De ronde van Nederland

De werkelijkheid van het Binnenhof is niet de werkelijkheid van Nederland. Op die vierkante kilometer in Den Haag kun je jezelf makkelijk ingraven in nota’s en rapporten. Maar ik weet zeker dat je er op die manier niet achter komt wat er in de samenleving speelt, wat mensen bezig houdt. Er op uit dus, onder de Haagse kaasstolp vandaan. Dat doe ik al sinds ik in de kamer zit, en om een hoop heen en weer gereis te voorkomen verblijf ik sinds afgelopen januari telkens een week per maand in de provincie. Bijkomend voordeel is dat je op zo’n manier ook de sfeer kan proeven en voldoende tijd kan uittrekken om echt met mensen te praten. Bij de laatste provinciebezoeken ben ik gestart in een museum. Een prima manier om je op de hoogte te stellen van de plaatselijke historie.

Op de dijk bij Megen

Ik ben nu in zeven provincies geweest. Dit jaar kom ik nog in Utrecht en begin volgend jaar in Gelderland, Groningen, Zeeland en Flevoland. Daarna ben ik van plan de eilanden te bezoeken en dan beginnen we weer van voren af aan. Ik vind dat elke politicus dat moet doen. En juist niet alleen in verkiezingstijd en vooral niet met cameraploegen in je kielzog. Dat leidt alleen maar af van waar het werkelijk om gaat en dat zijn vooral de één op één gesprekken. Met mensen uit bedrijven en instellingen, in wijken, op de werkvloer, met artiesten en musici, op scholen en met de bezoekers van de openbare avonden die we in de provincie organiseren. En, na afloop, in de kroeg.

In zo’n weekje in de provincie merk ik hoe ver de Haagse werkelijkheid vaak afstaat van dagelijkse praktijk van mensen. En hoezeer het beleid van het huidige kabinet die kloof haast onoverbrugbaar maakt. Het leidt tot nieuwe ideeën, soms tot nieuwe inzichten en is een uitstekende remedie tegen bewandelen van platgetreden paden. Na zo’n weekje is mijn batterij weer opgeladen en ga er, in de wetenschap dat ik er volgende maand weer op uit ga, in Den Haag weer stevig tegenaan. Want ook dat blijft hard nodig.

Inhoud


  • Januari – Overijssel

    Jan Marijnissen start zijn tour in Overijssel. Een provincie waarin hij nog een jaartje heeft gewoond (in Oldenzaal), en die hij een warm hart toedraagt. Een gastles voor een VMBO-klas van OSG Erasmus markeert de aftrap, waarna een vol en hectisch programma volgt. Naast drie openbare avonden met stevige debatten is er een bezoek aan een actiecomité dat strijdt tegen massale sloopplannen, een gesprek met daklozen en mensen die zich voor hen inzetten, een rond­leiding door een verzorgingshuis en ook een bezoek aan Kerkelanden, de armste wijk van Nederland.


  • Februari – Zuid-Holland

    Marijnissen begint in Rotterdam met onder andere een rondvaart door de havens en een wandeling door de Tarwewijk in gezelschap van deelraadwethouder Schrijer. Een pleidooi voor een Huis der Historie haalt de landelijke media en trekt een volle zaal in Leiden. Met cabaretier Marcel Verreck wordt het Haagse Statenkwartier bezocht. Een hoogtepunt is het bezoek aan ecologische boer Theo Spruit, waar Marijnissen een kalfje adopteert en Marijntje doopt.


  • Maart – Limburg

    De dag nadat Juliana wordt bijgezet, reist Marijnissen naar het zuiden waar hij onder andere volkswijk ’t Veld in Roermond bezoekt
    en de bedreigde mijnsteenberg in Heerlen. In die stad is ook aandacht voor het Hartslag-project, dat dakloze drugsverslaafden een leefbaar bestaan wil bieden. In Maastricht volgt een pittige discussie over de uitverkoop van de universiteit en de wetenschap. Meer naar het noorden, in Horst, bezoekt Jan een boer die zijn land over wil geven aan de natuur.


  • April – Noord-Holland

    Tijdens de tour in Noord-Holland overheerst de verontwaardiging over de plannen van minister De Geus voor de Vut en het prepensioen.
    Jan Marijnissen spreekt er uitgebreid over met partijleden en vakbondsmensen. Schagen krijgt als nieuwe SP-afdeling de eer om een – goed bezochte – debatavond over normen en waarden te organiseren. In Hilversum praat Jan met Fons van Westeloo over de media. Een bezoek aan het Vakbondsmuseum en een tochtje op de Zaan ontbreken ook niet.


  • Juni – Noord-Brabant

    De thuiswedstrijd van Marijnissen, die meehelpt aan de campagne ‘Oss wint EK!’ om mensen warm te maken voor de Europese verkiezingen van 10 juni. In gezelschap van zanger Gerard Maasakkers dwaalt Jan door de Kempen. In Oosterhout volgt een drukbezocht debat en in Druten staan de politieke verhoudingen in het Land van Ooit op het programma.


  • September – Fryslân

    ‘De provincie is één groot pleidooi tegen de alsmaar doorgaande schaalvergroting overal elders,’ concludeert Marijnissen die duidelijk onder de indruk is van de manier waarop het begrip ‘samenleving’ in Fryslân betekenis krijgt. Hij bezoekt een verzorghuis waar bewezen wordt dat het ‘menselijker, actiever, leuker’ kan in de zorg, een sociale werkplaats, een vakopleiding scheepsbouw en het Abe Lenstra Stadion. Fryslân. Openbare avonden zijn er in Sneek en Surhuisterveen.


  • Oktober – Drenthe

    Het land van Bartje, maar ook van de hypermoderne radio-antenne in Dwingeloo. Verder overlegt Marijnissen met de Molukse gemeenschap in Assen en praat hij met een veeboer en met blueszanger Harry Muskee. Openbare avonden zijn er in Coevorden en Meppel. En ook hier maakt een leerzaam museumbezoek deel uit van de etappe.


Boer Jaap Korteweg vreest voor voortbestaan biologische landbouw

Biologische boeren moeten voldoen aan strenge eisen en vormen daardoor een minder grote belasting voor natuur en milieu. Toch lukt het nog niet echt om de consument te overtuigen. De prijzen in de winkel blijven hoog, waardoor het marktaandeel van biologische producten klein blijft.

Jaap Korteweg is een boer in de vierde generatie. Opgegroeid met traditionele landbouw waarin bestrijdingsmiddelen en kunstmest gangbare hulpmiddelen waren. Toch besloot hij een aantal jaren terug over te stappen op biologische landbouw. Waarom? ‘Je wilt misschien wel anders, maar je denkt eerst dat dat niet mogelijk is. Maar als je dan ziet dat je met biologische landbouw goede resultaten kunt boeken, en dat het beter is voor natuur en milieu, tja dan is de keuze snel gemaakt.’

Aan de omschakeling van gangbare naar biologische landbouw zijn strenge eisen verbonden. Om als boer in aanmerking te komen voor het keurmerk biologisch moet je eerst twee jaar aan alle eisen voldoen. ‘Die periode is financieel moeilijk. Je zit met nieuwe investeringen terwijl je productie kleiner is maar je nog geen meerprijs voor je product mag ontvangen,’ vertelt Korteweg uit eigen ervaring. In ‘zijn tijd’ was hiervoor een financiële ondersteuning vanuit de overheid, maar boeren die nu willen omschakelen, doen dit op eigen kosten.

