8. De Verenigde Staten van Europa

‘En alle volkeren verschijnen in de straten van Europa, elk met zijn eigen toortsje in de hand, en ziedaar nu de brand.’
Jean Jaurès

In de zomer van 1776 kwamen in de Amerikaanse stad Philadelphia vijf mannen bijeen in een benauwde kamer boven een paardestal. Terwijl zij voortdurend werden lastiggevallen door vliegen, werkten zij aan een tekst die de geschiedenis in zou gaan als het geboortecertificaat van de Verenigde Staten van Amerika – The Declaration of Independence. Onder de zesenvijftig vooraanstaande Amerikaanse burgers die de onafhankelijkheidsverklaring uiteindelijk zouden ondertekenen, bevonden zich zulke uiteenlopende lieden als de 33-jarige advocaat Thomas Jefferson, die later president zou worden, de plantage-eigenaar Thomas Nelson uit Virginia, die slaven hield, en de Iers-Amerikaanse zakenman Charles Carroll, die dankzij zijn investeringen in nieuwigheden als kanalen en spoorwegen zou sterven als de rijkste man van Amerika.88
Het document dat in Philadelphia werd opgesteld, begint met de volgende, beroemde woorden:

Wij houden deze waarheden voor vanzelfsprekend: dat alle mensen gelijk worden geschapen; dat hun schepper ze bepaalde, onvervreemdbare rechten heeft geschonken, zoals het leven, vrijheid en het streven naar geluk. Dat om deze rechten te waarborgen overheden zijn geïnstitutionaliseerd die hun rechtmatige bevoegdheden ontlenen aan de instemming van hun onderdanen.89

Het is mede vanwege de wijsheid die in deze woorden besloten ligt, dat de Amerikaanse historicus Alistair Cooke de Founding Fathers zelfs omschrijft als ‘mogelijkerwijs de meest verlichte en zeker de meest beschaafde revolutionairen die de wereld in de afgelopen tweehonderd jaar heeft gekend’.90
Nu er sinds een aantal jaren weer volop wordt gewerkt aan de totstandkoming van de Verenigde Staten van Europa dringt zich gemakkelijk de vraag op of de geschiedenis ook zo lovend zal oordelen over de mannen (want dat zijn het voornamelijk) die in de jaren tachtig nieuwe schwung hebben gegeven aan de Europese eenwording. Er zijn nogal wat redenen om daar ernstig aan te twijfelen. Misschien wel de belangrijkste daarvan is gelegen in het enorme verschil in motivatie en doelstelling tussen de Amerikaanse en de tweede generatie Europese Founding Fathers.
De eerste aanzetten tot de Europese eenwording werden in de jaren veertig en vijftig gegeven door mensen die de verschrikkingen van de twee wereldoorlogen nooit meer wensten mee te maken. De Franse gangmakers Monet en Schuman hoopten het spook van het nationalisme voorgoed uit te bannen, door een vérgaande samenwerking tussen de Europese landen te bewerkstelligen. Zij spraken over een supranationaal en federatief Europa. Maar hoe nobel hun streven ook was, door de Koude Oorlog en de grote verschillen in aspiratie en belangen tussen de Westeuropese landen, liep het overleg in de jaren zestig muurvast. De Franse president De Gaulle sprak toen van ‘de Europese Unie van de vaderlanden’. Dat de Europese eenwording sinds het eind van de jaren tachtig opeens weer in een stroomversnelling kwam, is behalve aan de val van de Muur, dan ook vooral te danken aan een tweede groep van Founding Fathers: de Westeuropese grootindustriëlen die door voormalig Philips-topman Wisse Dekker bijeen werden geroepen in de zogenaamde Ronde Tafel-conferenties. Onder hen bevonden zich prominente bestuurders van multinationals als Siemens, Fiat, Nestlé, Daimler-Benz, Olivetti en Hoffmann-la Roche. Samen formuleerden zij de eisen waaraan volgens hen het nieuwe Europa moest voldoen. Tot een bindende slotverklaring die kon dienen als de grondslag van de nieuwe ‘supernatie’, zoals destijds in Philadelphia, kwam het dit keer niet. Maar als dat wel zou zijn gebeurd, had de openingszin wellicht geluid: ‘Wij, de grootondernemers van Europa, houden deze waarheden voor vanzelfsprekend: dat al het goede in de wereld is te danken aan de zegeningen van de vrije markt, en dat alles wat ons hindert in ons handelen zal moeten wijken, opdat niets de maximale winstgevendheid van onze ondernemingen in de weg zal staan.’
Met name onder invloed van deze grootondernemers van Europa heeft de Europese integratie een nieuwe impuls gekregen. Natuurlijk, het waren uiteindelijk de politici die het allemaal uitvoerden, maar de invloed van de multinationals op de voortschrijdende gelijkschakeling van de Europese landen in de jaren tachtig en negentig is onmiskenbaar. Geen mooie idealen, zoals bij de Amerikaanse en de eerste generatie Europese Founding Fathers, maar gewoon een ‘thuismarkt’ van 370 miljoen consumenten tot stand brengen, daar ging en gaat het nu om bij ‘Europa’. Zeker, ook bij het ontstaan van de Bundesrepublik en de Italiaanse eenheidsstaat in de vorige eeuw ging economische integratie vooraf aan politieke integratie. En zeker, aan schaalvergroting zitten onmiskenbaar economische voordelen. Maar de vragen waarover het in dit hoofdstuk gaat, zijn: Wie profiteren er van de integratie? Zijn dat alle mensen of slechts een kleine groep? Wordt het integratieproces gebruikt om ook op sociaal terrein vooruitgang te boeken of wordt het juist gebruikt als breekijzer voor de sloop van sociale verworvenheden? Is de natiestaat ten einde of wordt hij omwille van argumenten van geo-economische en politieke aard ten einde verklaard? Is de gewenste convergentie iets wat kan worden opgelegd, of iets dat van onderop moet groeien? Hoe groot zijn de risico’s dat we precies dáár uitkomen waar de oorspronkelijke voorvechters voor integratie juist zo beducht voor waren, een opleving van het nationalisme?

