9. Het spook van de wereldmarkt

‘Nederlanders leven kennelijk nog steeds met de gedachte dat ze in een sociaal paradijs leven. We gaan toch ook niet aan Dick Advocaat vragen of hij Ronaldo eens een wedstrijd niet wil laten spelen ten faveure van anderen?’
Jan Timmer

In het begin van de jaren zeventig werkte ik als worstmaker bij de vleesfabriek Zwanenberg in Oss. Dagelijks stopten en bonden mijn collega’s en ik duizenden worsten voor ondermeer de Hema. Onze bazen waren zelden of nooit tevreden over onze prestaties. Altijd verlangden zij meer, meer, en nog meer. We werkten aan een tafel met zes man: één stopte, vier bonden, en één reeg de worsten aan een spijl en hing die in de rookwagen. Omdat ik lang was, mocht ik dat laatste werkje doen. In totaal werkten er zo’n vijf groepen. Volgens de aloude methode van ‘verdeel en heers’ werden de verschillende tafels tegen elkaar opgezet, en elke dag werd van elke tafel precies bijgehouden hoeveel er was geproduceerd. Had je minder dan de andere tafels, dan moest je op het kantoortje komen. Daar werd dan duidelijk gemaakt dat dat zo niet kon, want waarom hadden zij 1600 kilo gemaakt en wij maar 1550? Maar het tegen elkaar opzetten bleef hiertoe niet beperkt. De buurman van Zwanenberg was indertijd Hartog, ook een vleesfabriek. Door de bazen werd steeds geprobeerd een soort rivaliteit tussen de twee bedrijven tot stand te brengen. Keer op keer hielden zij ons voor dat er bij Hartog meer werd geproduceerd dan bij ons. Natuurlijk informeerden wij bij onze collega’s aan de overkant van de Gasstraat of dat klopte. En wat bleek? Hun bazen zeiden dat wij juist degenen waren die dankzij onze enorme inzet en discipline meer produceerden. Zo werden we allemaal onder druk gezet om harder te werken en minder te eisen.
Inmiddels zijn Zwanenberg en Hartog opgegaan in één en dezelfde levensmiddelengigant, uvg. Of daarmee een einde is gekomen aan het tegen elkaar uitspelen van de arbeiders weet ik niet. Zeker is wel dat er nog steeds bazen zijn die deze oude truc van ‘verdeel en heers’ maar wat graag hanteren om er bij hun personeel de wind onder te houden. Alleen de schaal is veranderd: waren het vroeger nog de collega’s van de concurrent in dezelfde stad die ten voorbeeld werden gesteld, nu zijn het de werknemers van concurrenten aan het andere eind van de wereld. De man die de laatste jaren het felst van leer is getrokken tegen de vermeende luiheid, hebzucht en incompetentie van de Nederlandse werknemers, is zonder twijfel oud-Philips-topman Jan Timmer. Als hij zelf nog jong was geweest, zo laat hij niet na in interviews te benadrukken, dan had hij nu beslist in Zuidoost-Azië gezeten. Daar, in de ‘tijger’-economieën van Indonesië, Thailand en Singapore, weten ze tenminste nog wat werken is. Wie daar over een 36-urige werkweek begint wordt vierkant uitgelachen – of gevangen gezet natuurlijk, want aan onafhankelijke vakbondsleiders hebben ze er een grondige hekel.
De nieuwe stok waarmee Nederlandse werknemers geslagen worden heet ‘globalisering’. Wie in deze moderne tijd nog mee wil tellen moet wereldwijd opereren, en vooral ook: wereldwijd concurreren. Nederland zou zich niet kunnen permitteren een eiland van sociale welvaart te zijn in een zee die wemelt van de haaien. Maar moeten Nederlandse werknemers werkelijk gaan concurreren met de onderbetaalde, uitgebuite arbeiders van bijvoorbeeld de vele winstgevende ondernemingen van de Soeharto-clan? En zo ja, wat betekent dat dan voor onze sociale verworvenheden? En voor de kansen op een menswaardiger bestaan voor de Indonesische bevolking? Dat zijn de vragen die in dit hoofdstuk aan de orde zijn.

Over flitskapitaal en goedkope arbeid

Wat wordt er precies verstaan onder de term ‘globalisering’? Het woord is een inaccurate vertaling van het Engelse globalization, wat mondialisering betekent. (Het Engelse ‘global’ betekent wereldwijd en heeft dus een heel andere betekenis dan het Nederlandse ‘globaal’. Globisering, afgeleid van globe, had nog wel gekund. Maar de term globalisering is nu eenmaal ingeburgerd geraakt.) Om die globalisering te illustreren worden vaak twee voorbeelden aangehaald. Het eerste is de nieuwe, wereldwijde kapitaalmarkt. Dagelijks flitsen biljoenen virtuele dollars van het ene beeldscherm naar het andere, voortgestuwd door de zucht naar rendement van steeds nieuwe kopers. Geografische afstanden spelen daarbij geen enkele rol meer. Dankzij de nieuwste telecommunicatietechnologieën ligt New York even dicht bij Chicago als bij Hongkong, Londen of Tokio. De dagelijkse omzet op de valutamarkten steeg van 75 miljard dollar in 1975 tot 1200 miljard in 1994. Slechts 10 procent van de valutatransacties die vandaag de dag plaatsvinden is nog gerelateerd aan handel in goederen of diensten, de overige 90 procent is speculatief. Hóe speculatief bleek bijvoorbeeld uit de plotselinge ondergang van de Barings Bank. Dankzij de ongebreidelde speculaties in zogenaamde derivaten van één enkele medewerker, Nick Leeson, verloor de bank in 1995 een slordige 2 miljard gulden, wat het einde betekende van een van de oudste en meest respectabele banken uit het Britse koninkrijk.106
Het andere, veel aangehaalde voorbeeld van de globalisering is de zoektocht van multinationals naar gunstiger vestigingsklimaten, en dus ook goedkopere arbeid. Elektronicagiganten als Philips en Siemens, sportartikelenfabrikanten als Adidas en Nike, maar ook luchtvaartmaatschappijen als Swiss-Air en klm, en de chemiereus Akzo-Nobel laten steeds meer werkzaamheden uitvoeren in lage-lonenlanden in Azië en Oost-Europa, om zo de produktie- en administratiekosten te drukken. Uiteraard leidt dit verschijnsel tot grote onrust op de Westeuropese en Amerikaanse arbeidsmarkten. Want in een tijd waarin de eigen werkgelegenheid toch al onder druk staat, is een verschuiving van economische activiteit in de richting van de minder ontwikkelde delen van de wereld wel het laatste waarop men zit te wachten – of niet soms?
Er zit iets ongemakkelijks aan die laatste constatering. Immers, de ontwikkeling van de Derde Wereld en ook de wederopbouw van de Oosteuropese economieën zijn voor de meeste mensen toch sympathieke doelstellingen – in ieder geval voor socialisten. Niet voor niets wordt in Nederland per hoofd van de bevolking meer geld gegeven aan organisaties als Mensen in Nood, Artsen Zonder Grenzen en Novib dan in enig ander land ter wereld. Het onaangename gevoel dat de onstuitbare opmars van de Aziatische tijgers bij velen oproept, heeft dan ook vooral te maken met de manier waarop die opmars door werkgevers en neoliberale politici wordt gebruikt om de afbraak van de sociale zekerheid, de collectieve voorzieningen en de bescherming voor arbeiders op het werk te rechtvaardigen. Loonmatiging, verlenging van de bedrijfstijd, flexibilisering in al zijn gedaanten, verlaging of liever nog afschaffing van het minimumloon en verlaging van de uitkeringen: het zijn allemaal maatregelen die nodig zouden zijn om de slag met de tijger-economieën te kunnen overleven. De Amerikaanse futuroloog Joe Coates zei daar tijdens een bezoek aan Nederland in 1995 ondermeer het volgende over:

Timmer zet Nederlandse arbeidskrachten af tegen 20-cent-per-uur-koelies uit Singapore. De enige manier om daar tegen te concurreren is naar 19 cent per uur te gaan. Dat is de enige logische uitkomst van zijn manier van redeneren. Alle concessies die door de vakbonden en de werknemers aan Timmer worden gedaan zullen Nederland armer maken. Timmers argument is idioot. In feite houdt hij de Nederlanders voor dat ze moeten kiezen voor armoede.107

In werkelijkheid blijkt de bedreiging van de globalisering ook aanzienlijk kleiner dan Timmer en zijn volgelingen ons willen doen geloven. Een onderzoek van de economen Tulder en Ruigrok toont aan ‘dat de belangrijkste industrielanden, inclusief Nederland, verhoudingsgewijs in 1994 niet meer (internationale) handel dreven dan in 1913′.108 Hoewel de wereldhandel de afgelopen decennia groeide van 60 miljard dollar in 1950 naar 4000 miljard in 1994, blijkt het voor het Nederlandse aandeel daarin vooral te gaan om handel met landen binnen Europa. Azië doet, ook sinds de enorme opkomst van de tijger-economieën, nog altijd slechts marginaal mee. ‘In de afgelopen vijf jaar ging nog steeds maar 1,6 procent van de Nederlandse uitvoer naar dit gebied, en kwam daar 2,8 procent van de Nederlandse invoer vandaan,’ aldus de president van De Nederlandsche Bank, Wim Duisenberg, in december 1995.109
De hoogleraar en econoom Kleinknecht, die door politiek Nederland jarenlang is verguisd vanwege zijn consequent-kritische houding, heeft erop gewezen dat de Nederlandse invoer van buiten de Europese Unie tussen 1960 en 1995 is afgenomen van 17,5 tot 15,3 procent van het bruto binnenlands produkt. Uit de EU-landen daarentegen, steeg de Nederlandse invoer van 20,6 tot 26,1 procent van het bbp. Hetzelfde beeld is zichtbaar bij de uitvoer: naar EU-landen groeit die, maar naar landen buiten de EU is die relatief afgenomen.110 De term globalisering duidt in feite dus eerder op een regionalisering dan op een mondialisering van de economie. Daarbij is sprake van de vorming van drie economische machtsblokken: de EU; de Verenigde Staten, Canada en Mexico – samenwerkend in de Amerikaanse equivalent van de EU, nafta; en Japan en de Zuidoost-Aziatische tijgers, de Asean-landen.

Globalisering en nieuwe technologie

De neoliberale predikers van de wereldmarkt mogen het graag doen voorkomen alsof de globalisering een onafwendbaar verschijnsel is, waartegen het even zinloos is je te verzetten als tegen een koufront in januari. Daarbij wijzen zij op de moderne communicatietechnologie als oorzaak van de globalisering, en van nieuwe technologieën kun je je nu eenmaal slechts afsluiten op straffe van een eeuwig verblijf in de middeleeuwen. Verschillende onderzoekers hebben er echter op gewezen dat de globalisering zónder de nieuwe technologieën weliswaar nooit had kunnen plaatsvinden, maar dat het een veel te grote versimpeling is te beweren dat die technologie daarmee ook de oorzaak is. De econoom Robert Went schrijft daarover in zijn boekje Grenzen aan de globalisering: ‘Met name technologieën op het gebied van transport, communicatie en de organisatie van complexe en verspreide activiteiten zijn van groot belang. Maar deze technologieën, hoe belangrijk ook, kunnen niet beschouwd worden als de oorzaak van internationale produktie of transnationale ondernemingen; ze maken zulke fenomenen mogelijk.’111
Het ontstaan van de wereldwijde markt – en de daaruit voortvloeiende internationale rat race – is vooral een uitvloeisel van de door het internationale kapitaal gewenste liberalisering van de grensoverschrijdende handel en het kapitaalverkeer. Dat biedt ondernemingen immers evidente voordelen: grotere markten en dus meer afzetmogelijkheden aan de ene kant, en de mogelijkheid van het tegen elkaar uitspelen van nationale overheden en hun bevolking aan de andere kant. Aan de totstandkoming van een geliberaliseerde wereldmarkt wordt al vele decennia lang gewerkt. Al tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwierpen Amerika en Engeland een overeenkomst die een stabielere basis moest creëren voor de naoorlogse kapitalistische economieën. Hadden de crisisjaren in het interbellum immers niet laten zien wat economische chaos allemaal teweeg kan brengen? Deze onderhandelingen leidden in 1944 in het plaatsje Bretton Woods (New Hampshire, VS) tot de oprichting van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (imf). Ook werd een systeem van vaste wisselkoersen in het leven geroepen. In de late jaren zestig kwam dat systeem echter onder zware druk te staan. Steeds meer munten kregen een ‘zwevende koers’, waardoor de speculatieve valutahandel een hoge vlucht kon nemen. Bovendien is in de loop van de jaren het ene na het andere land overgegaan tot opheffing van de controle op het kapitaalverkeer. Inmiddels hebben een kleine zeventig landen in de wereld het kapitaalverkeer volledig geliberaliseerd. Het imf oefent grote druk uit om onbelemmerd kapitaalverkeer wereldwijd mogelijk te maken.
Tegelijk met de deregulering van de kapitaalmarkt, is ook de internationale goederenhandel steeds verder geliberaliseerd. Al kort na de oorlog lag het in de bedoeling om naast de Wereldbank en het imf ook een internationale handelsorganisatie op te richten. De gatt (General Agreement on Tariffs and Trade) is hiervan de voorloper. In 1986 begonnen ruim honderd landen op een gatt-bijeenkomst in Uruguay aan een overlegronde die uiteindelijk moest leiden tot de definitieve oprichting van een Wereld Handelsorganisatie. Hoe verder de onderhandelingen vorderden, hoe meer ze werden gedomineerd door de rijke, westerse landen. Zoals de Nederlandse regering het zelf heeft verwoord:

In het eindspel hebben vooral de EG en de Verenigde Staten de hoofdrol gespeeld vanwege hun economische en politieke gewicht. Andere landen, zoals Japan, vervulden in deze eindfase een bijrol of waren zelfs alleen maar toeschouwers, zoals de meeste ontwikkelingslanden.112

Op 15 april 1994 werden de onderhandelingen in het Marokkaanse Marrakech afgerond met een slotakte die door honderdelf landen, waaronder Nederland, werd ondertekend. Honderdvier ondertekenaars verplichtten zich bovendien tot de oprichting van de World Trade Organization, wto.
Gezien de overheersende neoliberale invloed in zowel Europa als de Verenigde Staten, is de uitkomst van de onderhandelingen van wat de Uruguay-ronde is gaan heten, geen verrassing: bestaande handelsbelemmeringen zullen zoveel mogelijk worden geslecht, tariefmuren worden afgebroken, en het intellectueel eigendomsrecht zal met harde hand worden opgelegd. Ook dit is met name in het belang van de rijke westerse landen, omdat zij in het bezit zijn van de overgrote meerderheid van de octrooien en patenten. Verder worden de mogelijkheden van nationale overheden om een eigen economisch beleid te voeren, drastisch beperkt: communicatienetwerken, elektriciteitsnetten en het openbaar-vervoersysteem – overal moeten buitenlandse ondernemers kunnen meedingen. Het ondersteunen van nationale industrieën of sectoren als landbouw, tuinbouw of intensieve veehouderij door middel van subsidies werd taboe verklaard.
Al deze besluiten hebben niets van doen met nieuwe technologieën an sich. De nieuwste computertechnologie zou bijvoorbeeld net zo goed gebruikt kunnen worden om overheidscontrole op het internationale betalingsverkeer juist te vergroten. Maar dit druist natuurlijk in tegen het neoliberale dogma van ‘meer markt en minder overheid’. De steeds geringere zeggenschap van nationale overheden en dus van de burgers die zij vertegenwoordigen, is dus niet het gevolg van een autonoom proces, maar van bewuste, politieke keuzes. Betekent dat dan dat Nederland zich aan de gevolgen van de globalisering zou kunnen onttrekken? Nee, natuurlijk niet – daarvoor is ons land te klein en te veel afhankelijk van internationale markten. Maar het werpt wel een geheel ander licht op de vermeende onontkoombaarheid van de vele negatieve gevolgen van de globalisering. Immers, als de globalisering een gevolg is van menselijke keuzes, dan kunnen nieuwe, andere menselijke keuzes ook leiden tot nieuwe, andere gevolgen. Dan hoeven Nederlanders (en zij niet alleen) niet langer verplicht te ‘kiezen’ voor afbraak en verslechteringen.