Minister Veerman heeft in zijn Nota voor stimulering van de biologische landbouw wel aangegeven dat biologische boeren vanaf 2006 subsidie kunnen krijgen voor hun groene diensten, maar het budget hiervoor is met 4 miljoen euro erg gering. ‘Het is nog niet helemaal helder of het de overheid echt ernst is,’ meldt Korteweg. ‘Om de problemen op te lossen is er meer actieve steun van de overheid nodig.’

De belangrijkste bottleneck voor de biologische landbouw is de consumentenprijs. In veel gevallen zijn biologische producten de helft, zoniet tweemaal zo duur als de ‘normale’ variant. Het aandeel van de boeren hierin is slechts tien procent. De grote kostenposten zitten vooral in de verspreiding van de producten. Omdat biologische producten hun eigen distributiesysteem hebben kunnen zij niet profiteren van schaalvoordelen.

‘Het is een beetje een vicieuze cirkel,’ vindt Korteweg. ‘Als het aandeel biologische producten groeit, kan er in de distributie efficiënter gewerkt worden en kan de prijs omlaag waardoor het aandeel biologisch zal groeien. Je moet dus schaalvergroting mogelijk maken. Doe je dit niet, dan blijf je altijd onder de kritieke grens.’ Die kritieke grens is de doelstelling van de regering om in 2010 tien procent van de landbouw op biologische wijze te laten plaatsvinden. Momenteel is dit nog maar twee procent. ‘Productietechnisch is die groei geen enkel probleem, maar er moeten wel mogelijkheden zijn om je producten af te zetten’, vindt Korteweg. ‘Daarom moeten de prijsverschillen met traditionele producten kleiner. Dat kan met financiële steun, maar bijvoorbeeld ook door van supermarkten te eisen dat ze een bepaald percentage van hun assortiment in biologische producten aanbieden. Ook kun je denken aan het verplichten van de industrie om ook – gedeeltelijk – met biologische grondstoffen te gaan werken.’

Als het de biologische landbouw niet lukt om in 2010 een substantieel deel van de markt aan zich te binden en het prijsniveau niet kan drukken, komt haar toekomst in gevaar, waarschuwt Korteweg. ‘Als de afzetgroei niet doorzet, dan blijft het een marginaal product en is er voor de supermarkten, die toch al niet echt om biologische producten zitten te springen, geen reden om hun aanbod hiervan te continueren. Resultaat zal zijn dat het aandeel biologisch krimpt, en dat boeren gedwongen worden weer op de traditionele manier te werken.’


Nederland Museumland

Er is meer te zien dan Van Gogh en Rembrandt

Slechts 38 procent van de Nederlanders gaat ooit in zijn leven naar een museum. Toch biedt ons land veel musea die de moeite van een bezoekje meer dan waard zijn. Vaak is het gebouw op zich al bewonderenswaardig. En er is zoveel meer dan het geijkte ‘Rijks’ en ‘Van Gogh’… Tijdens de toer bezoekt Jan Marijnissen ook altijd een museum in de provincie die hij aandoet. Enkele voorbeelden.

Drents Museum, Assen

Het was op 28 november precies 150 jaar geleden dat het Provinciaal Museum van Drentse Oudheden werd opgericht. Veen speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van de provincie, en dus ook in dit streekmuseum. Naast historische prenten en schilderijen over turfwinning, wordt hier ook bijvoorbeeld het meisje van Yde tentoongesteld. Het gezicht van deze jonge dame, in feite een prehistorisch veenlijk, is akelig realistisch gereconstrueerd. Indrukwekkend is ook ‘het echtpaar’, een man en een vrouw die eeuwenlang in het veen bewaard zijn gebleven. Maar het museum heeft niet alleen oog voor onze verre voorouders. Er zijn ook voldoende materiële dingen te bewonderen in een nagebouwde boerenkamer: van antieke klokken tot zilverwerk. En niet te vergeten zijn er de schetsen te bewonderen van Vincent van Gogh die in zijn jonge jaren in de provincie vertoefde. Voor de jeugdige bezoekers aan het museum is er voldoende te beleven in de ontdekkingskamer (vraag naar openingstijden).

Brink 1, Assen
www.drentsmuseum.nl

Oorlogs- en Verzetsmuseum Overloon

Het dorp Overloon in Noord-Limburg was in 1944 het decor vaneen van de felst bevochten veldslagen uit de geschiedenis van WO II. Daarover is veel na te lezen in het Nationale Oorlogs- en Verzetsmuseum. Er wordt niet alleen oorlogstuig tentoon­gesteld uit die periode. De collectie gaat juist vooral uit van de vredesgedachte, ook in relatie tot de actualiteit. Zo beschrijft de website: ‘De bezoeker wordt gestimuleerd om kritisch na te denken over oorlog, geweld, onderdrukking en vervolging.’ Momenteel loopt er een tentoonstelling over brieven uit de concentratiekampen. Verder zijn er veel foto’s en persoonlijke verhalen. Al met al is in Overloon de oorlog waar het hoort:in een museum.

Museumpark 1, Overloon.
www.oorlogsmuseum.nl

Henri Polakinstituut – Vakbondsmuseum, Amsterdam

Het gebouw van het Vakbondsmuseum is een historisch praalstuk op zich. Ontworpen door architect Hendrik Berlage en van binnen versierd met muurschilderingen van Richard Roland Holst. Ooit was de Burcht van Berlage het onderkomen van de Diamantbewerkersbond ANDB van Henri Polak. Geen toevalligheid dat daar nu het vakbondsmuseum in huist. De vakbond ANDB ontwikkelde namelijk nieuwe structuren voor de opkomende arbeidersbeweging. Vanuit de diamantindustrie zijn grote vernieuwingen tot stand gekomen, zoals het ‘ideaal’ van de acht-urige werkdag dat in 1911 werkelijkheid werd. Ruim negentig jaar heeft het ANDB-­gebouw gediend als hoofdkantoor van de vakbond. De eerste bonden werden al halverwege de negentiende eeuw op­gericht. De bewogen geschiedenis van de vakbeweging komt uitgebreid aan bod in de permanente tentoonstelling. Van het afschaffen van de kinderarbeid tot recente CAO-onderhandelingen.

De Burcht, Henri Polaklaan 9, Amsterdam
www.deburcht-vakbondsmuseum.nl


‘De verrommeling neemt toe’

VINEX-locaties, bouwputten en de sloop van volksbuurten. Het onderwerp ruimtelijke ordening doet altijd veel stof opwaaien. Voorop in het debat loopt socioloog en journalist Herman Vuijsje.

Wordt het niet gewoon een rotzooi in Nederland?

‘Onder dit kabinet is de verrommeling wel toegenomen. De verantwoordelijkheid voor nieuwbouw wordt vaak doorgespeeld aan provincie en gemeente. Die zijn eerder geneigd te handelen uit winstbejag en hebben minder oog voor mooi en duurzaam bouwen. Natuurlijk gebeurt dat al decennia zo, maar nu is die decentralisatie van de nieuwbouw echt beleid geworden. Dat komt de ruimtelijke ordening niet ten goede.’

Wat vindt u nou echt lelijk?

