzen heb ik er niet aan overgehouden – wel een hekel aan gelovigen die denken dat zij de enigen zijn die belang hechten aan en nadenken over normen en waarden. In het boekje dat die avond werd gepresenteerd, kwam een citaat voor van monseigneur Ernst: ‘Jongeren zullen via de ethiek toch weer tot religie komen, die het fundament is van de ethiek. (¼) If religion goes, our culture goes.’ Daar ben ik het dus in het geheel niet mee eens. Ik ben zelf al tijdens mijn middelbare-schooltijd tot de conclusie gekomen dat religie niets voor mij is, maar dat heeft mij er niet van weerhouden om na te blijven denken over ethiek en over de normen en waarden die het fundament vormen van onze samenleving. Ik zou die willen omschrijven als ons collectieve geweten – een geweten dat is gevormd onder invloed van verschillende religieuze en niet-religieuze stromingen, zoals het jodendom, christendom, humanisme en marxisme. Naar mijn opvatting wordt de basis onder onze beschaving gevormd door het algemene besef dat normen en waarden onmisbaar zijn voor een fatsoenlijke en menswaardige samenleving. En het is dan ook niet toevallig dat de discussie over normen en waarden weer oplaait, nu onze Europese beschaving onder invloed van het neoliberalisme steeds ernstiger tekenen van verval begint te vertonen.

Het Ik-tijdperk van de jaren tachtig

De sterk idealistische opstelling van met name de linkse politieke partijen in de jaren zeventig en de daaraan verbonden pretenties over de maakbare samenleving (zie ook hoofdstuk 2), konden niet anders dan tot een reactie leiden. Die kwam er dan ook, in de jaren tachtig. En zoals zo vaak wanneer de slinger de andere kant uitgaat, sloeg hij ook hier weer helemaal door naar de andere kant. In plaats van de min of meer algemeen aanvaarde normen en waarden die de Nederlandse samenleving tot ver in de jaren zeventig bijeen had gehouden, kwam er een soort ‘nihilisme als hoogste goed’. Niets moest en alles kon: letterlijk en figuurlijk. Het proces van individualisering van de samenleving – niet zelden uitmondend in een egoïstisch individualisme – vormde de nekslag voor het oude zuilenstelsel. Daarmee verdween voor een belangrijk deel ook de infrastructuur voor de overdracht van normen en waarden, zonder dat er iets beschikbaar was om het ontstane vacuüm te vullen.
Het Ik-tijdperk brak aan. ‘Weg met alle oude vormen en gedachten, ik bepaal zelf wel hoe ik leef’ – dat was zo’n beetje de algemene opvatting. Engagement was alleen nog aantrekkelijk als het iets kon opleveren voor de eigen positie of portemonnee. Sociale controle werd een rechts en conservatief begrip. De alom gepredikte ‘tolerantie’ gaf iedereen, nou ja bijna iedereen, maximale vrijheid. Niets moest, alles mocht. Het was ook de tijd van de opkomst van het hedonisme: alles voor het heden, en het heden vóór alles. Die levenshouding verdraagt zich bijzonder goed met het consumentisme, een vorm van bewustzijnsvernauwing die de mens doet geloven dat het geluk in het leven recht evenredig is met zijn of haar consumptiepeil. Zoals eerder al opgemerkt kwam de VVD in die jaren met de verkiezingsleus: ‘Gewoon jezelf zijn.’ Daarmee bewezen de liberalen een bijzonder goede neus te hebben voor de tijdgeest, maar ze miskenden tegelijkertijd dat er voor een menswaardige samenleving net iets meer nodig is dan dat iedereen maar ‘zichzelf’ is – wat dat overigens ook mag betekenen.
De enorme populariteit van de individualistische levenshouding bevorderde een algemeen gevoel van afkeer van normen en waarden. Mede als gevolg dáárvan trad er een versplintering en een verharding van de samenleving op. De samenleving werd geconfronteerd met een explosieve groei van het vandalisme onder de jeugd, een snelle toename van het aantal mensen in psychische nood, een sterke stijging van het aantal kinderen met leer- en opvoedingsproblemen, en last but not least een toename van de criminaliteit. Uit de Integrale Veiligheidsrapportage 1996 van het ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat inmiddels één op de vier Nederlanders ‘bang’ is op straat. Het gevoel van onveiligheid neemt al jaren toe, en niet ten onrechte. In de periode tussen 1985 en 1993 verdubbelde bijvoorbeeld het aantal overvallen. In 1992 was het aantal woninginbraken 260 procent hoger dan in 1980. In diezelfde periode verdrievoudigde het aantal autodiefstallen.70 En die ontwikkeling is voorlopig nog niet tot staan gebracht. Als reactie op de stijgende criminaliteit horen we steeds vaker en steeds luider de roep om hogere straffen, meer politie en meer cellen. Maar het is een misvatting te denken dat asociaal en crimineel gedrag alleen door wetgeving en repressie kan worden bestreden. Daar is veel meer voor nodig. De socioloog Cees Schuyt heeft geschreven:

Als men weet, dat van de ruw geschatte vijf miljoen ‘slachtoffersituaties’ per jaar één miljoen misdrijven wordt aangemeld bij de politie, waarvan er ruw geschat ongeveer tweehonderdduizend worden opgehelderd, waarvan weer de helft wordt geseponeerd en waarvan hooguit zo’n twintig procent eindigt in gevangenisstraf, dan heeft men een goede schets van de moeilijkheden van het strafsysteem.71