‘Europa zal liberaal zijn, of het zal niet zijn’

In het voorjaar van 1996 hielden de Universiteit van Amsterdam en NRC Handelsblad een enquête naar de Europese gezindheid van de Nederlanders. De uitkomsten werden gepubliceerd in de NRC van 18 juni 1996 – en die logen er niet om. Dat Nederland deel uitmaakt van de Europese Unie, daar konden 72 van de 100 ondervraagden het nog wel mee eens zijn. Maar dat Nederland meer geld aan de EU betaalt dan het terugkrijgt, bleek al een stuk minder vanzelfsprekend: slechts 38 procent van de ondervraagden kon daar begrip voor opbrengen. Nog geringer was de steun voor uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees parlement ten koste van de nationale volksvertegenwoordiging: 35 procent. En het minst populair was de gedachte om een Europees leger te vormen, onder leiding van Frankrijk, Engeland en Duitsland: daarvoor was slechts 12 procent van de bevolking te porren. De belangrijkste conclusies die aan het onderzoek verbonden konden worden, vatte de krant als volgt samen:

De Nederlandse bevolking wil veel minder ver gaan met de Europese integratie dan de regering en de volksvertegenwoordiging. De Nederlanders zijn in meerderheid tegen een Europese federatieve staat, tegen een Europees leger en tegen het opgeven van het vetorecht van lidstaten. Dat de grote politieke partijen en de regering op deze punten een geheel andere mening hebben, is de meeste Nederlanders niet bekend.91

Hiermee zijn we meteen aangeland bij wat misschien wel het grootste probleem is van de Europese eenwording: het is geen proces dat kan rekenen op de warme steun van de bevolking, niet in Frankrijk, niet in Duitsland, niet in de Scandinavische landen en ook niet in ons land. In de jaren tachtig waren er massademonstraties tegen de plaatsing van kruisraketten, 250 duizend mensen kwamen tien jaar later naar het Malieveld om te protesteren tegen de afbraak van de wao, en zelfs voor het behoud van de piratenzender Veronica kwamen ooit honderdduizenden naar Den Haag, maar er zijn nog nooit meer dan honderd mensen op de been gekomen voor een Europese Unie, laat staan voor een Verenigde Staten van Europa. De enige opwinding die ‘Brussel’, ‘Straatsburg’, en sinds enkele jaren ook ‘Maastricht’ onder de Europese burgers weten los te maken, komt voort uit woede en frustratie over de negatieve gevolgen van het Europese eenwordingsproces voor met name hun nationale verworvenheden op sociaal terrein.
De euro-federalisten hebben geen waardering voor de specifieke sociale verworvenheden van een land als Nederland of Denemarken, voor hen telt slechts één ding echt: de eenwording van de Europese markt. Decennialang was het motto van de PvdA: ‘Europa zal socialistisch zijn, of het zal niet zijn.’ Dat was het ideaal: internationale samenwerking tot ieders voordeel, ten behoeve van vrede en vooruitgang. Maar het is anders gelopen. ‘Europa zal liberaal zijn, of het zal niet zijn,’ zei Frits Bolkestein in de zomer van 1996. Het is de kortste en meest correcte weergave van de huidige Europese werkelijkheid.92
Als geen andere politicus uit de paarse coalitie onderkent Bolkestein de weerzin van veel mensen tegen de regelzucht van de Europese bureaucraten. Terecht blijft hij hameren op de gevaren van het opgeven van steeds meer nationale zeggenschap en soevereiniteit ten behoeve van de illusie van een krachtig en slagvaardig ‘Europa’. Of het nu gaat om het misplaatst optimisme over Europese banenplannen van de sociaal-democraten, of om de al even misplaatste verwachtingen rond één Europees buitenlands en veiligheidsbeleid, Bolkestein staat immer klaar om de luchtballonnen van de federalisten met vlijmscherpe argumenten lek te prikken. Over dat laatste zegt hij bijvoorbeeld:

Het is naïef te menen dat de grote lidstaten zich door een supranationale structuur de mond zullen laten snoeren. Duitsland en Frankrijk zullen zich nooit neerleggen bij een meerderheidsbeslissing die tegen hun diepste wensen ingaat, om van het Verenigd Koninkrijk maar niet te spreken.93

Maar hoe anders ligt dat als er wordt gesproken over de desastreuze gevolgen van de bezuinigingen die de regering doorvoert om over enkele jaren te kunnen voldoen aan de eisen voor toelating tot de Economische en Monetaire Unie (emu). Dan staat er plotseling een heel andere Bolkestein achter het spreekgestoelte. Dan waarschuwt hij tegen de ‘lichtzinnigheid’ van diegenen die de nationale overheden meer financiële speelruimte willen geven en lijken de Europese regels nauwelijks streng genoeg te kunnen zijn. Ook de VVD heeft ingestemd met het Verdrag van Maastricht en daarmee steun gegeven aan de totstandkoming van een Europese muntunie. De kritische kanttekeningen van Frits Bolkestein bij de monetaire integratie beperken zich dan ook tot de voorwaarden waaronder (‘zijn ze streng genoeg?’) en strekken zich niet uit tot de fundamentele vraag over de nationale soevereiniteit.
Wie zich verdiept in de Europese eenheid zoals die nu wordt gesmeed (en wees gewaarschuwd: dat is een weinig aanlokkelijk karwei!), ontwaart in het schijnbaar ondoordringbare woud van afkortingen, procedures, verdragen en afspraken de vage contouren van iets dat grote gelijkenis vertoont met het spook dat sinds het midden van de jaren tachtig ook door Nederland waart, en dat het centrale onderwerp is van dit boek: het spook van het neoliberalisme.