‘Die fantasieloze VINEX-wijken. Op de snelweg is het net of je voortdurend door een tunnel rijdt, een corridor van onvoltooide bouwprojecten. Bovendien wordt er slordig omgesprongen met de voor­malige landbouwgrond. Zodra er iets vrijkomt wordt dat opgekocht door Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten die er dan een lullig bosje aanlegt.’

Natuurmonumenten noemt dat Nieuwe Natuur…

‘Tja de één vindt het mooi, de ander niet. Ik vind het zonde van het grootse Nederlandse cultuurlandschap.’

Want echte natuur hebben we niet meer?

‘Je kunt daarvoor nog naar het Wadden­gebied. Op de Veluwe zijn nog bossen, maar als je dat zoekt kun je beter naar Polen of Duitsland. Dat neemt niet weg dat ons polder- en weidelandschap schitterend mooi is. Erg ideaal om in te wandelen bovendien.’

Is Nederland te vol?

‘Als je kijkt naar de hoeveelheid mensen die in ons land wonen, valt het wel mee. Wanneer je de trein neemt zit je tien minuten buiten Amsterdam al in het groen. Dat is het gevolg van onze traditie om ruimtelijke ordening serieus te nemen. Maar het groen is erg kwetsbaar: weg is voorgoed weg.’

Daarom moeten we maar hoger bouwen?

‘Er wordt inderdaad te laag gebouwd. Als iedere Nederlander een huisje met tuintje wil, gaat het verkeerd. Hoogbouw heeft het stigma van lelijke, kale flats, maar het kan heel mooi. Kijk maar naar het Java-eiland in Amsterdam.’

Er is veel protest tegen het slopen van volksbuurten…

‘Ach, het is altijd beter dan die verlaten buurten met dichtgespijkerde ramen. We hebben in onze Hollandse cultuur toch een beetje de romantische neiging om vooral niks te willen veranderen. Als er maar nagedacht wordt over móóie nieuwbouw, vind ik het goed.’


‘Voor veel leerlingen is het VMBO een goede basis’

Het merendeel van de leerlingen in het voortgezet onderwijs volgt een VMBO-opleiding. Toch blijft de berichtgeving overwegend negatief met steekwoorden als ‘schoolverlaters’, ‘agressie’ en ‘zorgleerlingen’. Dick de Jong, algemeen directeur van de Openbare Scholengemeenschap Erasmus in Almelo, nuanceert.

Wat vindt u van de beeldvorming over het VMBO?

‘Er is veel oppervlakkig geklets over het VMBO in de media: incidenten worden uitvergroot. Ruim 60 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs volgt VMBO. Het spreekt voor zich dat dit niet uitsluitend probleemleerlingen en ontsporende mislukkelingen zijn. Onze slagingspercentages liggen gemiddeld rond de 95 procent.’

‘Er wordt soms zelfs gesuggereerd dat maatschappelijke problemen het gevolg zijn van het VMBO. Gelukkig leggen heel veel leerlingen juist via dit nieuwe schooltype een goede basis voor een vervolgopleiding in het MBO, en een plek op de arbeidsmarkt. Maar daar hoor je in de media bijna niets over. Goed nieuws is geen nieuws.’

En politici snappen het wel?

‘Soms lijkt het alsof het onderwijsbeleid van stommiteiten aan elkaar hangt. Er zijn maar weinig politici die iets snappen van het beroepsonderwijs want hun referentiekader is het VWO/HAVO omdat ze daar vroeger zelf op gezeten hebben. Wij vonden het bezoek van Jan Marijnissen aan onze school destijds heel leuk en waren onder de indruk van zijn kennis van het VMBO en zijn omgang met de leerlingen.’

Erasmus heeft docenten die gespecialiseerd zijn in het wegnemen van faalangst. Hoe begeleiden jullie ‘zorgleerlingen’?

‘Ik ben voorzitter van het regionaal samenwerkingsverband van alle VO-scholen en het Agrarisch Opleidingscentrum. Samen houden we een Orthope­dagogisch Didactisch Centrum in stand. Daar krijgen 180 leerlingen in kleinere groepen les van gespecialiseerde leraren. Deze kinderen hebben leerstoornissen, zoals ADHD of autisme, waardoor ze in het gewone VMBO eerder zouden kunnen uitvallen. Dankzij die voorziening met zorgexperts halen de meeste van deze leerlingen toch nog een diploma.’

U heeft veel oog voor de beroepspraktijk. De leerlingen van de consumptieve afdeling hebben zelfs een ‘eigen’ restaurant. Hoe werkt dat?

‘Dat moet je zien als een soort werkplaats waarin beroepssituaties worden geoefend, van het werken in de keuken tot het bedienen van klanten. Alvorens leerlingen op stage gaan, moeten ze onder begeleiding van hun leraren eerst op school de kneepjes van het vak leren. Het restaurant is drie keer per week open voor lunches en diner. Mensen kunnen telefonisch reserveren en daar wordt dankbaar gebruik van gemaakt. Het zesgangen Kerstdiner was al een jaar tevoren volgeboekt. Onder de bezoekers bevinden zich veel ouderen. De prijzen die gehanteerd worden zijn niet commercieel en de kwaliteit is prima.’


Op naar een nationaal Huis der Historie

Het museumlandschap in Nederland is verkaveld. De meeste musea richten zich of op een bepaalde streek of een specifiek aspect van de geschiedenis of de kunst. Op zich is daar niks mis mee, maar Jan Marijnissen pleit voor een Nationaal Museum dat voor zover mogelijk het hele plaatje van de Nederlandse wordingsgeschiedenis laat zien.

Het voorstel maakte in ieder geval de tongen los, waarbij de kritiek vooral kwam van museumdirecteuren. ‘Broodnijd,’ oordeelden columnisten van landelijke dagbladen. Marijnissen benadrukt dat dit onnodig is. Het Nationaal Museum is immers een aanvulling op het bestaande aanbod en geen vervanging.

In Leiden gaf de SP-fractievoorzitter in het voorjaar een college over het onderwerp. De geschiedenisstudenten bleken opmerkelijk enthousiast over het idee.

Wim van der Weiden van het Europese Museumforum ziet ook wel wat in het idee voor een Huis der Historie. Hij bespeurt een ‘verloren generatie van historisch besef’ en wijst op het Duitse Haus der Geschichte dat jaarlijks vijf miljoen bezoekers trekt. ‘Wat in Duitsland kan met zo’n ingewikkelde, dubbele geschiedenis, moet hier zeker ook kunnen,’ vindt Marijnissen.

In de media werd ondertussen flink geschreven over het Huis der Historie. Maarten van Rossum speculeerde zelfs al over een eventuele locatie: Het Paleis op de Dam. ‘Dat moeten we afpakken van de Oranjes.’


Rotterdamse Tarwewijk ligt op schema

Hennepkwekerijen, hondenpoep, hangjongeren, illegale logementen. Door de media worden deze elementen vaak als kapstok gebruikt om de Tarwewijk af te schilderen als een typische probleemwijk in Rotterdam. Volgens Trudy de Bruin van projectbureau Tarwewijk is dit een te eenzijdig beeld.

Het voortbestaan van het projectbureau Tarwewijk was even in het geding. Is daar al uitsluitsel over gegeven?