Meer agenten op straat, zoals al jaren door een aantal partijen en met name de VVD wordt bepleit, is dan een mooi streven, maar zonder de medewerking van de burger én de politiek kan asociaal en crimineel gedrag nooit echt worden teruggedrongen. In zijn destijds spraakmakende boek Lof der dwang heeft de socioloog en publicist Herman Vuijsje uitvoerig de verloedering beschreven van zijn eigen woonomgeving, de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Als gevolg van de aanwezigheid van een aantal extreem problematische drugsgebruikers, werd daar de ene na de andere steeg afgesloten met hekken, verdween de kaartverkoop bij het metrostation, werden telefooncellen verwijderd en moesten snackbars vroeger in de avond hun deuren sluiten. ‘Zo wordt het openbare domein, toch al aangetast, niet verdedigd maar verder prijsgegeven. De overheid neemt haar verantwoordelijkheid niet, maar wentelt deze af,’ aldus Vuijsje.72 Het probleem wordt nog verergerd door het feit dat veel mensen de openbare ruimte net als het openbare groen beschouwen als iets van de overheid, in plaats van dat men spreekt over ‘ons groen’ en ‘onze straat’. Veel mensen hebben zich teruggetrokken binnen de veilige beschutting van hun eigen koninkrijkje, waar de tv het venster vormt op de buitenwereld. Maar de openbare ruimte is, zoals de term al aangeeft, van ons, van iedereen. We moeten haar dus terug veroveren, waarbij we natuurlijk wel moeten kunnen rekenen op de steun van de overheid, bijvoorbeeld in de vorm van de politie.

Criminaliteit als maatschappelijk probleem

De politie is er om boeven te vangen, de politiek is er om criminaliteit te voorkomen. Dat laatste kan bijvoorbeeld gebeuren door te erkennen dat asociaal en crimineel gedrag vaak maatschappelijke oorzaken heeft. Mensen ontlenen hun identiteit voor een belangrijk deel aan hun maatschappelijke status. Wanneer die status er niet is en wanneer er ook geen uitzicht op verbetering bestaat, dan is er soms maar een klein zetje nodig om mensen op het criminele pad te brengen. Immers, niets te verliezen hebben weekt mensen los van hun sociale verplichtingen, en criminaliteit kan het (financiële) perspectief bieden dat aan het grauwe leven van alledag ontbreekt. Maar in het neoliberale denken ontbreekt nu juist het besef van de sociaal-economische achtergrond van veel criminaliteit. Vandaar dat neoliberalen de ‘oplossing’ voor de groeiende criminaliteit steevast zoeken bij het strafrecht.
Overal in de wereld gaat de opkomst van het neoliberalisme gepaard met een verharding van de samenleving en het strafrechtelijk klimaat. Het aantal gevangenissen stijgt, evenals het aantal bewoners ervan. De grootste overeenkomst, zo lijkt het, tussen neoliberale machthebbers en dictators is hun voorliefde voor het opsluiten van hun medemens. Toen iemand eens aan Jesse Jackson vroeg hoe hij het verschil in succes tussen de Amerikaanse en de Japanse economie verklaarde, antwoordde hij: ‘In Japan sturen ze hun jongeren naar school, wij sturen ze naar de gevangenis.’ De laatste jaren zitten er meer zwarte kinderen in de gevangenis dan op college. Voor veel jonge Amerikanen is de gevangenis een ontmoetingsplaats geworden. Hun vrienden zitten er immers ook.
Van oudsher kennen de Verenigde Staten een veel strenger strafrechtelijk klimaat dan de meeste andere westerse landen. Maar onder de Republikeinse presidenten Reagan en Bush heeft het law and order-denken een wel heel hoge vlucht genomen. In geen enkel ander land zitten per duizend inwoners zo veel mensen gevangen als in the land of the free. Tussen 1965 en 1990 is het aantal gevangenen in de VS ruim verviervoudigd. Is Amerika daarmee een veiliger land geworden? Nee, integendeel. Want terwijl de gevangenisstraffen langer werden en het aantal ter dood veroordeelden steeg, nam ook de criminaliteit toe – met name onder jongeren. Tussen 1987 en 1991 steeg het aantal jongeren dat werd gearresteerd wegens moord met 85 procent. Jongeren zijn in de VS inmiddels verantwoordelijk voor 17 procent van alle geweldsmisdrijven. Bovendien zijn jongeren ook steeds vaker slachtoffer. Volgens cijfers van de fbi werden in 1991 2200 kinderen van onder de achttien vermoord; dat is gemiddeld meer dan zes per dag.
Die enorme geweldsexplosie was ongetwijfeld niet te wijten aan een verandering in het genetisch materiaal van de gemiddelde Amerikaan. Evenmin zal zij een gevolg zijn geweest van een plotselinge groei in het aantal hersenafwijkingen. Nee, de stijging van de criminaliteit is voor een belangrijk deel te verklaren uit de verharding van het sociaal-economische klimaat in de jaren tachtig en de daarmee samenhangende groei van de uitzichtloosheid. Alle deskundigen zijn het erover eens dat de groeiende maatschappelijke ongelijkheid, het ontbreken van een toekomstperspectief, het wegvallen van de sociale controle en het overal voor handen zijn van wapens, de ‘ideale’ voedingsbodem vormen voor criminaliteit. De uitzichtloosheid is het grootst in de verpauperde wijken waar veel werklozen wonen – en datzelfde geldt voor de criminaliteit. Veel kinderen uit de getto’s maken hun schoolopleiding niet af en als ze dat wel doen, is er vaak geen werk voor hen. Het zijn kinderen zonder perspectief. Met de beste wil van de wereld zijn zij niet te overreden zich in te spannen voor een betere toekomst voor henzelf en hún kinderen. In de wijken waarin ze wonen heerst een gewelddadige atmosfeer, waarin normale omgangsregels niet geldig zijn en er nauwelijks ruimte bestaat voor normaal gedrag. De traditionele verbanden – gezin, school en gemeenschap – spelen een steeds minder belangrijke rol, zodat de kinderen zich alleen nog kunnen spiegelen aan hun leeftijdgenoten. Daardoor vallen ze al snel ten prooi aan drugsbendes en raken betrokken bij criminele activiteiten. Katie Buckland, een vrijwilligster op een school in Los Angeles, zegt daarover: ‘Deze kinderen geloven al lang niet meer in de normale weg naar succes in het leven. Gemeten naar hun eigen standaarden is een kind dat crack verkoopt eerder slim dan dom. Het zijn de kinderen die nog ambitie hebben. Zij gebruiken de enig aanwezige ladder om omhoog te komen: de ladder van gangs en drugs. Het is de makkelijkste en snelste weg naar veel geld.’73
Het falende strafrecht