De onvrijheden van een vrije wereldmarkt

Het zal, na alle voorgaande hoofdstukken, geen verbazing meer wekken dat de globalisering zoals die nu onder leiding van de neoliberale grootmachten tot stand komt, alle negatieve verschijnselen met zich meebrengt die het neoliberalisme ook al op nationaal niveau vertoont – alleen dan erger. Zoals gezegd wordt de globalisering allereerst gebruikt als stok achter de deur om het lokale of nationale verzet tegen allerlei verslechteringen te breken. Arbeiders moeten harder, langer en flexibeler werken tegen ‘bevroren’ of lagere lonen, omdat ze dat bij de concurrent ook doen. Dit is de moderne versie van het aloude adagium van elke machthebber die zijn macht niet wil delen – vroeger bij Zwanenberg en Hartog, nu wereldwijd: verdeel en heers. Een goed voorbeeld van waar dat toe leidt, is Hoogovens in IJmuiden.
In 1989 besloot de directie van het staalbedrijf dat de winstgevendheid drastisch vergroot moest worden. Onder het motto: ‘Als we de internationale concurrentiestrijd willen overleven, zullen we ons internationaal moeten gedragen’ werd een op Japanse leest geschoeid Masterplan ontwikkeld. Dat plan voorzag allereerst in het ontslag van duizenden werknemers en de uitbesteding van allerlei werkzaamheden aan zogenaamde ‘buitenfirma’s', waar een deel van de ontslagenen weer aan de slag kon – zij het tegen fors lagere betaling. ‘De onderneming trekt zich terug op zijn kernactiviteit’, heet dat in ondernemersjargon. Een grote autofabrikant als Toyota houdt zich vrijwel alleen nog bezig met ontwikkeling en assemblage van automobielen. Alle onderdelen worden gemaakt door kleine toeleveringsbedrijfjes, waar vaak onder erbarmelijke omstandigheden en tegen minimale lonen wordt gewerkt. Deze strategie is een van de belangrijke pijlers waarop het succes van de Aziatische tijgers rust.
Uiteraard werden bij Hoogovens de oudere, minder-valide en minder produktieve werknemers als eersten ontslagen. De overgebleven arbeiders werden opgedeeld in zogenaamde Produkt en Service Groepen. Deze produktieteams kregen een groot aantal verantwoordelijkheden toebedeeld die voorheen door het middelmanagement werden gedragen. Ze zijn in een voortdurende onderlinge concurrentieslag verwikkeld. Als gevolg daarvan ontstaan spanningen tussen de meest produktieve arbeiders en diegenen die niet (meer) zo goed mee kunnen komen. De ‘kneuzen’, zoals de minder-produktieven bij Hoogovens worden genoemd, vallen buiten de boot en worden weggewerkt.113
Zo goed als deze bedrijfsstrategie werkt voor de ondernemers, zo slecht is zij voor de werknemers. Japanse arbeiders, die gemiddeld 3000 uur per jaar werken (ter vergelijking: het Nederlandse gemiddelde ligt op 1800 uur), hebben niet alleen hun levensvreugde drastisch zien teruglopen, maar zelfs ook hun levensverwachting: jaarlijks sterven naar schatting 10000 Japanse werknemers door katoshi, dood door overwerk. Het Masterplan van Hoogovens heeft een soortgelijk effect gehad: voor de aankondiging ervan stonden de aandelen op 40 gulden, een paar jaar na de inwerkingtreding waren die gestegen tot 80 gulden. De prijs die de arbeiders betaalden? Velen van hen zitten met ernstige fysieke en geestelijke klachten thuis – in de wao en, inmiddels, in de Bijstand. Hoogovens is slechts één voorbeeld van het ‘Toyotisme’ in Nederland, andere voorbeelden zijn de autofabikanten daf en NedCar.
De hele operatie van flexibilisering (het ‘oprekken’ van de werktijden, het vervangen van vaste krachten door mensen met contracten voor bepaalde tijd en zelfs nuluurcontracten’, en de invoering van zogenaamde ‘just-in-time produktie’, waardoor werknemers klaar moeten staan zodra er bestellingen binnenkomen omdat er geen voorraden meer worden aangelegd), wordt gemotiveerd en verdedigd met verwijzingen naar de internationale concurrentie in de nieuwe, geglobaliseerde economische werkelijkheid. Ondertussen blijkt de Nederlandse arbeidsmarkt in Europees verband voorop te lopen als het om flexibiliteit gaat. Volgens het ministerie van Sociale Zaken heeft inmiddels 16 procent van de Nederlandse werknemers een flexibel contract.114 In vijf belangrijke economische sectoren, waaronder de glastuinbouw en de horeca, met in totaal 1,2 miljoen werknemers, heeft slechts 27 procent van de werknemers een vast contract. Bij bedrijven als Océ, Stork, Rank Xerox en daf bestaat 30 procent van het produktiepersoneel al uit flexwerkers. Jaarlijks worden met ongeveer 500000 uitzendkrachten zo’n 2 miljoen flexibele arbeidscontracten afgesloten en de uitzendbranche groeit nog steeds gestaag: de totale omzet in het derde kwartaal van 1995 lag maar liefst 22 procent hoger dan die van hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Al deze cijfers liggen ruim boven het Europese gemiddelde.115 Bij sauzenfabrikant Heinz heeft het uitzendbureau Randstad zelfs een eigen kantoor op het fabrieksterrein. In de kern van de onderneming Heinz zitten de vaste medewerkers, in de eerste schil de uitzendkrachten-voor-langere-tijd, en in de tweede schil de incidentele uitzendkrachten, op wie alleen een beroep wordt gedaan bij kleine produktiepieken.116
Ondanks al deze aantoonbare flexibliteit blijven de Nederlandse werkgevers nog altijd klagen over de vermeende ‘starheid’ van onze arbeidsmarkt. De kille cijfers tonen aan dat dat niet meer is dan een rituele jammerklacht, met evenveel waarheidsgehalte als het gezeur van mijn oude bazen van de worstfabriek. Zelfs vergeleken bij de door de werkgevers zo geprezen Amerikaanse arbeidsmarkt slaat Nederland geen slecht figuur: de gemiddelde Amerikaan werkt 6,7 jaar bij één bedrijf, de Nederlander 7.117
Ondertussen worden de nadelen van de flexibilisering steeds duidelijker zichtbaar. Zo waarschuwt de eerder genoemde econoom Kleinknecht voor de kwalijke gevolgen ervan voor de arbeidsmarkt. Werkgevers, zo stelt hij vast, doen weinig tot niets aan scholing van flexibele arbeidskrachten. Vanwege de korte duur van hun dienstverband voelen flexwerkers bovendien vaak geen enkele affiniteit met het bedrijf waar zij werken. Daardoor daalt op den duur de arbeidsproduktiviteit.118
Zelf heb ik jaren in de metaal gewerkt als uitzendkracht. In de jaren tachtig bestond er in Noordoost-Brabant nog een Berufsverbot voor linkse activisten, waardoor ik nergens meer aan het werk kwam. Uitzendwerk in de regio was het enige dat overbleef. Uitzendkrachten worden per definitie ingehuurd als het druk is. Tijd voor voldoende voorlichting over veiligheid is er vaak niet. De collega’s in vaste dienst voelen zich wel verantwoordelijk, maar hebben meestal al genoeg aan hun hoofd. Veel industrieel werk vereist ervaring en vakmanschap om het er zonder kleerscheuren of erger vanaf te brengen. Maar jonge arbeiders (de helft van alle uitzendkrachten is jonger dan 25 jaar) ontbreekt het juist vaak aan ervaring en vakkennis – met alle gevolgen vandien. Ik ken een jonge jongen die een halve voet moet missen, omdat hij op een betonfabriek onder de wielen van een stortmachine kwam. Hij was uitzendkracht en hem was niets verteld over de gevaren. Naar aanleiding van een dodelijk ongeval met een uitzendkracht bij een Rotterdams vuilverwerkingsbedrijf, verklaarde een inspecteur van het ministerie van Sociale Zaken dat hij zich grote zorgen maakte over de aantallen ongevallen met uitzendkrachten. Uit een onderzoek van het gak, uit april 1995, was al gebleken dat bij industriële uitzendkrachten het percentage ongevallen even hoog is als in de bouw – een bedrijfstak die geldt als de gevaarlijkste.119 Geen wonder dat de meerderheid van de uitzendkrachten zegt op zoek te zijn naar een vaste betrekking.120