De drie pijlers van ‘Europa’

Het eenwordingsproces van Europa valt ruwweg op te splitsen in drie onderdelen. Allereerst de economische eenwording, de Interne Markt genaamd, en de daaraan gekoppelde wens om te komen tot een monetaire unie, de emu. Dan: het streven naar een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, het gbvb. Nederland – de regering en de meerderheid van de Tweede Kamer – staat op het standpunt dat het communautaire aspect binnen dit beleidsonderdeel moet worden versterkt. Men wil de rol van de Europese Commissie (de dagelijkse leiding van het communautaire Europa) versterken en het vetorecht voor de afzonderlijke landen afschaffen. Voortaan zou besluitvorming bij (versterkte) gekwalificeerde meerderheid moeten plaatsvinden.94 Bovendien blijkt uit het memorandum dat België, Nederland en Luxemburg op een bijeenkomst in Wassenaar op 7 maart 1996 opstelden, dat ons land de al bestaande Westeuropese Unie, de weu, wil omvormen tot een militaire arm van het gbvb. Alle lidstaten zouden daar dan aan moeten meebetalen. Lidstaten zouden nog wel de vrijheid krijgen om bij militaire acties af te zien van het leveren van troepen, maar: ‘Landen die niet willen deelnemen, mogen andere landen ook niet beletten dat te doen, noch de financiële solidariteit verhinderen, die een gemeenschappelijke actie vereist.’95 De derde pijler van ‘Europa’, ten slotte, betreft het beleid op terreinen als Justitie en binnenlandse veiligheid. Ook met betrekking tot deze terreinen staat Nederland op het standpunt dat de macht van de Europese Commissie moet worden vergroot ten koste van de bevoegdheden van de nationale regeringen en parlementen en de Raad van Ministers. Men wil ernaar toe dat een meerderheid van 70 procent voortaan besluiten kan nemen over hoe de Unie als geheel zal opereren.96
Met betrekking tot alle drie de pijlers is de inzet van ons land – nogmaals: lees hier de regering en de meerderheid van de Tweede Kamer – een verder opschuiven in de richting van een Verenigde Staten van Europa: meer macht voor de Europese Commissie en het Europees Parlement, ten koste van de intergouvernementele overlegstructuren, en daarnaast een verdere overheveling van nationale bevoegdheden naar ‘Europa’.

De asociale standaard van Europa

De revival van de Europese gedachte in de jaren tachtig was, zoals we reeds zagen, te danken aan de wens van het internationale bedrijfsleven om te komen tot één Europese markt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de integratie op economisch terrein inmiddels het verst is gevorderd. Met name na de ratificatie van het Verdrag van Maastricht zijn er op dit terrein grote vorderingen gemaakt. De grenzen zijn weggevallen en een proces van liberalisering van het verkeer van personen, kapitaal, goederen en diensten is per 1 januari 1993 in gang gezet.
In 1989 werd in Straatsburg een Sociaal Handvest opgesteld, waarin de minimale sociale rechten van de Europese burgers waren vastgelegd. Omdat dit Handvest een groot aantal lidstaten nog veel te ver ging, werd bij de top in Maastricht slechts een sociaal protocol overeengekomen, waarmee elf van de twaalf toenmalige lidstaten (Engeland deed niet mee) zich verplichtten om een gezamenlijke sociale politiek tot stand te brengen. In de jaren die sindsdien verstreken zijn, is de Tweede Kamer enkele malen op de hoogte gebracht van de vorderingen op dit gebied. Het zijn treurig stemmende opsommingen van uitgestelde besprekingen, niet-bereikte overeenstemmingen, en vastgelopen onderhandelingen. Typerend is de gang van zaken rond een uit 1989(!) stammend voorstel over het vrije verkeer van werknemers binnen de gemeenschap: de onderhandelingen, zo wordt gemeld, ‘zijn al enkele jaren geleden in een totale impasse terechtgekomen’.97 Een van de weinige voorstellen waarvan het zich in de zomer van 1996 liet aanzien dat het zou worden uitgevoerd, betrof het uitroepen van het jaar 1997 tot ‘Europees Jaar tegen Racisme’.
‘Europa’ vaardigt met de regelmaat van de klok richtlijnen uit waar de nationale overheden hun beleid op moeten enten. Een aardig voorbeeld is een richtlijn uit november 1993 over de arbeidstijden. Daarin wordt ondermeer geregeld dat de gemiddelde arbeidstijd, inclusief overwerk, niet meer mag bedragen dan 48 uur, dat werknemers recht hebben op een aaneengesloten rusttijd van elf uur in een tijdvak van vierentwintig uur, en op één ononderbroken rustdag van vierentwintig uur in een tijdvak van zeven dagen. Omdat alom een gelijkschakeling binnen Europa op sociaal terrein als het hoogste goed wordt beschouwd, werd dus ook de Nederlandse Arbeidstijdenwet aangepast. Langer en onregelmatig werken is nu ook hier voortaan mogelijk. De werkgevers zien nu hun kans schoon geen toeslagen meer te betalen voor het werken op zaterdag of het draaien van overuren. Voor de werkgevers in het wegvervoer ging de nieuwe Arbeidstijdenwet zelfs nog niet ver genoeg. Zij willen een aparte regeling die nog dichter aansluit bij de minimalistische richtlijnen van ‘Europa’. Om de bazen in de sector tegemoet te komen kwam een werkgroep van de ‘Operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit’ (zie ook hoofdstuk 5) in het voorjaar van 1996 met voorstellen voor deregulering van het Rijtijdenbesluit. De Vervoersbond fnv wijst er in een bezorgde reactie op dat de dagelijkse werktijden daardoor 13 uur zullen gaan bedragen, en drie maal per week zelfs 15 uur. De totale werktijd per week kan zo toenemen met meer dan 50 procent. Bondsbestuurder Agnes Jongerius:

Daarmee wordt de huidige achterstand van het wegvervoer op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn niet alleen gehandhaafd, sterker nog, de situatie verslechtert. (¼) Nederland zou zich niet moeten laten meesleuren in een neerwaartse Europese concurrentieveldslag op het gebied van arbeidsbescherming. Laat kwaliteit, en dus ook kwaliteit van arbeid, ons wapen zijn.98