Een tweede belangrijke oorzaak van het toenemend geweld in de VS is gelegen in het strafsysteem zelf. Gedetineerden die de hun opgelegde straf als veel te zwaar ervaren in vergelijking tot het delict dat zij hebben gepleegd, zijn veel eerder geneigd tot recidiveren dan criminelen die hun straf min of meer als gerechtvaardigd hebben ervaren. Bovendien: hoe groter de wrok, hoe gewelddadiger de wraak. En als er iets is dat Amerikaanse gedetineerden in het veelal onmenselijk zware gevangenisregime weten op te bouwen, dan is het wel wrok tegen de samenleving.
Er is een groeiend aantal mensen dat meent dat we ook in ons land zwaarder moeten gaan straffen en dat we het regime in de gevangenis nóg afschrikwekkender moeten maken. Directeur J. van den Berg van de gevangenis ‘De Pil’ in Lelystad is het daar niet mee eens. Hij zegt daarover:

Dat is het paard achter de wagen spannen. Het wordt nu politiek correct gevonden om opmerkingen te maken over met z’n tweeën in een cel, en openlijk te discussiëren over herinvoering van de doodstraf. Dat was twintig jaar geleden ondenkbaar. Maar met deze verharding lossen we het probleem niet op. Integendeel, met deze leed-toevoegende elementen ‘ontmenselijken’ we onze gevangenen. De haat en de frustratie hopen zich bij hen op en deze mensen moeten na verloop van tijd wel terug in onze samenleving. (¼) De VS is hèt voorbeeld hoe we het niet moeten aanpakken. Stapels onderzoeksmateriaal uit Amerika hebben we inmiddels voorhanden en we doen er niets mee!74

Ik zou haast zeggen: integendeel. Het wordt eentonig, maar wat zich de afgelopen vijftien jaar in de VS heeft voltrokken, vindt, weliswaar in afgezwakte vorm, op dit moment ook in Nederland plaats: voor dezelfde delicten worden tegenwoordig zwaardere straffen opgelegd dan in het verleden.75 Dat is voor een deel de verklaring voor het feit dat de totale duur van de opgelegde straffen tussen 1990 en 1994 met 33 procent is toegenomen. De gevangenispopulatie met een opgelegde gevangenisstraf van twee jaar of meer, is in die vier jaar gestegen van 27 naar 48 procent van alle gevangenen. Als gevolg van deze ontwikkeling is er de afgelopen jaren een structureel cellentekort ontstaan, ondanks de bouw van steeds weer nieuwe cellen. Bedroeg het aantal cellen in 1990 nog 6800, in 1995 was dit aantal al gegroeid tot 12000. De komende jaren moeten daar nog eens 3000 cellen bijkomen. De bouw van extra cellen zal echter nooit de oplossing zijn voor het probleem van de criminaliteit. ‘Tralies zijn geen medicijn,’ schreef strafrechter mr J.J. Abspoel in 1985 reeds. ‘Bij sommige uitingen van onze criminaliteitsbestrijders ben ik geneigd te denken dat er in dit land meer sprake is van een tekort aan hersencellen dan aan gevangeniscellen.’76
Er is ook bijna niemand meer die gelooft dat gedetineerden in de gevangenis geresocialiseerd kunnen worden. Over het algemeen blijkt dat ze de gevangenis slechter uitkomen dan dat ze erin zijn gegaan. De gevangenis is bij uitstek de plek om te leren niet te veel scrupules te hebben en om de kneepjes van het criminele vak onder de knie te krijgen. Een ander logisch effect van gevangenisstraf is dat de binding van de gevangene met zijn sociale omgeving en de samenleving wordt doorgesneden. Volgens criminoloog prof. dr R.W. Jongman77 vormt dit (naast het feit dat ex-gedetineerden meestal bij gebrek aan beter weer teruggaan naar het milieu waar het eerder fout ging), één van de verklaringen voor het hoge recidive-cijfer van 70 procent.78 Het systeem van opsluiten heeft dus vele nadelen. En dat terwijl het gevangenzetten van criminelen de gemeenschap voor enorme kosten plaatst. Een cel met een normaal gevangenisregime kost tweeënhalve ton om te bouwen en een ton per jaar aan exploitatiekosten. Voor een cel binnen een extra beveiligde inrichting zijn de kosten per jaar een veelvoud daarvan. In de VS hebben ze daar wat op gevonden: geprivatiseerde gevangenissen (hoe kan het ook anders). Van de bijna één miljoen Amerikaanse gevangenen, zijn er inmiddels bijna 45 duizend in handen van privé-bedrijven. Dit soort ondernemingen biedt zijn werknemers, de bewakers, minimale rechtszekerheid, magere salarissen en vrijwel geen sociale voorzieningen als bijvoorbeeld pensioen. Uiteraard wordt ook flink bezuinigd op de voorzieningen voor de gevangenen. In sommige gevangenissen verblijven de gedetineerden in tentenkampen. In andere zijn ‘luxes’ als een kopje koffie, de bibliotheek of sportfaciliteiten geschrapt. En ook de ‘goeie, ouwe’ chaingang is weer terug. Opsluiting van meer gevangenen in één cel is in Amerika meer regel dan uitzondering. In Californië zaten in 1993 113000 mensen vast, dat was 88 procent meer dan waar eigenlijk plaats voor was. Maar waar de nood hoog is, is de geest creatief. De overheid vorderde een aantal gymlokalen, waarin de gevangenen in stapelbedden konden worden ‘opgeslagen’ – 250 man in één ruimte. Geen wonder dat mishandeling, verkrachting en moord onder Amerikaanse gevangenen aan de orde van de dag zijn. En hoewel er inmiddels op elke 250 inwoners één cel is, bestaat het cellentekort nog steeds.