De kosten van deregulering

Behalve dat de globalisering zou dwingen tot een flexibelere arbeidsmarkt, wordt hij ook gebruikt als argument voor verregaande deregulering. Tijdens het nationale globaliseringsdebat, dat in de nadagen van de periode-Lubbers werd georganiseerd door de toenmalige minister van Economische Zaken Andriessen, lieten de verzamelde werkgevers zeven steekkarretjes vol ordners binnenrijden, om te laten zien met hoe verschrikkelijk veel regelgeving zij wel niet zaten opgescheept. Zoals fnv-voorzitter Johan Stekelenburg later fijntjes opmerkte waren zeker vijf van die steekkarretjes het rechtstreekse gevolg van verzoeken van het bedrijfsleven zélf om regulering.121 Maar desalniettemin heeft het paarse kabinet van de deregulering een van zijn belangrijkste speerpunten gemaakt. Niet alleen staan allerlei regels ten aanzien van de veiligheid op het werk op de helling (in de nieuwe paarse opvatting over de arbo-wetgeving worden werkgevers en werknemers samen verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden; niet langer de middelen, slechts het doel wordt nog wettelijk vastgesteld), ook de veiligheid van de consument komt steeds meer in het geding. Wie, zoals met name minister Wijers, denkt dat brancheorganisaties zelf de voorschriften wel kunnen opstellen en tevens toezicht kunnen houden op de naleving daarvan, is wel erg naïef en zou toch eens naar Amerika moeten kijken om te zien waar dat allemaal toe kan leiden.
Daags voor de opening van de Olympische Spelen in Atlanta stortte een Boeing 747 van twa voor de Amerikaanse oostkust in zee. Oorzaak van de ramp, die aan 230 mensen het leven kostte, was vermoedelijk een aan boord gesmokkelde bom. In de weken na het drama kwamen de Amerikaanse media met de ene na de andere onthulling over de gebrekkige veiligheidsmaatregelen op Amerikaanse vliegvelden. Volgens oud-ambtenaar Mary Schiavo ligt er al jaren een rapport, opgesteld naar aanleiding van de ramp in Lockerbie in december 1988, waaruit blijkt dat deze tot de onveiligste ter wereld behoren. Vanwege de enorme commerciële belangen zou dat rapport in de doofpot zijn verdwenen.122 De oorzaak van de onveiligheid is gelegen in de minimale normen die de Amerikaanse overheid stelt – de rest wordt, geheel volgens de neoliberale leer, overgelaten aan ‘de markt’. De moordende concurrentie leidt er echter toe dat vliegvelden en luchtvaartmaatschappijen zelf geen enkele extra voorzorgsmaatregel wensen te nemen, omdat daarvoor extra investeringen nodig zijn, of omdat die zouden leiden tot vertraging en ongemak voor de reizigers. Zo levert de Amerikaanse firma Thermedics al sinds enkele jaren apparatuur die zeer geschikt is voor het opsporen van explosieven. Die apparatuur wordt overal in Europa ingezet, maar niet in Amerika zelf, om bovengenoemde redenen. Bovendien blijkt uit onderzoek dat het personeel dat toezicht moet houden op de veiligheid slecht wordt betaald, slecht is opgeleid, vaak overwerkt en daardoor niet alert en nauwelijks gemotiveerd is. Zo versterken de negatieve effecten van de deregulering die van de flexibilisering.123
Deregulering is ook nog eens verschrikkelijk kostbaar. Sinds de deregulering van het vrachtvervoer in de VS gingen 100 grote bedrijven failliet en verloren 150000 werknemers hun baan. Daarvoor in de plaats kwamen duizenden kleine truck-ondernemers waar de chauffeurs met minimale salarissen genoegen moeten nemen. De kosten van het vrachtvervoer daalden weliswaar, maar de voordelen daarvan werden niet doorberekend aan de consument. Hetzelfde patroon laat de deregulering van de luchtvaart zien. Die kostte binnen enkele jaren een dozijn Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen de kop en leidde tot ontslag van meer dan 50000 van hun werknemers. Het cabinepersoneel zag zijn gemiddelde jaarinkomen tussen 1983 en 1989 met 6 procent dalen, terwijl de kosten van het levensonderhoud in dezelfde periode stegen met 24 procent. De vliegtickets werden desondanks niet goedkoper: in 1978, voor de deregulatie, kostte een retourtje Philadelphia-Pittsburg 86 dollar. In 1992 was dat opgelopen tot 460 dollar.124
Ook de deregulering van de winkelsluitingstijden blijkt in het buitenland niet de zegeningen te brengen die de paarse wettenmakers er in Nederland van verwachten. In Zweden, dat nota bene als voorbeeld geldt van een land waar de deregulering een goed effect zou hebben gehad, heeft de langere openstelling volgens een meerderheid van de winkeliers geleid tot hogere prijzen. Bovendien liep het aantal winkels terug. Met name kleine, lokale winkels waren de dupe. Daardoor daalde de totale werkgelegenheid, want in de grote ‘hypermarkten’ die ervoor in de plaats kwamen, kan men het doen met aanzienlijk minder personeelsleden per klant.125 Het weinige onderzoek dat tot dusver in Nederland naar de effecten van de verlengde openstelling sinds 1993 is gedaan, wijst precies dezelfde kant op.126 Dat de paarse coalitie desondanks de winkelsluitingstijden verregaand heeft geliberaliseerd (‘omdat we, vanwege de globalisering, nu eenmaal naar een 24-uurseconomie toe moeten’), is dus het zoveelste bewijs dat de nieuwe economische wereldorde niet is uitgevonden om een leefbaarder samenleving te creëren. Ook hier gaat het weer uitsluitend om vergroting van de winsten voor de grote ondernemers. Zij zijn, als de kleine concurrenten zijn vernietigd, in staat te doen en te laten wat ze willen, inclusief het vaststellen van de prijzen en de marges.