De gesel van de EMU

Als kroon op de economische integratie moet voor de eeuwwisseling de Economische en Monetaire Unie van start gaan. Voorlopig ligt het in de bedoeling dat in 1998 wordt bekeken welke landen mogen toetreden tot deze in 1999 te vormen emu. Binnen die emu zal dan worden begonnen met de introductie van een nieuwe Europese munt, de euro, die uiterlijk in 2002 de oude, nationale munteenheden van de deelnemende landen geheel zal vervangen. En het is dit deel van het Europese eenwordingsproces dat op dit moment al zijn lange schaduwen vooruit werpt op de nationale politiek van vrijwel alle landen van de Europese Unie.
Om van de emu een sterke economische eenheid te maken en van de euro een ‘harde’ munt, hebben de Europese leiders zeer strenge voorwaarden gesteld aan het financiële beleid van de landen die tot de emu willen toetreden. De belangrijkste daarvan zijn dat de staatsschuld niet meer mag bedragen dan 60 procent van het Bruto Binnenlands Produkt (bbp) of zich ‘in voldoende mate en in een bevredigend tempo’ in die richting moet bewegen, en dat het begrotingstekort is gebonden aan een maximum van 3 procent van het bbp. Al in 1992 voorspelde de econoom prof. Arjo Klamer, destijds hoogleraar economie in Washington, wat dat voor gevolgen zou hebben voor de Nederlandse samenleving:

In de eerste plaats zullen de sociale verzekeringen het moeten ontgelden. Nu kunnen we ons veroorloven drukte te maken over een percentje meer of minder uitkering. Wanneer Nederland in 1997 wil voldoen aan de voorwaarden van de Europese Monetaire Unie, dan moeten hoe dan ook de overheidsuitgaven drastisch omlaag; in dat geval zullen de sociale uitkeringen onherroepelijk met meerdere percenten omlaag moeten.99

De grootscheepse aanval op de sociale zekerheid die sinds het begin van de jaren negentig is ingezet, heeft hem goeddeels gelijk gegeven. Bij voortzetting van de huidige koers zal Nederland waarschijnlijk kunnen voldoen aan de emu-criteria – het financieringstekort is inmiddels onder de kritische grens en de staatsschuld is weliswaar nog te hoog (78 procent bbp in 1996), maar beweegt zich in de gewenste richting – al zullen grote inspanningen nodig blijven. In het regeerakkoord is afgesproken dat eventuele groeimeevallers – die inderdaad zijn opgetreden – mede zullen worden aangewend om het financieringstekort verder te verlagen, hetgeen ook een gunstig effect heeft op de staatsschuld. Behalve Nederland, zijn er op dit moment slechts twee andere landen die al aan de criteria voldoen: Luxemburg en Ierland. Niet alleen Frankrijk, Italië en België zijn bij lange na nog niet zo ver, ook het rijkste en machtigste land van de Europese Unie, Duitsland, voldoet op dit moment niet aan de criteria.
Nu kun je begrotingstekorten en staatsschulden op twee manieren wegwerken: door de inkomsten van de staat te vergroten (via verhoging van de belastingen), of door de uitgaven te verminderen (via bezuinigingen). Gezien de neoliberale koorts die de hele westerse wereld in haar greep heeft, zal het niet verbazen dat belastingverhogingen niet de voorkeur genieten. En dus zit er niets anders op dan te snijden in de collectieve voorzieningen en de sociale zekerheid om zo de collectieve lasten omlaag te brengen. Daarbij is het voor de liberalen een ‘geluk bij een ongeluk’ dat een en ander perfect aansluit bij de door hen bepleite waarborgstaat en de eigen verantwoordelijkheid van de individuele burger die bevorderd moet worden.
In Frankrijk leidden de regeringsplannen in december 1995 tot de grootste sociale onrust sinds de meidagen van 1968, en in Duitsland enige maanden later tot de grootste demonstratie sinds de Tweede Wereldoorlog. Maar de Franse premier Juppé en de Duitse bondskanselier Kohl waren niet van plan te zwichten voor de druk van hun burgers. Kohl en Juppé verwijzen naar Europa, en in het bijzonder naar de criteria voor toelating tot de derde fase van de emu. De 50 miljard D-mark die de Duitse regering in het kader van het Sparpaket wil bezuinigen, zal vooral moeten komen uit een verlaging van het vakantie- en ziekengeld, een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, en een aantasting van de ontslagbescherming van ambtenaren. Ook de Franse regering richt haar pijlen op sociale voorzieningen als pensioenregelingen, werkloosheidsuitkeringen en de gezondheidszorg.
Soortgelijke verhalen zijn er te vertellen over Italië (overheidsschuld in 1995: 125 procent van het bbp), België (134 procent) en Griekenland (115 procent). Overal in Europa moeten regeringen zich in bochten wringen om aan de emu-normen te kunnen voldoen, en overal worden de kosten daarvan afgewenteld op de zwaksten in de samenleving, omdat het neoliberale geloof overheden verbiedt om het geld te halen daar waar het het meest voor handen is: bij rijke burgers en nog rijkere ondernemingen. Europa zal niet alleen liberaal zijn, het zal kennelijk vooral ook asociaal zijn, of niet zijn.
Leve het paspoort en het wisselkantoor!