Vrij en niet vrij

Terug naar Nederland. Naar schatting 10 tot 20 procent van het totaal aantal gedetineerden in de Nederlandse gevangenissen is psychisch gestoord. Het verblijf van deze mensen in een gevangenis dient geen enkel doel. Niet alleen zijzelf maar ook de medegevangenen, de bewaarders en de samenleving als geheel hebben er belang bij dat zij worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. Maar aan plaatsen in deze inrichtingen is als gevolg van de bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg weer een chronisch gebrek.
En wat te denken van het groot aantal verslaafden in de gevangenissen: zo lang zij niet van hun verslaving afkomen, zullen zij afwisselend in de maatschappij en in detentie verblijven. Onder drang en eventueel dwang afkicken was jarenlang onbespreekbaar. Herman Vuijsje schreef daarover in Lof der dwang met nauwelijks verholen woede:

Zelfs tegenover de heroïnehoeren wordt het gedogen volgehouden tot de dood erop volgt. Ook al is een derde van hen al seropositief, zij moeten maar op vrijwillige basis van gedrag veranderen, wat in hun geval een dubbele ommezwaai inhoudt: bij het spuiten schone naalden gebruiken, en in hun seksuele contact condooms. Deze discipline wordt dan verondersteld bij mensen die voor hun roes alles over hebben, en voor een relatief groot deel geestelijk gestoordzijn.79

We gaan er in Nederland prat op dat we zoveel gedogen. En soms, zoals met de verbouw en verkoop van soft drugs, is dat wellicht ook tijdelijk de beste oplossing. Iets anders is het wanneer we ‘gedogen’ dat mensen zichzelf de vernieling in werken, zonder dat er een serieuze poging wordt ondernomen hen te helpen. De wet bopz (Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen) heeft het in vergelijking met de oude Krankzinnigenwet veel moeilijker gemaakt mensen tegen hun wil op te nemen, om ze zo tegen zichzelf te beschermen. Alleen als ze een gevaar vormen voor hun omgeving kan er iets worden ondernomen. Nu waren er onder de oude wet inderdaad uitwassen, wanneer mensen niet alleen tegen hun wil maar ook nog vaak ten onrechte werden opgenomen. Maar wanneer mensen die dringend psychiatrische hulp nodig hebben aan hun lot worden overgelaten, zoals nu vaak gebeurt, is dat eveneens onverteerbaar. Verschillende belangenorganisaties van mensen met psychische problemen, zoals de werkgroep Ypsilon en de Schizofrenie Stichting, zeggen dat het juist kenmerkend is voor de mensen waar zij voor opkomen dat ze moeilijk of niet kunnen beoordelen wat goed voor hen is. Is het dan een vorm van beschaving om ze ‘met rust te laten’? Wat is dat voor beschaving die tegen mensen die nog slechts dwangmatig kunnen denken en handelen zegt: ‘We zijn een vrij land, of u behandeld wilt worden is uw eigen keus’? Hoe vrij is de keuze van deze zieke mensen?
De Wet bopz is net als de Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg, big (die elke kwakzalver de vrijheid geeft een bordje met ‘therapeut’ op zijn deur te spijkeren) en het geliberaliseerde gokbeleid (waardoor ons land nu tienduizenden gokverslaafden kent), een voorbeeld van het doorgeslagen libertaire denken van de jaren tachtig. Dat heeft geleid tot een overheidsbeleid dat geen rekening houdt met de achtergronden van mensen en alles gooit op de zelfredzaamheid. De ‘bevordering van de persoonlijke vrijheid’ dient daarbij als alibi voor ‘de terugtredende overheid’. Het taboe op het denken over de betekenis van de eigen verantwoordelijkheid in de jaren zeventig is in dit neoliberale gedachtengoed vervangen door een taboe op denken over de sociaal-economische oorzaken van zowel drugsgebruik als criminaliteit. Het totale gebrek aan perspectief dat de neoliberale samenleving aan velen biedt, mag niet in verband worden gebracht met de neiging om zich te verliezen in de roes van alcohol, drugs of geweld. Evenmin als de verheerlijking van geweld, zoals die spreekt uit menige bioscoopkraker en commerciële successerie op de televisie, een rol schijnt te mogen spelen in discussies over geweld op scholen. Dat soort moralisme wordt door de cellenbouwende, langstraffende neoliberalen als impertinente overheidsbemoeienis van de hand gewezen.
Het zou allemaal tamelijk lachwekkend zijn, als de gevolgen van dit nieuwe taboe-denken niet zo verschrikkelijk waren.