De tweedeling van de globalisering

Uiteraard leidt de globalisering ook tot een verdere tweedeling in de inkomens. Immers, de internationale concurrentie rechtvaardigt niet alleen een verlaging van de lonen aan de basis, maar ook een verhoging van de lonen aan de top van de loonpiramide – anders vertrekken de topmanagers naar het buitenland. En net zoals het neoliberalisme op nationaal niveau de speelruimte en de daadkracht van de overheid beperkt, zo draagt ook de globalisering in combinatie met datzelfde neoliberalisme bij aan een verdere uitholling van de macht van natiestaten.
Er is een Afrikaans spreekwoord dat zegt: geef een hond een slechte naam en maak hem af. In de neoliberale vocabulaire heeft ‘handelsbelemmering’ een buitengewoon slechte naam. Met name onder invloed van de Amerikanen is de betekenis van dit begrip ontzettend opgerekt. Zo kunnen de landen uit de Europese Unie sinds kort geen eigen beleid meer voeren ten aanzien van genetisch gemanipuleerde produkten. Hoewel vrijwel alle Europese landen zeer kritisch staan tegenover genetische manipulatie, kunnen zij de invoer van bijvoorbeeld genetisch gemanipuleerde soja niet langer tegenhouden omdat dit een ongewenste belemmering van de vrije handel zou betekenen. Hetzelfde gaat binnenkort gelden voor het vlees van met groeihormonen behandelde koeien en varkens. Net als bij de loonkosten, leidt ook hier de internationale vrijhandel uiteindelijk tot een afglijden naar de laagste standaard.
Eenzelfde verhaal gaat op voor de milieuwetgeving. Het ene na het andere initiatief om tot een nationale aanpak van milieuproblemen te komen, sneuvelt onder verwijzing naar de internationale onwil om soortgelijke initiatieven te ontplooien. ‘Wij willen wel schoner produceren, maar dan verliezen we de internationale concurrentieslag,’ zo luidt keer op keer de redenering. Ondertussen worden de internationale afspraken zoals die bijvoorbeeld zijn gemaakt op de unced, de VN-conferentie over Milieu en Ontwikkeling in 1992 in Rio de Janeiro, door vrijwel niemand nagekomen, laat staan dat ze door iemand kunnen worden afgedwongen. De machteloosheid van nationale regeringen wordt immers alleen nog overtroffen door de machteloosheid van de Verenigde Naties. De werkelijke internationale macht ligt al sinds jaren bij de G7, de zeven rijkste landen ter wereld. Hun regeringsleiders komen regelmatig bijeen om hun politieke, economische en monetaire belangen op elkaar af te stemmen, zodat zij niet hoeven te vrezen voor een nieuwe machtsverdeling in de wereld.
Het allertreurigst van dit alles zijn de gevolgen voor de landen van de Derde Wereld. In tegenstelling tot wat de propagandisten van de globalisering ons willen doen geloven, profiteren deze namelijk niet of nauwelijks van de nieuwe economische wereldorde. Allereerst kampen de arme landen nog altijd met gigantische schulden. Tussen 1980 en 1992 groeide hun totale buitenlandse schuld volgens de VN van 572 miljard tot 1419 miljard dollar. In diezelfde periode betaalden deze landen 1662 miljard dollar aan aflossing en rente. De jaarlijkse stille transfer van Zuid naar Noord bedraagt naar schatting zo’n 200 miljard dollar: dat wil dus zeggen dat de arme landen jaarlijks 200 miljard dollar meer aan de rijke landen betalen dan andersom.127 Zo worden, ook internationaal, de armen dus nog altijd armer en de rijken rijker. Het gemiddelde inkomen in de rijkste landen was in 1960 38 keer zo hoog als dat in de armste landen. In 1985 was dat al opgelopen tot 52 keer. Volgens de Wereldbank zal dat in 2010 in het beste geval zijn teruggelopen tot een verhouding van 50:1. Overigens is zelfs deze geringe verbetering volgens de Bank alleen haalbaar als de arme landen een strikt marktgerichte economie blijven voeren en als de globaliseringstrend niet wordt onderbroken. Mocht dat wel gebeuren, dan zal de ongelijkheid in het begin van de volgende eeuw oplopen tot een verhouding van 70:1.128
De gevolgen van de stuitende armoede in het overgrote deel van de Derde Wereld zijn niet alleen verwoestend voor de levens van de armen zelf, maar ook voor de stabiliteit van de samenlevingen. De schier eindeloze conflicten en slachtpartijen in Afrika vormen daarvan het meest schrijnende bewijs. Maar ook in grote delen van India en Pakistan woeden of dreigen etnische conflicten die gevoed worden door de uitzichtloosheid van het bestaan in deze regio’s. Zoals de Pakistaanse ontwikkelingseconoom dr Mahbul ul Haq terecht vaststelt: ‘Je kunt die conflicten etnisch noemen of regionaal, maar de werkelijke oorzaken zijn sociaal en economisch.’129
Ondertussen gaan imf en Wereldbank onverminderd door met het stellen van hoge eisen aan de armste landen. Terwijl de Verenigde Staten een gigantisch begrotingstekort hebben, wordt van arme landen verwacht dat zij een sluitende boekhouding voeren. Met als gevolg dat voedselsubsidies aan de armen worden stopgezet om de militaire uitgaven op peil te houden die nodig zijn om de binnenlandse onrusten te bedwingen. Want behalve door armoede wordt de Derde Wereld ook nog op grote schaal geterroriseerd door dictatoriale en corrupte regimes, al hebben de meeste hun generaalsuniformen nu uitgetrokken. En het is bepaald niet toevallig dat met het in de mode raken van het neoliberalisme het uit de mode is geraakt om die regimes kritisch te benaderen.