Zoals gezegd is het ideaal van een verenigd Europa niet iets waar de gemiddelde Nederlander erg warm voor loopt. Behalve uit het genoemde NRC-onderzoek, blijkt dat ook uit de extreem lage opkomstcijfers bij Europese verkiezingen. Ging bij de Tweede-Kamerverkiezingen in mei 1994 nog 79 procent van de kiezers naar de stembus, bij de Europese verkiezingen een maand later was dat nog geen 36 procent, terwijl in 1989 nog bijna 50 procent van de mensen de moeite had genomen te gaan stemmen voor het Europees Parlement. Waar ligt nu de oorzaak van die geringe belangstelling? Deels is die ongetwijfeld te wijten aan het feit dat velen ‘Europa’ zijn gaan associëren met inefficiëntie, bureaucratie, fraude, maar vooral ook met de verslechteringen die uit naam van ‘Europa’ nationaal zijn doorgevoerd. Maar er is meer aan de hand.
Minister van Buitenlandse Zaken van Mierlo sprak tijdens een kamerdebat in juni 1996 in verband met Europa terecht van ‘een constructie’. ‘Er zitten geen volksliederen bij waarin het verleden nadreunt, of vlaggen,’ aldus de minister van Buitenlandse Zaken. ‘Er is in het verleden misschien te weinig bloed gevloeid, om het eens cynisch te zeggen, om Europa voor de mensen levend te maken.’100 Van Mierlo vestigde zijn hoop op grotere pr-inspanningen, maar erkende tegelijkertijd dat eerdere pogingen om mensen via spotjes, posters, folders en wat al niet te bereiken, weinig hadden uitgehaald. En dat is ook niet gek. Mensen voelen zich nu eenmaal primair Nederlander (of Italiaan, of Fransman), secundair misschien Fries of Catalaan, maar zeker geen Europeaan. Dat gevoel zou hooguit boven kunnen komen wanneer men in bijvoorbeeld de Verenigde Staten weer eens iemand ontmoet die niet weet waar Nederland ligt.
Europa is geen land, het is geen natie waarmee mensen zich kunnen identificeren, een plek waar ze zich begrepen voelen. Ze hebben er gewoon niets mee. Europa is een geografisch begrip, en verder een abstractie. Er bestaat geen Europees volk, geen Europese taal, en geen Europese cultuur. Zeker, er bestaat een Europese geschiedenis, een geschiedenis die Europa onder andere als beginpunt kende van twee wereldoorlogen. In die zin is er een Europa dat ons vooral zou moeten leren de voorwaarden te scheppen voor een vreedzaam samenleven en -werken. Maar dat is iets anders dan de natiestaat als uitingsvorm van verbondenheid ontkennen. De natiestaat heeft zeker niet het eeuwige leven, net zo min als de stadstaten dat hadden, maar het gaat veel te ver te beweren dat de natiestaat geofferd moet worden op het hakblok van de geo-economische belangen van het Europese bedrijfsleven. Het is gevaarlijke prietpraat te verkondigen dat de mensen die sceptisch staan tegenover de ‘Europese’ miskenning van de nationale identiteit, nationalisten zijn. Zeker socialisten – internationalisten bij uitstek – zullen zich daar dan ook niet door aangesproken voelen. Maar hebben wij in deze discussie niet vooral behoefte aan realisten in plaats van ‘idealisten’ in dienst van de marktfundamentalisten? De praktische democratie is tot in haar vezels verbonden met de natiestaat. Zij is op dat niveau bevochten, net als de sociale rechten en de sociale zekerheid. Slechts zeer, zeer weinigen zullen een brok in hun keel krijgen bij het zien van de blauwe vlag met gouden sterren. Dat is niet iets om blij om te zijn, het is een vaststelling van een feit. De pleitbezorgers van het Europese federalisme hebben geen oog voor die realiteit en nemen daarmee grote risico’s.
Heeft ‘Europa’ zijn burgers dan helemaal niets te bieden? Wie ‘eurofielen’ ernaar vraagt, krijgt steevast te horen dat je toch maar mooi geen paspoort meer nodig hebt om als Europeaan binnen Europa te reizen (al geldt dat nu nog alleen voor de Schengen-landen). En straks zul je tijdens je vakantie ook geen geld meer hoeven te wisselen. Een overijverige euro-ambtenaar heeft ooit uitgerekend dat wie met honderd gulden een bezoekje brengt aan alle lidstaten van de Unie en bij iedere grensovergang zijn geld wisselt, bij thuiskomst nog maar twaalf gulden overheeft als gevolg van het waardeverlies en de provisie. Het mag duidelijk zijn dat alleen complete idioten iets dergelijks in werkelijkheid ook zouden doen.
De nadelen van het wegvallen van de grenzen en van het verlies van een eigen munt zijn niet gering. Om met het eerste te beginnen: zoals door velen voorspeld, heeft het wegvallen van de binnengrenzen van de Schengen-landen geleid tot een toename van het grensoverschrijdende criminele verkeer. Om het verlies aan controlemogelijkheden bij de binnengrenzen op te vangen, werken de douanes nu met ‘vliegende brigades’ vlak achter die grenzen. En de burgers van ons land zijn verplicht een geldig legitimatiebewijs op zak te hebben op bijvoorbeeld het werk, bij gebruik van het openbaar vervoer en bij deelname aan openbare manifestaties. In de praktijk betekent dit vooral dat gekleurde Nederlanders op allerlei plaatsen en bij allerlei gelegenheden wordt gevraagd om een persoonsbewijs te tonen. Weegt dit alles op tegen het feit dat we die ene keer per jaar dat we de grens overgaan én binnen het Schengen-gebied blijven bij de grens geen paspoort hoeven te laten zien?
Ook het verlies van een eigen munteenheid is bepaald geen onverdeeld genoegen. Nog afgezien van sentimentele bezwaren (velen zijn gehecht aan de fleurige bankbiljetten, om nog maar te zwijgen over de gevoelens van delen van de bevolking ten aanzien van de beeltenis van de koningin en het God Zij Met Ons op de rand van muntgeld), is er ook iets veel ernstigers aan de hand: Nederland verliest zijn soevereiniteit op monetair gebied. Hoewel op dit moment De Nederlandsche Bank bepaalt hoeveel geld er in omloop wordt gebracht en hoe hoog de rentestand dient te zijn, heeft de minister van Financiën nog altijd het ‘aanwijsrecht’. In geval van nood kan hij de president van De Nederlandsche Bank een dwingende opdracht verlenen, bijvoorbeeld om het landsbelang te laten prevaleren boven het strikt monetaire belang. Als de euro eenmaal is geïntroduceerd, zal het monetaire beleid worden gevoerd vanuit de Europese Centrale Bank in Frankfurt. En die wordt volledig onafhankelijk van de Europese ‘regering’, in welke vorm die dan ook uiteindelijk gegoten zal worden. Sommigen willen ons doen geloven dat monetair beleid apolitiek is, maar dat is onzin. De monetaire voorwaarden hebben natuurlijk hun effect op de economie: een harde gulden heeft voordelen, maar kan ook de exportpositie nadelig beïnvloeden en daarmee de werkgelegenheid. Zoals NRC Handelsblad ooit schreef: ‘Geld is een attribuut van soevereiniteit, zoals dr Holtrop, een vorige president van De Nederlandsche Bank al in 1963 schreef. Als een land zijn munt opgeeft, heft het zichzelf een beetje op.’101
Het zijn onder andere de Fransen geweest die steeds hebben aangedrongen op de monetaire unie. De Duitsers stelden echter zo hun voorwaarden vooraleer zij bereid waren hun D-Mark – het symbool van het wirtschaftswunder – op te geven. Zij willen voor hun ‘investering’ in de monetaire unie iets terug, namelijk een politieke unie waarin voor Duitsland automatisch een hoofdrol is weggelegd. Op monetair en economisch terrein is Duitsland al dominant in Europa, binnen een Europese politieke unie zal dat niet anders zijn.