De gevolgen van amoreel onderwijs

Uit de reeds eerder genoemde Integrale Veiligheidsrapportage 1996 van het ministerie van Binnenlandse Zaken, blijkt dat de omvang en aard van de criminaliteit onder kinderen in de leeftijd van zeven tot twaalf jaar sterk is gestegen. Brandweerlieden plegen te zeggen: ‘Elke brand kan je met een kopje water blussen, als je er maar vroeg genoeg bij bent.’ Zo is het ook met asociaal en crimineel gedrag. Een goede opvoeding en opleiding zijn daarom van immens belang.
In zijn recente boek Wij leiden op tot niets roept de Amerikaanse socioloog Neil Postman op tot een herbezinning op de rol van het onderwijs in de samenleving. Volgens Postman vragen onderwijsdeskundigen zich veel te weinig af waartoe onderwijs eigenlijk zou moeten dienen. En voor zover die vraag over ‘het waartoe’ nog wordt gesteld, klinkt steeds vaker het antwoord: om bruikbare arbeidskrachten af te leveren voor de nationale economie. Postman schrijft daarover:

Als we bijvoorbeeld wisten dat al onze leerlingen een leidinggevende positie in een bedrijf wilden gaan bekleden, zouden wij hun dan leren om goed memo’s, kwartaaloverzichten en beursnoteringen te lezen en hun hoofd niet te breken over poëzie, natuurwetenschap en geschiedenis? Ik denk het niet. En iedereen die nadenkt, is het met me eens. Gespecialiseerde kennis kun je slechts verkrijgen via algemenere kennis, wat inhoudt dat economisch nut een bijprodukt is van goed onderwijs. Elk goed onderricht dat hoofdzakelijk over economisch nut gaat, is veel te beperkt om nuttig te zijn en verkleint de wereld zozeer dat het een bespotting wordt voor iemands menselijkheid.’80

