Inleiding

Sinds de euforie rond de ineenstorting van ‘het reĆ«el bestaande socialisme’ in Oost-Europa, bestaat er in de vaderlandse politiek nog weinig oog voor de fundamentele fouten die ons systeem kenmerken. Waar de neoliberalen alle heil verwachten van de markt, blijven socialisten zich inzetten voor een samenleving waarin recht wordt gedaan aan de idee dat de mens niet alleen een homo economicus is, maar bovenal een homo universalis. Waar de liberalen denken dat het individualisme ons zal leiden naar ‘het rijk van de vrijheid’, zijn socialisten van mening dat de mens een sociaal wezen is en dat daar in de politieke praktijk rekening mee gehouden moet worden.
Het eendimensionale karakter van het neoliberalisme sluit uit dat er naast de puur economische belangen (lees: de belangen van de economisch en financieel machtigen) ook andere criteria zijn waarop het beleid beoordeeld wordt. Discussie over het belang van normen en waarden, ons collectief geweten, mag aan de vooravond van een nieuw millennium weer, maar lange tijd is dat anders geweest. In de no-nonsense benadering van de jaren tachtig en vroege jaren negentig waren ‘normen en waarden’ vooral verdacht. En voor veel neoliberalen geldt dat nog steeds. Ieder voor zich en iedereen zijn eigen afgod, is hun uitgangspunt. Een kortzichtige opvatting die onmogelijk een lang leven beschoren kan zijn.
Kortzichtigheid is iets dat trouwens ook inherent lijkt te zijn aan de heersende politiek-economische constellatie. De gevolgen van het politiek handelen op lange termijn zijn zelden een punt van overweging, niet voor het politiek en bestuurlijk handelen, en zeker niet voor het economisch handelen. De ont-ideologisering van de politiek heeft aan deze overwaardering voor het ‘korte-baanwerk’ zeker bijgedragen. Politieke partijen zijn steeds minder een expressievorm van mensen die in georganiseerd verband proberen hun min of meer gelijke opvattingen over de koers die gevaren moet worden tot gemeengoed te verheffen. De consensus domineert en bij gevolg verstomt de discussie. De gang der dingen verloopt steeds meer via een autonoom proces waarbij de rol van de politiek wordt teruggebracht tot muurbloempje. De democratie loopt daardoor gevaar. Mensen hebben het gevoel dat het er allemaal niet meer toe doet wat zij denken, vinden en stemmen. Daarom gaat een groeiend deel van de mensen die vroeger nog hun hoop op de politiek vestigden, niet meer stemmen, waardoor de legitimiteit van het bestuur afneemt en het draagvlak voor politieke besluiten kleiner wordt.

De val van het Oostblok, de ineenstorting van de Comecon, het Warschaupact en de Sovjet-Unie ontdoen de kritiek op de fundamentele gebreken van het kapitalisme van de ballast van de onwillekeurige identificatie met het Oosteuropese alternatief. Er is nu meer ruimte dan voorheen om aan de hand van een concrete analyse van de concrete situatie een beoordeling te maken van de status quo en te kijken naar alternatieven. De gemiste kansen stapelen zich immers op. Hoewel we jaarlijks te maken hebben met een, soms zelfs forse, stijging van het Bruto Nationaal Produkt, moeten we toch vaststellen dat de tegenstellingen in de samenleving toenemen, dat bepaalde problemen eerder groter dan kleiner worden en dat meer en meer mensen gevangen raken in armoede, eenzaamheid en uitzichtloosheid. De wereld als global village zou volkeren bij elkaar kunnen brengen en welvaart voor allen dichterbij moeten brengen; paradoxaal genoeg moeten we echter vaststellen dat de globalisering mensen eerder tegen elkaar uitspeelt dan verenigt.
‘Wat het hart niet heeft, kan het verstand niet brengen,’ zegt het spreekwoord. Politiek engagement van de goede soort begint met waarnemingen, twijfel en analyse. En dat gebeurt altijd vanuit een bepaald ethisch kader. De volgende stap is de rationele benadering: klopt mijn vermoeden, is mijn verontwaardiging terecht en is er een alternatief? Is er een wenkend perspectief? Als die laatste vraag met ‘ja’ kan worden beantwoord, dan is het de moeite waard je daarvoor in te zetten. Het verschil tussen ‘wat is’ en ‘wat zou kunnen zijn’ is nu te groot. Dat verschil zou voor iedereen voor wie het politiek haalbare binnen de Haagse arena niet allesbepalend is, een uitdaging moeten vormen om mee te denken over hoe we een samenleving tot stand kunnen brengen die recht doet aan de menselijke waardigheid van ieder individu. Een samenleving die de gelijkwaardigheid van alle mensen als uitgangspunt heeft en die bereid is de solidariteit tussen mensen te organiseren.