‘Alles wat goed is blijft, wij dus ook. In alle ernst, een laagdrempelig informatiepunt midden in de wijk kost nou eenmaal geld. Ik vind het dus in zekere zin wel gezond dat we elk jaar ons bestaansrecht moeten verdienen door de meerwaarde van het bureau duidelijk te maken.’  

Jullie hebben al veel hoogwaardigheidsbekleders over de vloer gehad. De koningin zelfs twee keer. Wat bieden jullie de gewone burger die langs komt? 

‘Mensen kunnen hier met elk probleem terecht, als het maar niet relationeel is. Alhoewel, zelfs daar hebben we een adres voor. Vaak komen ze met klachten over de buren, hondenpoep, straatverlichting of ze melden illegale bewoning. Onze ervaring leert dat juist het serieus nemen van klachten veel krediet oplevert voor de overheid. Maar er zijn ook bewoners die niet goed begrijpen waarom er op sommige momenten zoveel commotie in de media is over hun wijk.’

In de kranten wordt uw Tarwewijk toch altijd geschaard in de categorie ‘probleemwijk’? 

‘Tarwewijk is een beetje schizofreen. Soms als het zonnetje schijnt heeft het een haast dorps karakter. De problemen zijn er wel degelijk, maar worden door de media uitvergroot. Dat wil overigens niet zeggen dat er zaken onder het tapijt worden geschoven. Op het gebied van veiligheid, sociaal en fysiek, wordt er de komende jaren flink geïnvesteerd. Met het bereikte resultaat in de Millinxbuurt nog vers in het geheugen is men er van overtuigd dat dit voor de gehele Tarwewijk ook te bereiken is. Een wijk waar het goed leven en wonen is.’  

De buurt is aan de beterende hand? 

‘Ik denk dat we er goed in geslaagd zijn de problemen in kaart te brengen. En we liggen op schema wat betreft het opruimen van zaken die we hier niet langer tolereren. Uiteraard weten we ook waar de kansen liggen. Onze wijk heeft goede scholen en een paar prachtige voorzieningen. Ook is de bereikbaarheid uitstekend, is er veel groen en zijn de grootstedelijke voorzieningen binnen handbereik.’


Groene hart kan niet zonder boeren

Het veenweidenlandschap in het Groene Hart is dankzij zijn cultuurhistorische waarde en schoonheid uniek in de wereld. Dat vindt van Bram van der Vlugt, naast acteur ook oprichter van de stichting Gras en Wolken. ‘Wij zetten ons in voor het veenweidenlandschap dat zijn culturele en natuurlijke waarde dient te behouden.’

U stelt dat het voortbestaan van dit weidegebied onlosmakelijk verbonden is met boerenactiviteit. Waarom?

‘Omdat het onderhoud onbetaalbaar en praktisch onmogelijk is zonder boeren. Melkveehouderijen laten hun vee grazen in de weilanden en houden daarmee het landschap in stand. De natuurlijke kringloop via deze wijze van veeteelt is bepalend voor het gebied.’

Het vee graast nog steeds in de weilanden. Wat is dan het probleem?

‘Bebouwing, moerasvorming, toenemende vervuiling door toerisme, de problemen zijn divers. Het grootste probleem is wel de boerenopvolging. Veel boeren­bedrijven gaan over van generatie op generatie. Door de huidige economische omstandigheden besluiten steeds meer boeren te stoppen, en ook hun kinderen zien er geen heil in. Een achterliggende oorzaak is de koopmansmentaliteit van veel Nederlanders. Melk is wit en zit in een pak, en consumenten kiezen voor de goedkoopste variant en zijn niet bereid iets extra’s te betalen voor melk van een eigen bodem met een aantoonbaar betere kwaliteit.’

En waarin ziet u de oplossing?

‘We moeten boeren in het veenweidenlandschap een economische bestaansmogelijkheid geven. Politieke steun om deze boeren concurrerend te maken is daarvoor nodig, maar ook bewustwording van de consument die zich moet reali­seren wat hij koopt.’

Melk en veeteelt zullen naar verwachting in de komende jaren veel concurrentie uit Oost Europa en andere landen krijgen waar met schaalver- groting goedkoper geproduceerd kan worden. Hoe ziet u de toekomst voor het veenweidelandschap?

‘Ik heb zeker vertrouwen. Er is al verbetering te zien met vijf jaar geleden, maar de ontwikkelingen moeten het pioniersstadium ontgroeien. Hiervoor moet wel eerst het bewustzijn in de samenleving groeien dat we zuinig moeten zijn op onze boeren en de kwaliteit van ons voedsel beter in de gaten moeten houden.’


De gevoelige snaar van Gé Reinders

Gé Reinders is sinds jaar en dag de meest beroemde liedjeszanger in Limburg en omstreken. Maar ook buiten zijn geboorteprovincie treedt hij al jarenlang op en weet hij met zijn muziek steeds meer liefhebbers te veroveren.

U schrijft voornamelijk in het Limburgs. Waarom hebt u hiervoor gekozen?

‘Ik ben een geboren en getogen Limburger. Het is niet per sé zo dat ik Limburgs mooier of beter vind dan bijvoorbeeld Nederlands of Drents of Fries. Ik schrijf ook in het Nederlands, maar dan voor anderen. Limburgs is nu eenmaal mijn moedertaal. Daarin kan ik het dichtst bij mijn gevoel komen.’

Toch krijgt u ook buiten Limburg steeds meer fans. Hoe komt dat?

‘Als je oprecht met je vak bezig bent, maakt het niet uit in welke taal je zingt. Mijn nummer Bloasmuziek bijvoorbeeld, werd vorig jaar nog tot één van de vijftien mooiste Nederlandstalige liedjes ooit gekozen. Ik probeer als artiest gevoelsmatig alles goed te doen en ik denk dat ik daarmee bij het publiek een gevoelige snaar weet te raken. Dat maakt dat mensen graag naar mijn liedjes luisteren.’

Ook in andere regio’s in Nederland wordt in de ‘eigen taal’ gezongen, maar niet zoveel als in Limburg. Zijn Limburgers zoveel trotser op hun taal?

‘Blijkbaar heeft Limburg hier de meeste behoefte aan. Uit onderzoek is gebleken dat 60 procent van de Nederlandse muziek die in de streektaal wordt gezongen uit Limburg komt. De eigen taal leeft in Limburg enorm. Ik vermoed dat dit te maken heeft met het beschadigde gevoel van eigenwaarde van Limburgers. Limburg werd toch vaak afgeschilderd als een achterlijk en simpel gebied, op deze manier willen we bewijzen dat dat zeker niet het geval is.’

Dus we zijn voorlopig nog niet van u af?

‘Nee, zeker niet. De huidige tournee loopt nog door tot mei 2005 waarbij we in theaters in heel Nederland spelen. Ondertussen ben ik ook al bezig met allemaal nieuwe projecten waaronder een nieuwe CD. En daarbij, het Limburgs is veel te mooi om niet te willen zingen.’


ECN is de kernenergie voorbij

Het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) in Petten werd opgericht om voldoende Europese kennis op te bouwen om op termijn over te kunnen stappen op kernenergie. Het belang van kernenergie nam af, en ECN ging zich richten op wat het ‘De Trias Energetica’ noemt: terugdringen van de energievraag door energiebesparing, inzetten van duurzame energiebronnen en schoon en efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen.