De voormalige minister van Economische Zaken in Nederland, de cda’er Andriessen, werd nooit moe te benadrukken dat te weinig Nederlandse studenten kozen voor een exacte, technische studierichting. En ook het bedrijfsleven klaagt regelmatig dat de Nederlandse universiteiten en hogescholen te weinig mensen afleveren die direct inzetbaar zijn in de internationale concurrentieslag.
Nu lijkt het buitengewoon onwaarschijnlijk dat een buitenaardse bezoeker die de problemen van de Nederlandse samenleving in ogenschouw zou nemen, tot de conclusie komt dat ons land vooral een gebrek heeft aan techneuten. Net als alle andere westerse landen komt ook Nederland om in de technologie – van chemie tot biotechnologie en van autotechniek tot informatietechnologie. Een veel belangrijker probleem is dan ook het tekort aan mensen die in staat zijn na te denken over hoe we al die technologie kunnen aanwenden om een leefbaarder samenleving te creëren. Het opleiden van meer hoog-gekwalificeerde en dus zwaar-gespecialiseerde ingenieurs zal dat probleem alleen maar groter maken.
De hele gedachte dat het onderwijs vooral en alleen marktgericht zou moeten ‘produceren’, staat haaks op de traditie die begon met de school van Plato, en die via de middeleeuwse kloosters en de Moorse universiteiten, het humanistisch onderwijs en de scholen van de Verlichting, uitmondde in het openbaar onderwijs van de klassieke liberalen en de sociaal-democratie. In die traditie stond het opleiden tot een vak altijd in de schaduw van het opleiden tot ‘een beter mens’. Kennis van, om maar eens wat te noemen, de Griekse tragedies en de filosofen van de Verlichting, mag dan van weinig nut zijn bij het ontwikkelen van draagbare telefoons of nog snellere computers, het verschaft wel inzicht in de rijke traditie van onze cultuur. Het maakt je vertrouwd met de verschillende manieren waarop in andere tijden en op andere plaatsen tegen maatschappelijke, morele en andere dilemma’s werd aangekeken.
Het is volkomen terecht dat tegenwoordig (in tegenstelling tot de jaren tachtig) door de meeste mensen aan scholen weer een belangrijke rol wordt toebedacht bij de overdracht van normen en waarden. Naast ouders zijn onderwijzers en leerkrachten immers de eerst-aangewezenen om jonge mensen wegwijs te maken in het sociale verkeer. En dat is nu eenmaal vergeven van normen en waarden, of de neoliberale marktgoeroes dat nu leuk vinden of niet. Immers, hoe kan het moderne, economische begrip ‘intellectueel eigendom’ enige betekenis hebben voor iemand die nooit het onderscheid heeft geleerd tussen ‘het mijn en het dijn’? Waarom zou een milieuactivist moeten afzien van het vernielen van luchtverontreinigende automobielen, als hij nooit heeft geleerd de kracht van argumenten hoger aan te slaan dan de domme kracht van fysiek geweld? En waar, behalve thuis, is er meer gelegenheid om kinderen dergelijk onderscheid bij te brengen dan op school?
Voor de neoliberalen ligt hier echter een lastig probleem. Een van de dogma’s van het liberalisme is namelijk dat morele afwegingen horen tot het privé-domein en dat daarin voor de overheid dus geen rol van betekenis is weggelegd. Die opvatting spruit rechtstreeks voort uit het besef dat de door hen aanbeden vrije markt geen morele waarden kent, maar slechts economische en financiële. De keuze van een kleding-multinational om zijn produkten niet meer in India maar in Bangladesh te laten maken, omdat de lonen daar nog lager liggen, raakt echter wel degelijk aan zeer basale normen en waarden. Die keuze behelst immers een impliciete veroordeling van het fatsoenlijk betalen van arbeiders en een impliciete goedkeuring van uitbuiting. Daarmee is het dus een morele keuze geworden: zo niet van de betreffende ondernemer, dan toch in ieder geval van het economisch systeem dat hem uit lijfsbehoud dwingt zo’n besluit te nemen. In een uitzending van vpro’s Zomergasten in 1995 toonde Frits Bolkestein zich ook gevoelig voor de morele implicaties van zulke keuzes. Hij liet toen een fragment zien van de Belgische speelfilm Daens, die handelt over het moedige verzet van een Vlaamse geestelijke tegen de uitbuiting van textielarbeiders in het Aalst van rond de eeuwwisseling. Bolkestein wilde het fragment naar eigen zeggen vertonen, vanwege zijn bewondering voor de figuur Daens. Je kunt alleen maar hopen, zo zei hij, dat je zelf in soortgelijke omstandigheden tot eenzelfde moedige keuze zult komen. Nu zou het inderdaad van grote politieke moed getuigen als Bolkestein ten strijde zou trekken tegen de uitbuiting door westerse multinationals van de textielarbeiders in Azië. Maar het neoliberale dogma van de waardenvrije markt sluit een dergelijk optreden uit. In de struggle for survival van de vrije markt is geen plaats voor zulk gemoraliseer.
Geen wonder dat voor vakken als maatschappijleer en geschiedenis (waarin een vertoning van de film Daens en een discussie over de morele implicaties van die film heel goed zouden passen) weinig waardering bestaat in de neoliberale onderwijsopvatting. Net zo min als het neoliberale dogma van de efficiency het toestaat dat er meer kleinere scholen komen met meer en kleinere klassen, in plaats van de huidige megascholen met een minimaal aantal leerkrachten op een maximaal aantal leerlingen. Dit ondanks het feit dat leerlingen van kleine scholen en uit kleinere klassen betere studieresultaten behalen, zich minder vaak schuldig maken aan vandalisme en criminaliteit en hun opleiding minder vaak voortijdig afbreken. De onoverzichtelijkheid van de leerfabrieken en de anonimiteit waarin de leerlingen hun lesuren afwerken kunnen, omdat ze niet de menselijke maat als uitgangspunt hebben, onmogelijk optimaal bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van kinderen. Maar ook hier maakt het neoliberale dictaat van de economie de beleidsmakers blind voor de samenhang der dingen.