Het spilzieke Europa

Iedereen begrijpt dat een echte interne markt aan alle deelnemers dezelfde rechten en plichten moet toekennen om oneerlijke concurrentie zoveel mogelijk te vermijden. Maar als het Franse ondernemers vrij moet staan om Edammer kaas te maken en Hollandse kaasboeren danish blue moeten mogen produceren, dan zal iemand dus moeten definiëren wat Edammer kaas eigenlijk is, en wanneer danish blue blauw en Deens genoeg is om die naam te mogen dragen. Voordat je het weet, ontstaat er een verschrikkelijke bureaucratie van producenten- en consumentenbepalingen waar niemand meer wegwijs uit kan. En dat is precies wat er nu aan het gebeuren is. Ondanks dure woorden als ‘subsidiariteit’ en ‘proportionaliteit’ werkt ‘Europa’ – de Commissie, het Parlement en de Eurocratie – als een zwart gat. Als vanzelf trekt het steeds meer bevoegdheden naar zich toe. En onvermijdelijk leidt dat tot excessen, zoals het gekissebis over de Europese standaard voor condooms. Maar er zijn ook ernstiger te nemen voorbeelden van de Europese bemoei- en spilzucht.
Sinds de Europese Commissie zich bezighoudt met financi-ele hulp aan achterstandgebieden, kan het gebeuren dat de burgemeesters van de vier grote steden van ons land tegen elkaar op moeten gaan bieden over wie de ergste sloppenwijk binnen zijn gemeenteg
renzen heeft om zo aanspraak te kunnen maken op de Brusselse honingpot. Uit diezelfde pot wist ook de toch niet bepaald armlastige provincie Flevoland opeens een miljoenensubsidie in de wacht te slepen. Mocht Flevoland al een achterstand hebben, dan zou het toch een stuk efficiënter zijn geweest als dat geld gewoon door de Nederlandse overheid was uitgekeerd.
De grootste profiteurs van de Europese subsidieregelingen zijn echter, en dat is niet geheel toevallig, dezelfde multinationale ondernemingen die zo op de totstandkoming van de Europese Unie hebben aangedrongen. De afgelopen jaren is een leger van professionele lobbyisten naar Brussel getrokken voor de verwerving van euro-subsidies. De Europese begroting over 1996 beliep 182,8 miljard gulden. Een belangrijk deel daarvan gaat naar landen als Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland – de arme broeders van de unie. Daarmee kopen de welvarende landen de vrije toegang tot hun markten en hun goedkope arbeidskrachten. Ondernemers uit Duitsland, Frankrijk en Nederland kunnen zo hun invloed en omzet geweldig vergroten. De autofabrikanten Volkswagen en Ford bouwden beide een nieuwe fabriek bij de Portugese hoofdstad Lissabon. In ruil voor 4600 arbeidsplaatsen ontvingen zij daarvoor bijna 2 miljard gulden aan Europese subsidiegelden. En daar bovenop wisten ze nog eens 200 miljoen gulden los te peuteren voor de opleiding van nieuwe werknemers. Ondertussen gaat Volkswagen in haar Duitse vestiging in Wolfsburg gewoon door met het schrappen van arbeidsplaatsen.
Ook elektronicagiganten als Olivetti, Philips en Bull hebben de afgelopen jaren vele miljarden guldens aan Europese subsidies opgestreken om bij te blijven met de Amerikaanse en Japanse concurrentie. Feitelijk worden zo bedrijfskosten voor ontwikkeling en onderzoek verhaald op de belastingbetalers van West-Europa. Het azen op geld uit Europa is zo profijtelijk geworden dat een onderneming als Siemens er speciale ‘jagers’ voor in dienst heeft. Als zij subsidies binnenhalen krijgen ze 20 procent provisie. Er zijn zelfs al particuliere bureaus die zich in de Unie hebben weten binnen te werken en die zich daar nu bezighouden met de verdeling van de subsidies.
Geen wonder dat de Europese Rekenkamer jaar in jaar uit vernietigende rapporten schrijft over de bestedingspraktijk. Het Duitse Rekenkamer-lid Friedman schatte in 1995 dat slechts 20 procent van de gelden die worden besteed via de zogenaamde structuurfondsen (voor achtergebleven regio’s) ook daadwerkelijk rendement opleveren.102 Dat betekent dat een slordige 40 miljard gulden over de balk wordt gesmeten. Een deel daarvan verdwijnt door fraude, maar het meeste wordt besteed aan onnutte projecten als wegen in gebieden waar niemand woont (Sicilië), fabriekshallen waar niemand belangstelling voor heeft (Ierland) of ter compensatie van bezuinigingen van de eigen landsregering (de Nederlandse Regionale Bureaus voor de Arbeidsvoorziening).
En hebben de burgers daar enige zeggenschap over? Nee, nauwelijks. Hoewel uit allerlei onderzoeken is gebleken dat Nederlanders in meerderheid afwijzend staan tegenover een verdergaande overdracht van nationale bevoegdheden aan ‘Brussel’, gaat het paarse kabinet onverminderd voort op de ingeslagen weg. Bij een cruciale onderhandelingsronde in het Schotse Edinburgh, in 1992, heeft Nederland zich bovendien het vel over de neus laten halen. Terwijl Felipe Gonzalez voor Spanje een verdubbeling van de euro-inkomsten wist los te peuteren, werd Nederland de grootste netto-betaler aan ‘Europa’ per hoofd van de bevolking. In de periode 1995-1998 zal de netto bijdrage van Nederland aan de Europese begroting 20 miljard gulden bedragen, ofwel 3300 gulden per huishouden.