De klimaatsveranderingen door de voortdurende stijging van het CO-2 gehalte in de atmosfeer vormen een ernstige bedreiging voor natuur en milieu, waarschuwt Hein Willems van ECN. ‘Dit alles maakt het energievraagstuk niet alleen interessant, maar vooral ook van groot belang.’

De overheid wil in 2020 ongeveer 6000 megawatt opwekken via off­shore windenergie. ‘Om dit te kunnen bereiken zou je elk jaar vijfhonderd megawatt moeten groeien,’ zegt Willems. ‘Dit houdt in dat je elk jaar 100 windmolens moet plaatsen met wieken waarvan de spanwijdte zo groot als een voetbalveld is. Waar ga je dat doen en hoe wil je het realiseren?’

ECN houdt zich voornamelijk met de praktische kant van energie bezig. Het instituut richt zich daarbij op onderzoek voor, en advisering van zowel overheid als bedrijfsleven. ‘Alle grote ondernemingen werken met ons samen,’ aldus de ECN woordvoerder. ‘Of het nu gaat om de ontwikkeling van een CV-ketel of een warmtepomp, wij hebben meestal het onderzoek verricht en een deel van de technologie ontwikkeld.’

ECN richt zich in zijn onderzoek vooral op duurzame energievoor­ziening. Uit studies blijkt dat in de komende jaren het gebruik van fossiele brandstoffen, zoals olie en gas, nog zal toenemen. Desondanks denkt Willems dat dit in de toekomst gaat veranderen. ‘Daar ontkomen we niet aan. Fossiele brandstoffen raken echt een keer op, en ze zijn vervuilend. Op termijn moeten we overschakelen op duurzame energiebronnen zoals wind en zon.’

Wannéér die omschakeling plaatsvindt, hangt volgens Willems af van het bewustzijn in de samenleving: ‘ECN kan wel roepen dat het zus of zo moet, maar uiteindelijk zijn het de overheid en het bedrijfsleven die het moeten doen.’ Dit houdt volgens Willems in dat er ook gekeken moet worden naar de maatschappelijke behoefte in plaats van de economische belangen. Bijvoorbeeld door het bedrijfsleven technologieën te laten toepassen die vanuit bedrijfseconomisch oogpunt niet noodzakelijk zijn maar vanuit maatschappelijk perspectief wel. ‘En tegelijkertijd moeten we ook nadenken over de vervuiling die de economie veroorzaakt. Op dit moment heffen we alge­mene belastingen om de maatschappelijke gevolgen van energievervuiling op te vangen en kijken we nog te weinig naar wie of wat deze vervuiling tot stand brengt. We zouden dit meer aan het product of de producent kunnen koppelen onder het mom van de vervuiler betaalt.’

Het belang van schone, duurzame energie lijkt steeds meer erkend te worden. Rusland heeft onlangs het Kyotoverdrag tegen de uitstoot van CO 2 ondertekend en zelfs President Bush presenteerde er een rapport over. ‘Het lijkt er op alsof we haast krijgen en dat is ook nodig’, aldus Willems. ‘We moeten naar de toekomst kijken. Het gaat erom om nu oplossingen te bedenken voor de problemen over vijf of tien jaar. En daarbij, het zijn niet alleen bedreigingen die op ons afkomen maar ook kansen voor het bedrijfsleven. Bijvoorbeeld de offshore-industrie zou goed kunnen profiteren van de windmolens die nog geplaatst gaan worden.’


Domineestuin, unieke herinnering aan toen

Jan Duijvis is de trotse bewoner van één van de 26 houten huisjes aan de Domineestuin te Zaandijk. De energieke Zaankanter heeft een hart voor cultuur en historie en is nauw betrokken is bij de Stichting Domineestuin die zich sinds 1979 inzet voor het behoud van een uniek stukje plaatselijke geschiedenis.

Wat doet de stichting Domineestuin?

‘We geven adviezen over bouwen en verbouwen in de wijk en we zetten ons in om de status van beschermd dorpsgezicht te verwerven. Dat doen we al vanaf het begin, ruim 25 jaar geleden.

Hoe zag die beginperiode er uit?

‘De periode van 1979 tot 1982 waren moeilijke jaren. De gemeente wilde de laatste overgebleven arbeidershuisjes slopen. Maar ook de omwonenden bekeken ons met argusogen, omdat ze dachten dat onze acties overlast zouden veroorzaken. Vanaf 1983 ging het overleg met de gemeente beter en kregen ook de buurtbewoners door dat we het goed voor hadden met de buurt.’

Wat voor beeld gaf de wijk in de periode?

‘Eind zeventiger jaren was deze buurt verloederd. Leeggekomen huizen werden door de jeugd tot de grond toe afgebroken of in brand gestoken. De overige huisjes waren in abominabele staat. Toen ik in 1979 een leeggekomen woning kraakte om hem te behouden, vreesden veel mensen een nieuwe negatieve ontwikkeling in hun buurt.’

En toen?

‘Tja, een groepje enthousiastelingen heeft zich aaneengesloten om met actie en overleg met gemeente, omwonenden en belangenorganisaties de buurt te redden van verdere sloop. En met succes. We kregen van de gemeente de grond in erfpacht en we konden de huizen restaureren of in de oorspronkelijke staat herbouwen.’

Maar waarom zou je dat eigenlijk doen?

‘In de loop der jaren hebben in de Zaanstreek veel prachtige gebouwen met historische waarde moeten wijken voor de vernieuwingsdrift en herstructureringsplannen. De Domineestuin was de laatst overgebleven arbeiderswijk en mocht niet verloren gaan. Het beeld moet blijven bestaan, ook voor het nageslacht, dat moet kunnen zeggen: kijk, zo heeft het er vroeger uitgezien!’


Red het Multatuli Museum

‘Barbarij’, luidde het oordeel van Jan Marijnissen over het voorstel van de Amsterdamse cultuurwethouder Belliot om de subsidie aan het Multatuli Museum te stoppen. Samen met onder andere Eurocommissaris Frits Bolkestein, de oud-politici Henk Vonhoff en Schelto Patijn, de schrijvers Adriaan van Dis, Hella Haasse, Kees van Kooten, Geert Mak en Nelleke Noordervliet, de wetenschappers Marita Mathijsen en Frits van Oostrom, kleinkunstenaar Drs P. en Volkskrant-columnist Jan Blokker ondertekende Marijnissen een pleidooi in De Volkskrant om de subsidie te continueren. Het Multatuli Museum is gevestigd in het geboortehuis van de schrijver in de Amsterdamse Korsjespoortsteeg. Stopzetten van de subsidie zou sluiting van het museum betekenen, waardoor het geboortehuis van de schrijver voorgoed verloren zou zijn.

Met zijn klassieke meesterwerk Max Havelaar over de wantoestanden in het voormalige Nederlands Indië, dat bij de verschijning in 1860 als een bom insloeg, slaagde Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) er als eerste in de koloniale zaak onder de aandacht van een groot publiek te brengen. ‘Multatuli is van grote betekenis geweest voor de Nederlandse letterkunde, cultuur­geschiedenis en politiek,’ stellen de briefschrijvers. ‘Zijn werk mag zich ook na anderhalve eeuw in de belangstelling van het publiek verheugen.’

Van de subsidie, waarvan de gemeente jaarlijks een kwart als huur terugkrijgt, organiseert het museum tentoonstellingen, onderhoudt het een collectie en ondersteunt het onderwijs en onderzoek.