Het morele failliet van de ontwikkelingshulp

Het paarse kabinet heeft zich middels de zogenaamde ‘herijking’ van het buitenlands beleid diepgravend beziggehouden met de Noord-Zuid-relatie. Uiteraard ademt de ‘herijkingsnota’ die minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken in 1995 het licht liet zien, op elke pagina de geest van het neoliberalisme. ‘Meer ruimte voor ons nationale, economische eigenbelang’, luidt het devies dat een aantal malen in de nota valt te lezen. Uiteraard wordt onder dit eigenbelang vooral het belang van het Nederlandse bedrijfsleven verstaan. De waarden die ooit het verschil vormden tussen politiek en economie zijn nu ook op het buitenlands-politieke terrein vrijwel volledig losgelaten. Of zoals velen na het verschijnen van de nota concludeerden: de koopman heeft het definitief gewonnen van de dominee.
Nu viel er heel wat af te dingen op de grote pretenties waarmee Nederland ooit ontwikkelingsbeleid trachtte te voeren. Menig ambitieus project liep stuk op gebrek aan inzicht in de werkelijke behoeften en mogelijkheden van de landen aan wie de hulp werd aangeboden. De internationale ontwikkelingshulp lijdt aan nogal wat euvels: het is gevoelig voor fraude; het geld komt vaak niet terecht bij de mensen die het het hardst nodig hebben (de arme mensen in de rijke landen betalen vaak voor de rijke mensen in de arme landen); en, het belangrijkste van alles, het doet geen recht aan de waardigheid van de betrokkenen. Zoals de verzorgingsstaat mensen vaak hun eigen verantwoordelijkheid voor hun leven en geluk ontneemt, zo ontneemt ook de ontwikkelingshulp niet zelden de volkeren van de Derde Wereld hun waardigheid. Deze vorm van ontwikkelingshulp vindt niet plaats op basis van gelijkwaardigheid en met het doel achterstanden definitief weg te werken, maar dient vaak om de fundamentele desinteresse voor de rechten en de belangen van de mensen in de Derde Wereld te camoufleren. Uiteindelijk is de enige oplossing voor de ongelijkheid in de wereld gelegen in een politiek van trade not aid. Maar de wereldwijde handelspolitiek zal dan niet langer gedomineerd mogen worden door de rijke landen en hún exclusieve belangen. Om de belangen van de grote westerse ondernemingen maar niet te schaden, wordt er steeds minder rekening gehouden met de sociale gevolgen van de internationale economische, monetaire en handelspolitiek. Frits Bolkestein mag Shell dan ooit ‘een commercieel nutsbedrijf’ hebben genoemd, de manier waarop Shell met de belangen van de Ogoni-bevolking van Nigeria omgaat, laat op macabere wijze zien waar de ongelimiteerde macht van multinationale ondernemingen in de Derde Wereld toe kan leiden. De kwestie van de mensenrechten is in de herijkingsnota echter slechts met een loep terug te vinden. En plannen om de groeiende ongelijkheid op wereldschaal te helpen bestrijden, ontbreken zelfs geheel. De nationale herijkingsnota laat zich dan ook vooral lezen als een nationale verrijkingsnota.
Maar hoe zit het dan met Jan Pronk, onze minister van Ontwikkelingssamenwerking? Ook hij tekende voor de herijking van het buitenlands beleid en hij prijst zich nu gelukkig met het idee dat hij een volwaardig lid is van de ‘buitenland-driehoek’ binnen het kabinet, en zich dus ook kan laten gelden op punten van defensie en buitenlands beleid. Maar de prijs die hij heeft moeten betalen is hoog. Niets herinnert meer aan de oude Pronk die samen met Joop den Uyl, Olof Palme en Willy Brandt pleitte voor een Nieuwe Economische Wereldorde. Jan Pronk is politiek gekortwiekt, en van zijn bemoeienis met het buitenlands beleid valt dan ook weinig te verwachten. Met betrekking tot Indonesië moet hij bijvoorbeeld nog altijd zwijgen. Dat spreekverbod is hem opgelegd nadat hij zich – overigens in overeenstemming met de algemene mening in het parlement – kritisch had uitgelaten over de slachting die het Indonesische leger op 12 november 1991 in Oost-Timor aanrichtte onder demonstranten. De Indonesische regering reageerde geïrriteerd en liet weten niet langer behoefte te hebben aan Nederlandse steun – men verbrak de ontwikkelingsrelatie. Nu zou je denken dat ze dat helemaal zelf moeten weten, maar zo simpel ligt dat niet. Nederland (dat wil zeggen: het Nederlandse bedrijfsleven) heeft namelijk grote economische belangen in de Gordel van Smaragd. Margriet Brandsma en Pieter Klein schrijven in hun boek over Jan Pronk: ‘Het cda wees Pronk aan als zondebok. Dat bleek al toen de kwestie aan de orde kwam in het eerstvolgende kabinetsberaad na de breuk. cda-minister Andriessen waste Pronk flink de oren. Met deze “padvinderij”, aldus Andriessen, had Pronk de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven flink geschaad.’130 Toen later ook nog de Tweede-Kamerfractie van het cda met forse kritiek kwam, was de positie van Pronk voor de toekomst bepaald. Hij was, zoals hij dat later zelf zei, kaltgestellt.

Van tolmuren naar een solidariteitsheffing

Dat de neoliberalen voor de structurele oorzaken van de armoede in de wereld geen enkele aandacht hebben, is niet zo vreemd. Met de beste wil van de wereld valt immers niet uit te leggen hoe de ‘onzichtbare hand’ van de vrije markt iets aan die structurele oorzaken zou kunnen doen. En elk probleem dat niet door de markt kan worden opgelost, zo zagen we al eerder, dient onder het vloerkleed te worden geveegd. Keer op keer blijkt dat het de rijke landen zijn die profiteren van het openstellen van grenzen. Zij beschikken over de noodzakelijke kennis, technologie én het kapitaal om de kwetsbare ‘concurrenten’ in de arme regio’s uit de markt te kunnen concurreren. Het enige wapen van de arme landen in die strijd is hun goedkope arbeidskracht – dat wil zeggen: hun armoede. Zodra zij hun arbeiders beter gaan belonen trekken de westerse firma’s weer weg.
Is het mogelijk om deze vicieuze cirkel te doorbreken? Niet als het kortzichtige streven naar winstmaximalisatie de enige maatstaf blijft voor de internationale economische politiek. Zoals de VN-organisatie undp terecht vaststelt in het Human Development Report 1996, wordt het hoog tijd dat er opnieuw gekeken wordt naar het begrip ‘economische groei’. Van groei op zichzelf wordt een land namelijk niet beter.