Het ondemocratische Europa

Vriend en vijand van ‘Europa’ zijn het erover eens dat de huidige structuur van de Unie weinig democratisch is, en bovendien bureaucratisch en zeer ondoorzichtig. Het machtigste orgaan, de Europese Commissie, krijgt nauwelijks weerwerk van het enige democratisch gekozen orgaan, het Europees Parlement. Het voert te ver om hier uitvoerig in te gaan op de bevoegdheden van en de besluitvormingsprocedures binnen de diverse Europese organen, maar er is alom bezorgdheid over de steeds grotere invloed van de euro-ambtenaren op het gevoerde beleid. Zoals een Nederlandse diplomaat in Brussel het ooit verwoordde: ‘In de praktijk zijn het vaak de ambtenaren die besluiten nemen, terwijl de politiek – de ministers – die besluiten als hamerstuk, zonder debat, bekrachtigt.’103
Vandaar dat steeds vaker wordt aangedrongen op uitbreiding van de bevoegdheden van het Europarlement en verbetering van de besluitvormingsprocedures. Maar zelfs de meest radicale hervormingen zullen ‘Europa’ niet democratisch maken – dat wil zeggen: zeker niet zo democratisch als de huidige natiestaten, waar de problemen van legitimiteit en geloofwaardigheid al groot genoeg zijn (zie hoofdstuk 3). Het is uitgesloten dat het democratisch gat dat wordt geslagen door het ontnemen van bevoegdheden aan nationale regeringen en parlementen ooit gedicht kan worden door een Europese regering en een Europees parlement. De Europese integratie vergroot niet alleen de fysieke afstand tussen het bestuur en de burger; ook de psychologische afstand wordt vergroot, en daarmee de publieke controle verkleind. Democratie is altijd verbonden met een bepaalde eenheid van een bepaalde omvang met een bepaalde – objectief aanwezige en subjectief ervaren – identiteit.
Terwijl in landen als Noorwegen, Denemarken en Frankrijk de burgers zich via een referendum mochten uitspreken over ‘Europa’ is een dergelijke volksraadpleging in Nederland nog altijd onbespreekbaar. En dat, terwijl het hier gaat om de meest ingrijpende politieke verandering sinds de grondwetswijziging van 1848. Toen werd de macht van het parlement uitgebreid ten koste van de koning, nu levert het parlement weer bevoegdheden in ten faveure van het geconstrueerde ‘Europa’.
Behalve het paarse kabinet zijn ook alle grote politieke partijen, de een wat meer dan de ander, vóór verdergaande politieke integratie van Europa. Wanneer hun gevraagd wordt of dat niet op gespannen voet staat met de breed levende scepsis onder de bevolking, verwijzen zij steevast naar hun verkiezingsprogramma’s. Op basis van die programma’s zijn zij tot volksvertegenwoordiger gekozen, en dus is hun standpunt inzake ‘Europa’ gelegitimeerd. Maar hoeveel kiezers nemen daadwerkelijk kennis van de inhoud van die verkiezingsprogramma’s? En hoevelen van hen zouden hun keuze uiteindelijk laten bepalen door wat daarin staat over ‘Europa’? Wie de enquêteresultaten serieus neemt, kan maar tot één conclusie komen: zeer weinigen. Desalniettemin weigeren de grote politieke partijen hardnekkig om over ‘Europa’ een referendum te houden.
Jacques Delors, voormalig voorzitter van de Europese Commissie, voorspelde enkele jaren terug dat binnen afzienbare tijd een meerderheid van de nationale wetten gebaseerd zou zijn op Europese regels. Hij heeft gelijk gekregen. Maar het gaat nog verder. De supranationale, vierde bestuurslaag komt ook goed van pas als politici een vervelende boodschap te vertellen hebben. Enkele dagen na het fatale kabinetsbesluit in de zomer van 1991 dat leidde tot de wao-crisis, zei Wim Kok: ‘We raken geweldig uit de pas, ook in een Europa-zonder-grenzen, als die arbeidsongeschiktheid zo geweldig onbeheersbaar blijft.’104 Europa dient dus ook als alibi voor diegenen die de bijl willen leggen aan de wortel van ons sociale-zekerheidsstelsel. Maar het is wel een alibi wat men zich eerst zelf heeft verschaft. Nederland heeft vele malen voorop gelopen in het Europese eenwordingsproces. Aan de vooravond van de Europese Raad in Maastricht in december 1991 heeft de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken stad en land afgereisd om medestanders te vinden voor de Nederlandse voorstellen om de doelen van de integratie nog ambitieuzer te maken. De voorstellen werden door de meerderheid van de andere lidstaten van tafel geveegd en de bewuste dag – 30 september 1991 – staat nog steeds bekend als ‘Black Monday’.