In Hogewey zie je geen witte jassen

In tijden van versobering van de zorg lijkt verpleeghuis Hogewey in Weesp een verademende uitzondering. De ruim honderd demente bewoners worden ingedeeld in leefstijlen en zetten zo goed mogelijk hun oude leven voort. Er zijn bovendien veertig clubjes en talloze activiteiten. ‘Demente bejaarden hoeven helemaal niet zielig te zijn.’

Hogewey ziet er van buiten hetzelfde uit als elk ander verzorgingshuis. Binnen de muren is het onderscheid echter onmiskenbaar. Geen witte jas te zien! Centraal in het pand staat een gezellig bruin café. ‘Komt u binnen, mevrouw,’ verwelkomt een medewerker een dame met een rollator. Een collega speelt op een piano oud-Hollandse liedjes. Straks staat hier bloemschikken op het programma. De bewoners luisteren met een glimlach naar de muziek van weleer.

Directeur Jannette Spiering noemt het ‘genormaliseerd kleinschalig wonen in leefstijl’ volgens ‘het sociaal-relationeel model’. Feitelijk komt het er op neer dat Hogewey is overgestapt van pillen eerst, naar mensen eerst. ‘We benaderen het gezonde in onze cliënten en kijken naar wat ze wél kunnen,’ aldus Spiering. ‘Demente bewoners kunnen nog heel veel, al moet je het soms iets vaker herhalen.’ Het zit hem in de details. ‘Als je iemand die slecht ter been is, in een rolstoel zet, kan die persoon als het ware vergeten hoe hij moet lopen. Dames die heel hun leven al aardappels schillen moeten dat kunnen blijven doen, ook als ze dement zijn. Alleen moeten we het even in de gaten houden. Als iemand als fietsenmaker heeft gewerkt, kan hij misschien best een band plakken als hij dat leuk vindt. Zelfs al lukt het niet, het gaat er om dat hij bezig is.’

In de therapie speelt ‘snoezelen’ een belangrijke rol of in formeel Nederlands: het stimuleren van de zintuigen. ‘De geur van strijken, vers gebakken brood en het pruttelen van de koffiepot roepen herinneringen op aan vroeger.’

De sfeer in Hogewey is ontspannen. t Leidse pleintje staat op het bordje voor de kamer van de Amsterdamse leefstijl. De radio speelt smartlappen. De bewoners praten met elkaar en halen herinneringen op. Dat doen ook de ‘Gooise dames’. Ze lijken niets van hun egards te hebben verloren. Hun thee wordt geschonken in Delfts blauw servies. Verder zijn er nog bijvoorbeeld de Indische, Christelijke en ambachtelijke woongroepen.

Hogewey straalt luxe uit. In het á la carte restaurant hangen fraaie kroonluchters. De muziekruimte heet Mozartzaal en is stijlvol ingericht en voorzien van splinternieuwe instrumenten. Is deze weelde bereikbaar voor de ‘gewone man’? ‘Ja hoor, de basiszorg is voor iedereen gelijk,’ zegt Spiering. ‘Hogewey is een reguliere AWBZ-instelling. Dus we hebben hetzelfde budget als elk ander tehuis.’

Maar het huis biedt wel veel extra’s. ‘We willen dat mensen hun leventje zo veel mogelijk kunnen voortzetten. Als je gewend bent om bij je avondeten een wijntje te drinken kan dat, maar daarvoor moet je betalen. Dat lijkt me logisch.’

De ‘cultuuromslag’ naar een haast hotelmatige aanpak vergt aanpassingen van het personeel. ‘Onze medewerkers moeten goed kunnen observeren. Als een bewoner voor de deur staat te trappelen, is dat mogelijk een signaal dat hij wil wandelen. Dat moeten de verplegers oppikken,’ vindt Spiering. ‘Bij traditionele verpleeghuizen komt het initiatief van de verzorgers, zo van: wij gaan nú even wandelen. We moeten af van dat taakgerichte. Dus niet per sé om elf uur bedden opmaken. Als dat beter uitkomt om drie uur, dan doen we het dan’, Aan de wand van Spierings kantoor hangen schetsen voor de nieuwbouwplannen van Hogewey. Het oude gebouw gaat plaatsmaken voor losstaande woningen, waarin de bewoners een eigen slaapkamer krijgen. Ook komt er een buitenruimte die vrij toegankelijk is voor bewoners. ‘Als iemand naar buiten wil, in een af­geschermde omgeving, moet dat kunnen. Als het regent wordt ie nat ja, maar dan komt hij vanzelf wel weer binnen. Het is toch geflipt dat ouderen, eenmaal in een tehuis, nooit meer buiten komen.’

Spiering verzet zich tegen het schrikbeeld van de uitgebluste bejaarde met het hoofd rustend op een tafel. ‘Dement en oud zijn hoeft niet zielig te zijn als de omgeving vrolijk is,’ meent de directeur stellig. ‘Laatst hebben bewoners en familie hier bijvoorbeeld staan swingen bij een Caribisch feest. Eigenlijk is er elke dag wel iets leuks te beleven. De meeste werknemers zeggen dat als zijzelf of hun ouders ooit dement worden, ze voor Hogewey zouden kiezen. Dat lijkt me een goede graadmeter. Want volgens mij zijn er niet veel zorginstellingen waar het personeel dat durft te zeggen.’


Mark en Maas wil zich onderscheiden met kwaliteit

Kruiswerk Mark en Maas houdt zich bezig met een breed aanbod van thuiswerk, variërend van kraamzorg en jeugdhulp tot ouderenzorg. De organisatie is actief in dertien gemeenten in het stadsgewest Breda. Per jaar maken ruim honderdduizend mensen gebruik van haar diensten.

Sinds de privatisering van de zorg in Nederland dienen zorgverleners meer met elkaar te concurreren. Wat merkt u hiervan?

‘Veel helaas,’ antwoordt directieadviseur Roy Stevens. ‘De marktwerking in de zorg is schadelijk voor zowel cliënt als zorgverlener. Het Regionaal Indicatie Orgaan (RIO) bepaalt in Nederland hoeveel zorg iemand mag ontvangen. Doordat de normen die hiervoor gelden steeds versoberd worden, zien zorgverleners hun inkomsten drastisch dalen. Ze proberen dit te compenseren door cliënten bij andere zorgverleners weg te halen. Het gevolg is níet betere kwaliteit of een scherpere prijs, maar alleen onrust vooral voor de cliënt.’

Hoe probeert u zich in deze concurrentieslag te onderscheiden?

‘Voornamelijk door de kwaliteit van zorg. Door goed opgeleid, accuraat en betrouwbaar personeel. Maar ook door een goede werkgever te zijn. Het blijkt dat het voor werknemers in de zorg soms erg lastig kan zijn om werk en gezinsleven te combineren. Wij hebben een dienstenbalie waarmee wij onze medewerkers daarbij proberen te ondersteunen.’

Hoe werkt dit in de praktijk?

‘Werknemers kunnen daar terecht met specifieke problemen, bijvoorbeeld de kinderopvang. Maar ook afhaalmaaltijden, het stomen van een pak of het vinden van een goede tuinman. De dienstenbalie gaat zonder extra kosten voor hen op zoek naar een passend antwoord. Zo bieden wij onze werknemers steun bij het uitvoeren van het huishouden, zodat zij zich, als ze op het werk zijn, ook volledig op het werk kunnen concentreren.’