De noodzakelijke terugkeer van de publieke moraal

Toen enkele prominente VVD’ers, onder wie Frits Bolkestein, in juni van 1996 een poging waagden om in die partij een discussie op gang te brengen over de plaats van normen en waarden binnen de beginselen van de partij, werden zij op een vergadering onmiddellijk door de partijraad teruggefloten. Normen en waarden, zo luidde de overheersende opvatting, zijn voor ieder individu verschillend, en omdat individuele vrijheid in liberale ogen het hoogste goed is, is het onwenselijk dat een liberale partij als de VVD zich probeert uit te spreken over morele kwesties – en mutatis mutandis dient dat ook te gelden voor de overheid. Zoals een lid van de partijraad de partijvoorzitter tijdens de vergadering in Bussum toevoegde: ‘Als u nog een keer “moralisme” zegt, gaat u hier besmeurd met pek en veren de deur uit.’81
Nu heeft deze discussie binnen de VVD voor niet-liberalen iets buitengewoon merkwaardigs. Immers, als het gaat over criminaliteit, uitkeringsfraude of vandalisme, is de VVD de eerste om daarover een duidelijk standpunt in te nemen: lieden die zich hieraan schuldig maken, dienen hard te worden gestraft. Het lijdt geen enkele twijfel dat dit een puur moralistisch standpunt is. En daar is ook niets mis mee: een overheid zonder moraal heeft geen bestaansrecht. Wie van mening is dat normen en waarden alleen iets zijn voor de huiskamer, en niet voor de samenleving als geheel, kan de maatschappelijke ordening maar het beste overlaten aan het darwinistische principe van het recht van de sterkste. De natuur, zo stellen de darwinisten niet ten onrechte, is amoreel. Er schuilt geen ‘kwaad’ in de wolf die het kariboe-kalf verslindt, zo min als er ‘goed’ schuilt in de zorg van de zeehondenmoeder voor haar jong. Beide handelingen zijn slechts gericht op de instandhouding van de eigen soort en zijn in die zin waardenvrij. Op dezelfde manier, zo betogen de neoliberalen, is ook de markt amoreel. In de huidige politiek-economische constellatie is dat inderdaad juist. Immers, de supermarkt-ondernemer dwingt de kruidenier op de hoek niet tot sluiting uit slechtheid, evenmin als de riante beloning van topmanagers een daad uit liefde is – beide zijn gericht op de overleving en bloei van de onderneming. Maar de mens onderscheidt zich nu juist van de hem omringende natuur, omdat hij wél morele keuzes maakt. Er is niemand, ook niet binnen de VVD, die de etnische zuiveringen in voormalig Joegoslavië beschouwt als een geslaagde poging van de Serviërs om het voortbestaan van de eigen soort veilig te stellen, ten koste van de moslims. En er zou niemand moeten zijn die het feit dat de 358 miljardairs die de wereld telt samen rijker zijn dan de 45 procent armste wereldburgers82, beschouwt als de logische uitkomst van de strijd om het bestaan – al moet gevreesd worden dat er in neoliberale kring heel wat lieden zijn die dat wel doen.
Het marktmechanisme is inderdaad amoreel, net zoals de wetten van de atoomfysica dat zijn. Maar wie de gevolgen van de marktwerking niet moreel wenst te toetsen, is immoreel. Net zoals de kernfysicus die zich niet wenst bezig te houden met de morele implicaties van de atoombom. Dat de verkondigers van de neoliberale heilsleer desondanks de ogen sluiten voor de a-morele kanten van de vrije markt, valt dan ook alleen te verklaren uit het feit dat zij zelf in die markt tot ‘de winnaars’ behoren. Een leger dat de oorlog wint, hoeft ook nooit verantwoording af te leggen over zijn immorele daden. Maar zelfs de meest succesvolle neoliberalen kunnen uiteindelijk niet zelfgenoegzaam achterover blijven leunen. Ook zij moeten, gedwongen door de harde werkelijkheid, erkennen dat een samenleving zonder het cement van normen en waarden, zonder een gemeenschappelijk referentiekader in de vorm van een collectief geweten, leidt tot verwildering, criminaliteit en chaos. De schaduwzijden van de individualisering openbaren zich ook aan de liberalen: criminaliteit maakt geen onderscheid naar politieke voorkeur.
En hier zijn we dan aangeland bij het ultieme liberale dilemma: welke morele eisen kan een overheid aan haar burgers stellen, als ‘de moraal’ geen zaak van de overheid is? In 1995 verscheen onder andere over dit dilemma een rapport van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, getiteld Tussen vrijblijvendheid en paternalisme. De hierboven genoemde vergadering van de partijraad van de VVD heeft zich overigens van dit rapport gedistantieerd: ‘Veel te bevoogdend.’83 De opstellers van dat rapport schrijven daarin ondermeer:

Wij menen dat een liberale stroming zich actief behoort in te zetten voor de bevordering van bepaalde deugden die essentieel zijn voor het voortbestaan van een liberaal stelsel. Liberalen hebben het recht en de plicht burgers te wijzen op de waarde van verdraagzaamheid en verantwoordelijkheidsgevoel. Zij mogen burgers voorhouden dat zij meer voor zichzelf en hun naasten moeten zorgen en niet bij elk probleempje een beroep op de overheid moeten doen.84

Maar hoe staat het met de verdraagzaamheid en het verantwoordelijkheidsgevoel van de overheid zelf? Hoe verdraagzaam is men ten aanzien van mensen die slachtoffer zijn geworden van het ‘liberale stelsel’ ten behoeve waarvan de liberalen zijn geïnteresseerd in ‘bepaalde deugden’? Hoe realistisch is dit gemoraliseer van de Teldersstichting op het punt van de criminaliteit als dat niet in een breder perspectief staat? En hoe staat het met het verantwoordelijkheidsgevoel van de VVD en de overheid als het gaat om de belangen van álle mensen in ons land? Natuurlijk mag het wetenschappelijk bureau van de VVD een beroep doen op de zelfwerkzaamheid en moeten mensen ‘voor zichzelf en hun naasten zorgen’ en niet bij elk wissewasje naar de overheid lopen. Maar wanneer de overheid vijftien jaar lang elke vorm van georganiseerde solidariteit in diskrediet brengt, is het dan realistisch van de burger solidariteit te vragen? Is het geloofwaardig eerst vijftien jaar lang te snijden in collectieve voorzieningen en dan burgers op te dragen ‘voor hun naasten te zorgen’?
De liberalen plaatsen de overheid tegenover de burger, in plaats van ernaast. Zij zien de overheid slechts als een voorwaardenschepper voor een maximaal functioneren van hun liberale stelsel, inclusief hun liberale economie met zijn traditie van survival of the fittest. De liberalen kunnen zich niet voorstellen dat de overheid ook zou kunnen optreden als belangenbehartiger van de héle bevolking. Zo’n rol verdraagt zich niet met de liberale idee dat het primaat voor de maatschappelijke ordening ligt bij de ‘zelfregulerende, spontane processen’.
In een ander rapport van de Teldersstichting wordt de liberale opvatting over de functie van de staat als volgt omschreven:

Het liberalisme erkent slechts twee functies van de staat: de bescherming van het individuele domein en de productie van goederen die nooit door enig inidividu of groep van individuen winstgevend kunnen worden geproduceerd, maar voor de samenleving de kosten meer dan goed maken en die niets met de bescherming van het individuele domein te maken hebben.85

Deze minimalistische opvatting komt ook tot uitdrukking in het door de VVD vaak gebezigde begrip ‘waarborgstaat’. Terecht zetten de liberalen zich af tegen betutteling en overdreven bemoeizucht die soms van de kant van de overheid op de burger wordt losgelaten. De Postbus 51-mededelingen op tv overstijgen zelden het niveau van de lessen van een dorpsonderwijzer in de jaren vijftig. Maar deze terechte kritiek is een onvoldoende argument om een pleidooi voor een minimale en waardevrije overheid te rechtvaardigen. Zoals al eerder gesteld: waarden zijn ons niet door een hogere macht gegeven, ze zijn een geabstraheerd antwoord op bestaande problemen. Hun oorsprong ligt in de permanente strijd tussen mens en natuur en de altijd doorgaande zoektocht naar hoe mensen het beste kunnen samenleven. Zo beschouwd vormen zij een ongeschreven weg waarlangs een menswaardige samenleving werkelijkheid kan worden. In de normen vinden die algemene, enigszins tijdloze waarden hun vertaling, sterk afhankelijk van tijd en plaats.

Naar een nieuwe moraal voor de overheid

Alleen al door haar beleid en haar wetten heeft de overheid met normen en waarden te maken. Misschien niet expliciet, maar impliciet des te meer. Terecht wordt de overheid door veel mensen dan ook als een baken beschouwd. Schuift het baken naar rechts of naar links, dan zal dat hoe dan ook gevolgen hebben voor de samenleving en de betekenis die normen en waarden voor mensen hebben. J.W. Becker, programmacoördinator culturele veranderingen bij het Sociaal en Cultureel Planbureau schrijft daarover:

Hoe politici en overheid hun bedoelingen ook formuleerden, met uitzondering van ‘de spreiding van macht, kennis en inkomen’ gingen de leuzen gepaard met bezuinigingen. Het beslag van de collectieve middelen op het nationaal inkomen, het begrotingstekort of de staatsschuld moesten met bepaalde percentages omlaag. De overheid heeft er ruim twintig jaar naar gestreefd de bevolking te mobiliseren op grond van eenvoudige getallen. Dit zal, naar men veronderstellen mag, de toch al geringe ontvankelijkheid voor morele boodschappen als onderdeel van het overheidsbeleid niet vergroot hebben. Als de overheid nu nog wil moraliseren, heeft zij zich de afgelopen decennia behoorlijk in de wielen gereden.86

Maar deze invloed van overheidsbeleid op het denken van mensen, dit verband tussen publieke moraal en de wijze waarop mensen hun individuele waarden en normen inhoud geven, wordt door de liberalen ontkend. Naar hun inzicht is de overheid op de eerste plaats volgend en moet dat ook zijn. Met deze machteloze, fatalistische benadering zijn we in een vicieuze cirkel beland, die weinig hoop biedt op verbetering. Want als de overheid haar autoriteit alleen maar ontleent aan de formele democratie en de politiek zich niet tot doel stelt haar autoriteit ook een morele basis te geven, dan is elke poging om de samenleving in de goede richting te sturen bij voorbaat gedoemd te mislukken. De liberale samenleving maakt het gezegde homo homini lupus (de mens is de mens een wolf) tot waarheid. Een overheid die daaraan meewerkt in plaats van weerwerk te bieden, moet later niet klagen over gebrek aan burgerzin, stijgende normloosheid en toename van de criminaliteit. Wie een paard in draf de sporen geeft, moet niet raar staan kijken als hij gaat galopperen.
Moeten we dan in arren moede maar terugkeren naar de oude, calvinistische waarden van de jaren vijftig, zoals het cda graag wil? Natuurlijk niet.
Zoals ik destijds mijn grotendeels religieuze gehoor aan de Katholieke Universiteit in Tilburg voorhield, houden ook buitenkerkelijken, ja zelfs agnosten en socialisten er normen en waarden op na. In mijn ogen zijn er daarbij drie waarden belangrijker dan alle anderen: allereerst de menselijke waardigheid, het recht van elk individu op een fatsoenlijk bestaan waarin die waardigheid tot zijn recht kan komen; ten tweede, het besef van de fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen; en ten derde, solidariteit, omdat we dan wel gelijkwaardig mogen zijn, maar nooit helemaal gelijk. Deze drie waarden, die zich in meer dan tweeduizend jaar Europese geschiedenis hebben uitgekristalliseerd, hebben hun nut bewezen voor individu én samenleving. En zij zullen dat ook in de toekomst doen, mits de neoliberale, waardenvrije trend gestopt wordt en recht wordt gedaan aan de plaats van de overheid en de publieke moraal. De betekenis van de publieke moraal willen terugbrengen tot alleen het geïndividualiseerde burgermansfatsoen, zoals nu gebeurt, is een miskenning van de betekenis van de ethiek voor de samenleving als geheel en de politiek en politici in het bijzonder. Met een dergelijke opvatting bewijzen de neoliberale machthebbers alleen zichzelf een goede dienst: zij hoeven zich dan immers niet meer te bekommeren om de asociale gevolgen van hun beleid.