De echte vraag moet zijn: groei van wat, en voor wie? Toename van de vervuiling, wat vraagt om meer milieumaatregelen? Groei van de criminaliteit, wat emplooi geeft aan een leger advokaten? Groei van het aantal auto-ongelukken waardoor er meer mecaniciens nodig zijn? Dit is niet wat de meeste mensen willen, maar toch kan dit alles zorgen voor een groei van het nationaal inkomen.131
Op dezelfde manier kan het begrip ‘vrije concurrentie’ opnieuw worden gedefinieerd. Is er sprake van eerlijke concurrentie wanneer het ene land zich niets aan het milieu gelegen laat liggen en daardoor goedkoper weet te produceren dan het andere? Hoe eerlijk is de concurrentiepositie van een bedrijf dat profiteert van een misdadige dictatuur die elk volksverzet met geweld weet te breken, zoals Shell in Nigeria? Is het eerlijk om alle landen te dwingen produkten uit andere landen te accepteren, ongeacht hoe die produkten tot stand zijn gekomen?
Het wordt hoog tijd om het taboe op de tolmuren te slechten. Waarom zou er geen overeenkomst kunnen komen waarin wordt afgesproken dat landen met een bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking vergelijkbaar met dat van Nederland (of dat binnen een range rond het Europese gemiddelde ligt) alleen op onze markt worden toegelaten wanneer zij soortgelijke milieu- en sociale wetten kennen als ons land (respectievelijk de meeste landen in Europa)? Hebben zij die niet, dan zou een solidariteitsheffing het oneerlijke concurrentievoordeel ongedaan kunnen maken. Daarmee stellen we ons effectief te weer tegen die landen die sociale rechten en milieubelangen aan hun laars lappen en kunnen zij hun normen niet langer opleggen aan de wereldgemeenschap. Als het mogelijk is om strenge regels te formuleren op het gebied van de overheidsfinanciën (zoals bijvoorbeeld door het imf, de Wereldbank, en op Europese schaal door de emu), waarom zou dat dan niet kunnen op zulke belangrijke terreinen als sociaal- en milieubeleid? Zoals uit het voorafgaande reeds blijkt zullen ontwikkelingslanden (landen met een relatief laag bnp per hoofd van de bevolking) geen nadeel van deze solidariteitsheffing ondervinden. Zij zouden vrij toegang moeten krijgen tot de Europese markt. En dat is heel iets anders dan de huidige praktijk. Want paradoxaal genoeg is het juist nu vaak zo dat produkten uit ontwikkelingslanden van de Europese markt worden geweerd. Mede door de handelsbelemmerende maatregelen van de EU wordt deze landen nu een eerlijke kans op een zelfstandige ontwikkeling onthouden. Ter sussing van ons geweten kunnen we die landen dan wel een grijpstuiver geven in de vorm van ontwikkelingshulp; het zou echter veel beter zijn wanneer de structurele oorzaken van de achterstand, zoals juist deze handelsbelemmeringen, ongedaan gemaakt zouden worden. Met de opbrengsten van de solidariteitsheffing kunnen dan in de overgangsperiode de mensen geholpen worden die nu nog profiteren van de bescherming tegen de produkten uit ontwikkelingslanden.
Het is een illusie om te denken dat een vrije wereldmarkt zal leiden tot een vrije wereld. Tegen slavernij kun je alleen concurreren door zelf de slavernij weer in te voeren. In plaats van dat de rijke landen de arme helpen omhoog te klimmen, worden die aan hun lot overgelaten en worden de mensen in de rijke landen gedwongen hun sociale verworvenheden weer prijs te geven. Bovendien ligt aan de huidige liberalisering van de internationale handel niet een idee over één wereld ten grondslag, maar slechts de belangen van de grote multinationale ondernemingen. Zoals Arie van der Zwan, decaan van Universiteit Nijenrode, schrijft:

Het profijt van de immense verplaatsing van produktie komt slechts een handjevol landen ten goede. Niet meer dan tien ontvangende landen nemen ca. driekwart van die directe investeringen voor hun rekening, terwijl de ca. vijftig armste landen in de wereld er het verwaarloosbare aandeel in hebben van nog geen vol procent. Sociale overwegingen liggen aan deze beweging dus niet ten grondslag, wat weinig verrassend is aangezien in deze slechts financieel-economische overwegingen gelden.132

Zodra de belangen van de drie grote economische machtsblokken, waar de grote multinationals geconcentreerd zijn, onderling botsen, dreigt er een internationale crisis. Niet voor niets is er de laatste jaren steeds weer sprake van dreigende handelsoorlogen tussen Japan en de VS of de VS en Europa. Niet voor niets houdt de cia zich sinds enkele jaren intensief bezig met economische spionage, onder andere door het kraken van EU-computers.133 Een wereldorde die gebaseerd is op de voortdurende strijd om internationale markten, kan nooit duurzaam vreedzaam zijn. Zeker niet als in die orde voor miljarden mensen geen plaats is. Zowel de Wereldbank als undp stelt vast dat het aantal mensen dat in absolute armoede leeft sinds 1975 met bijna de helft is toegenomen, bijna net zo snel als de groei van de totale wereldbevolking. Naar verwachting zal het leger van armen nog verder groeien, tot 1,3 miljard in het jaar 2000, en tot 1,5 miljard in de eerste 25 jaar daarna.134 ‘De voortgaande polarisatie,’ zo schrijft de socioloog en Azië-deskundige Jan Breman, ‘loopt uiteindelijk uit op een verdeling van mensen, zowel op nationaal als mondiaal niveau, in twee segmenten: zij die deel uitmaken van het maatschappelijk bestel en zij die daarvan blijven uitgesloten.’135 Een dergelijke tweedeling leidt onherroepelijk tot bloedvergieten. Daarom kan de internationale gemeenschap ook na de ineenstorting van het Oostblok niet zonder het socialisme – omdat in het socialisme, in tegenstelling tot het neoliberalisme, plaats is voor zowel het individu als de sociale verbanden waarvan ieder individu afhankelijk is.