Foppe de Haan: ’Je doet het tenslotte samen!’

Foppe de Haan is ex-trainer/coach van SC Heerenveen. Hij geldt als één van de meest succesvolle coaches van deze Friese club. Momenteel is hij trainer van Jong Oranje.

Hoe komt het dat een kleine club als SC-Heerenveen zich jarenlang zo stabiel en constant weet te manifesteren binnen het Nederlandse voetbal?

‘Dat is niet toevallig. Dat komt enerzijds door de historie maar ook door de regionale bindingen van de club. We spelen in de kleuren van de Friese vlag en bij de opening van het seizoen laten we altijd het Friese volkslied horen. Zo bevestigen en verstevigen wij de regionale binding waardoor veel Friezen zich met de club identificeren en betrokkenheid ontstaat. Dat heeft ook invloed op het resultaat.’

Vaak wordt gezegd dat Friezen een geheel eigen, niet Nederlandse mentaliteit hebben. Wat vindt u?

‘Door de jaren heen heeft Friesland een eigen identiteit ontwikkeld. Eén kenmerk hiervan is dat Friezen nuchter genoemd worden. Als het goed gaat, gaan we niet uit onze bol maar zijn we blij dat we ‘er bij’ mogen horen. Dat we een onderdeel van het succes mogen zijn. We blijven bescheiden en gaan niet naast onze schoenen lopen. Ik erger me bijvoorbeeld als mensen met een stropdas met een grote nummer 1 erop rondlopen. Dat zul je bij ons niet tegenkomen. Maar dat betekent ook dat we loyaal zijn als het slecht gaat en ons allemaal inzetten om het resultaat te verbeteren.’

Bij uw huidige werkzaamheden voor Oranje onder 21 jaar bent u wederom succesvol. Hoe weet u jeugdige spelers te stimuleren?

‘Ik doe bewust een beroep op bepaalde eigenschappen. Als je wordt uitgenodigd voor Oranje vind ik dat een eer, en zo moeten mijn spelers dat ook zien. Ik wil dat ze trots zijn. Zijn ze dat niet, dan stuur ik ze gewoon weer weg. En als ze dat wel zijn, moet je ook van ze verwachten dat ze zich inzetten om die eer te verdedigen, een team vormen en loyaal zijn aan elkaar. En je moet zelf als trainer natuurlijk ook interesse tonen in jouw jongens. Willen weten hoe het met ze gaat, wat ze bezielt en je betrokkenheid uiten. Je doet het tenslotte samen!’


Fries´ theater springlevend door Tryater

Fries is de tweede rijkstaal van Nederland en zowel het rijksbeleid als het provinciebeleid van Fryslân is erop gericht de taal te conserveren en actief te ondersteunen. ‘Tryater is dé theatergroep die hieraan op cultureel vlak vorm en inhoud geeft,’ aldus Ben van der Knaap, zakelijk leider van Tryater. De voorstelling ‘Rolling Home’ (die ook door Jan Marijnissen werd bezocht) werd eind november 11 keer opgevoerd in het huis van de Commissaris van de Koningin. De 1760 kaarten voor deze voorstellingen waren binnen anderhalf uur uitverkocht.

De voorstellingen van Tryater worden in de Friese taal gespeeld. Vormt dit een belemmering?

‘Nee. Je richt je op een bepaalde niche in de markt en als je daar goed gebruik van maakt, is het eerder een kans dan een belemmering. Maar je moet er wel rekening mee houden. Onze jeugdtheaterafdeling ontvangt ook subsidie uit Groningen en Drenthe. Dus geven we ook voorstellingen in het Nederlands. En bij echt grote producties geven we soms ondertiteling.’

Maar de acteurs moeten de taal wel machtig zijn?

‘Ja, het artistieke personeel moet natuurlijk wel Fries spreken. Daar letten we ook op bij de opvolging van de huidige acteurs. Gelukkig staat in Friesland het amateurtoneel op een hoog niveau, maar je moet ook door middel van scouting en scholing je doorstroom van artistiek personeel waarborgen.’

Wat maakt Tryater zo succesvol?

‘Vooral onze veelzijdigheid. We leveren volwassenentoneel maar ook jeugdtheater, familievoorstellingen en locatiespektakel. Daarnaast spelen wij voor een breed publiek: onze voorstellingen zijn voor iedereen toegankelijk ongeacht de sociale klasse of het opleidingsniveau. Ten slotte treedt Tryater op in bijna alle dorpshuizen en buurttheaters in Fryslân en brengen we het theater dus echt naar de mensen toe. Daardoor kunnen jaarlijks vijftigduizend mensen van onze voorstellingen genieten.’ (Ter vergelijking: Het Nationaal Toneel trekt jaarlijks 85.000 bezoekers).

Geen last van verstopte subsidiekranen?

‘Ook Tryater merkt de gevolgen van het landelijke beleid. Onze rijkssubsidie wordt geconsolideerd, maar als je te maken hebt met autonoom stijgende kosten zoals dat heet en je subsidieinkomsten blijven gelijk, moet je toch keuzes gaan maken. Je bent constant bezig met de vraag hoe je met minder middelen hetzelfde resultaat kunt bereiken.’


Op de bres voor het Friese dorpsleven

De FLD zet zich in voor het behoud van kleine Friese dorpen. Daarbij hanteert het de unieke bottom-up benadering of: fan ûnder op. Hierdoor ontstaat een ongekende betrokkenheid van de burgers.

De FLD begon ongeveer 25 jaar geleden als een actiegroep. ‘In het nieuwe streekplan was toen nauwelijks aandacht voor de kleine dorpen. Wij wilden dat op de agenda zetten,’ zegt Ytsen Strikwerda, coördinator van de FLD. ‘Wij wilden als kleine dorpen een vuist maken omdat de leefbaarheid in het geding was.

Om ook de kleine winkeliers te behouden hadden we acties als Frou Froukje koopt in eigen dorp. Dat doen we tegenwoordig niet meer,’ zegt Strikwerda lachend.

Tegenwoordig is de FLD (Feriening Lytse Doarpen) vooral een vraagbaak voor de verenigingen van dorpsbelang. Voorop staat hun zelfredzaamheid. De FLD geeft slechts raad. Daarom organiseert de Feriening prak­tische cursussen als ‘het opzetten van een project’ of ‘succesvol vergaderen’. ‘We willen hiermee de deskundigheid vergroten. De dorpsbelangen zullen zelf om de tafel moeten kunnen zitten met bijvoorbeeld gemeenten, woningbouwcorporaties of provincie.’

Verder treedt de FLD op als spreekbuis van de ruim driehonderd dorpen die het vertegenwoordigt, waarvan het merendeel nog geen 500 zielen telt. ‘Als er beslissingen worden genomen in de provincie, zorgen we dat er rekening wordt gehouden met de kleine dorpen.’

De FLD wil vooral politieke aandacht voor de ‘stille armoede’ in de regio. ‘In het dorp waar ik woon, heb je vijftien boeren waarvan er al vier hun bedrijf hebben moeten opgeven,’ constateert Strikwerda. ‘De keuterboertjes waren al gestopt, maar nu gaan ook de middelgrote bedrijven er aan.’ Een enkeling gaat over op kaasverkoop of het beheren van een mini-camping, maar dat blijft rommelen in de marge’.