Naar een ander ‘Europa’

Het is nog erg onduidelijk hoe ver de integratie (in jargon ‘de verdieping’) van Europa uiteindelijk zal gaan. Onduidelijk is ook nog hoe de uitbreiding richting Midden- en Oost-Europa (‘de verbreding’) tot stand zal moeten worden gebracht. Komt er een Europa van verschillende snelheden? Mag Nederland er een afwijkend drugsbeleid op na blijven houden? Mogen de Denen en de Zweden hoge belastingen blijven heffen op alcoholische dranken? En wat te denken van de mensenrechtensituatie in een adspirant-lidstaat als Turkije? Over al dat soort vragen zal nog jaren worden gediscussieerd en onderhandeld. In de zomer van 1997 zal het euro-circus tijdelijk zijn tenten opslaan in Amsterdam, als onder voorzitterschap van Nederland de igc (de intergouvernementele conferentie) over het Verdrag van Maastricht, die dan een jaar heeft geduurd, zal worden afgesloten. Wat ook de uitkomst van die bijeenkomst zal zijn, één ding staat vooraf al vast: de huidige, neoliberale machthebbers van Europa zullen krampachtig blijven vasthouden aan de idee van big is beautiful. Zoals bedrijven als abn en amro, of de Postbank, nmb en Nationale Nederlanden zich aaneen hebben gesmeed om de internationale concurrentie het hoofd te bieden, zo zal ook Europa verder aaneen worden gesmeed om de economische strijd met de Verenigde Staten en de Aziatische tijgers aan te kunnen. Want dat is de steeds weer terugkerende slotargumentatie van de ‘eurofielen’: ‘Pas op voor de tijgers!’ ‘Bereid je voor op de globalisering, want de wereld wordt steeds meer een dorp!’ In het volgende hoofdstuk zal ik ingaan op de vraag of dat nu zo’n steekhoudende argumentatie is en zo ja, of daar dan niets anders op te bedenken valt. Maar het wordt in ieder geval tijd dat ook de sceptici en de tegenstanders van de Europese integratie zoals die nu vorm krijgt, zich organiseren. Het point of no return is bijna bereikt.
De discussie over ‘Europa’ zal zich moeten verplaatsen van de achterkamertjes en de plenaire vergaderzaal van de Tweede Kamer naar de kantines van bedrijven, cafés en scholen. Want één Europa mag dan mooi lijken, en de federalisten mogen zich dan het slotkoor van de negende symfonie van Beethoven hebben toegeëigend, de werkelijkheid is lelijk en vals. De Brusselse interpretatie van de woorden uit Schillers ode ‘An die Freude’, ‘Alle Menschen werden Brüder’, maakt dat de toch al grote kloof tussen arm en rijk alleen maar groter wordt. Werknemers in de Nederlandse tuinbouw moeten nu al concurreren met werklozen uit Ierland en de Duitse bouwplaatsen zijn nu al vergeven van de Engelsen, Spanjaarden en Ieren, omdat die goedkoper zijn dan hun Duitse collega’s.
Natuurlijk zijn socialisten niet tegen Europese samenwerking, zelfs niet tegen een bepaalde mate van geïnstitutionaliseerde samenwerking. Maar de vorming van een economische en monetaire unie zou de bekroning moeten zijn van een proces van eenwording-van-onderaf, en niet, zoals nu, een geforceerd en van bovenaf opgelegd keurslijf dat niet kan rekenen op steun van de bevolking. Wie de wereld niet beschouwt als een slagveld waarop een klein aantal economische machtsblokken elkaar op leven en dood bestrijden, maar als een bonte verzameling van landen, volkeren en culturen, die met behoud van eigenheid en eigenwaarde willen streven naar een vreedzaam samenleven, die zal tot een volstrekt andere vorm van Europese eenwording komen. Daarin zullen nationale televisiebestellen niet omver worden geworpen door multinationale mediamagnaten als Berlusconi en Murdoch. Daarin zullen kleinschalige openbaar-vervoernetten belangrijker zijn dan megalomane projecten als de kanaaltunnel en het flitstreinennet, waarvan de normale burger nauwelijks, maar het internationale zakenleven des te meer profiteert. In zo’n wereldbeschouwing is er respect voor de sociale en culturele verworvenheden van anderen, en zullen die niet worden gesloopt en opgeofferd aan een niets-ontziende concurrentiestrijd en een vaag ideaal over een gelijkgeschakeld ‘Europa’.
Waarom kunnen er aan landen die tot de emu willen toetreden wel strenge financiële eisen worden gesteld, maar geen sociale en ecologische? Het antwoord is simpel: de neoliberale dogma’s verbieden elke vorm van sociale en ecologische sturing. De onzichtbare hand van de vrije markt moet haar werk kunnen doen, en voor alles wat die hand niet regelt moeten de ogen maar worden gesloten.
Waarom moet nationale regeringen en parlementen het recht ontzegd worden om in zaken van buitenlands, binnenlands en justitieel beleid de eigen inzichten te volgen en het eigen belang te laten voorgaan op de belangen van de unie als geheel – om preciezer te zijn, de belangen van de grote landen binnen de unie? Wie consequent voorbijgaat aan de onlustgevoelens onder grote delen van de bevolking, wie steeds opnieuw verslechteringen doorvoert uit naam van ‘Europa’, en bovendien ook nog de nationale identiteit geweld aandoet door steeds meer bevoegdheden over te hevelen naar een supranationaal orgaan, moet niet raar staan te kijken wanneer als reactie daarop nationalistische sentimenten worden opgeroepen, respectievelijk versterkt. Extreem-rechts zal er alles aan doen om de frustraties onder de bevolking uit te buiten en proberen het groeiend nationalisme te koppelen aan de van hen bekende vreemdelingenhaat. De recente geschiedenis van de Balkan leert ons wat voor een gevaarlijke chemische reactie dan kan ontstaan. Europa kan dus maar beter gewaarschuwd zijn, of het zal uiteindelijk helemaal niet zijn.