De FLD staat achter talloze projecten om het Friese dorpsleven te ondersteunen. Zo geeft ze boekjes uit met toeristische tripjes (Swalkrûtes) in en rond de dorpen en heeft eraan bijgedragen dat veel dorpen digitaal te bewonderen zijn via www.dorpen.nl.

De saamhorigheid op het Friese platteland is nog erg groot, zegt Strikwerda. ‘Maar onder druk van de 24-uurseconomie neemt dit af. Vrouwen participeren nu volop in de arbeidsmarkt. Dat is ­prima, maar je ziet dat hiermee ook de informele zorg afneemt. Dochterlief kan niet langer constant voor haar bejaarde moeder zorgen en de buren hebben ook niet altijd tijd,’ zegt Strikwerda. Daarom is er een formele zorg ontwikkeld in de vorm van het Te Plak-project. ‘Dorpelingen helpen elkaar met boodschappen doen, grasmaaien of de televisie instellen. Een vrouw van in de tachtig wordt geholpen met het in de was zetten van haar dressoir, enzovoorts.’ Maar de FLD adviseert ook over grotere thema’s zoals huisvesting. Daarbij gaat de voorkeur uit naar ‘organisch groeien’. ‘Je moet kijken hoe je woningen kunt bouwen zonder dat het dorpse karakter verloren gaat’, licht Strikwerda toe.

Een kerntaak van de FLD is het begeleiden van dorpen bij het schrijven van een toekomstvisie. Deze worden vaak aan de ‘keukentafel’ opgezet. In de afgelopen tien jaar zijn al meer dan honderd toekomstplannen gepubliceerd. ‘Het is belangrijk dat je als dorp niet leeft naar de waan van de dag’, zegt Strikwerda. ‘Dorpen moeten goed nadenken over wat ze op middenlange termijn willen. Daarvoor is zo’n visie heel nuttig, en hij maakt aan de buitenwereld duidelijk wat het wensenpakket is. Zo vergemakkelijkt een dorpsvisie het aanvragen van subsidies.’

‘Zusterverenigingen’ in andere provincies, zoals de VKDG in Groningen en de BOKD in Drenthe, hanteren een soortgelijke benadering. Maar is deze noordelijke ‘fan ûnder op’ methode ook toepasbaar in bijvoorbeeld een Rotterdamse deelgemeente? ‘Ik denk dat de sociale samenhang in een dorp groter is, maar in principe is het concept toepasbaar op elk afgebakend gebied. Ook een stadswijk,’ zegt Strikwerda. ‘Er zijn veel goed bedoelde voorbeelden van professionele ondersteuning die niet slagen. Dat komt omdat ze van bovenaf worden uitgestippeld door professionals. Buurtbewoners gaan dan achterover leunen en voelen zich minder betrokken. Het project komt dan niet vanuit de gemeenschap zelf.’

De FLD luistert juist naar de belangen van de dorpsbewoners zonder ze iets op te leggen. ‘Ons maakt het niet uit of de dorpen met een paar A4-tjes of een schitterende full colour multimediapresentatie komen. Het gaat erom dat zij het initiatief nemen. Wij helpen ze alleen met deskundigheid. De dorpsbelangen bepalen zelf hun prioriteit. Of het nou gaat om een nieuw dorpshuis, betere verkeersveiligheid of het neerzetten van een wipkip.’


Recht voor z´n raap in Meppel

Vrijdag 29 oktober. Kunnen we niet alvast een enquêtecommissie instellen voor de Zweeftrein? Moet er meer overheidssteun naar de biologische sector? Ga je naar het feestje van Beatrix? Krijgen politici ook strafkorting op hun wachtgeld als ze niet goed functioneren? Met welke partijen denkt de SP in een toekomstige regering te gaan zitten?

Openbare avonden vormen een vast onderdeel van elke provincie-etappe. Onvermoeibaar beantwoordt Marijnissen vragen uit de zaal en geeft hij zijn visie op de wereld en vooral op Nederland. Om de sfeer te proeven een verslag uit Meppel.

Het is inmiddels kwart over negen in de bomvolle zaal van Café Restaurant Nijmeijer in Meppel. RTV Oost verslaggever Jan Medendorp onderwerpt Jan Marijnissen aan een spervuur van vragen die gesteld zijn door de bezoekers van een openbare avond Red de Solidariteit!.

Om half acht hadden de eerste gasten zich gemeld. Jan on tour in Drenthe, een avond over de gevolgen van het kabinetsbeleid en de alternatieven van de SP.

Gezien de opkomst willen een hoop mensen daar het fijne van weten. Een gratis kopje koffie als welkom, en om stipt acht uur, licht uit, spot aan en als opwarmertje Amsterdam van Coldplay. Een DVD op groot scherm want ze konden helaas niet zelf komen. Na een kort gesprek met SP’ers die in Meppel hard bezig zijn een afdeling uit de grond te stampen, is het woord aan Jan Marijnissen. Over de kenmerken van het neoliberalisme, over het bekrompen mensbeeld van deze ideologie, over de gevolgen van privatisering en marktwerking. Bevlogen, recht voor z’n raap en met een hoop voorbeelden uit de praktijk. Want na een weekje in Drenthe en eerdere bezoeken aan andere provincies heeft hij veel mensen gesproken die het beleid van Balkenende aan den lijve hebben ondervonden. ‘Dit beleid is een ramp, maar het kan ook anders.’ Aandachtig wordt er geluisterd naar de alternatieven van de SP. Als het applaus een graadmeter is, voelen de mensen daar wel wat voor.

In de pauze worden de ‘Vraag aan Jan’ briefjes volgeschreven. Die vormen in het tweede deel van de avond de rode draad in het gesprek. De handschriften zijn niet altijd even goed leesbaar, maar Jan zonder en Jan met bril komen er gezamenlijk uit. Een stuk of dertig, allemaal serieus en blijkgevend van betrokkenheid, die allemaal voor tien uur beantwoord moeten worden.

Want dat is de afspraak. Het wordt uiteindelijk kwart over tien, maar dat vindt niemand vervelend. Iedereen heeft antwoord gehad en na afloop weten de mensen die toch nog meer willen weten Jan wel te vinden. Om elf uur moet hij er echt van door, want nog een eind rijden naar een hotel in Utrecht om de volgende dag op tijd in Driebergen een weekend van scholing voor SP kaderleden voor zijn rekening te nemen.

In Meppel is ondertussen het decor afgebroken en wordt teruggeblikt op een succesvolle avond, waar de mensen niet alleen op een inspirerende manier kennis hebben kunnen maken met de SP, maar die ook nog ledenwinst en versterking van de SP-werkgroep in Meppel heeft opgeleverd.


14 Miljard jaar terug in de tijd met LOFAR

LOFAR, een reusachtige radiotelescoop, gaat rond 2007 onderzoek doen naar het ontstaan van het heelal. Het centrum van dit pioniersonderzoek is het Drentse Dwingeloo. Frederiek Westra van Holthe, PR-manager van ASTRON, licht toe.

Wat is die LOFAR eigenlijk?

‘Sterrenkundig gezien bestaat LOFAR uit zo’n 25 duizend eenvoudige antennetjes die allemaal aangesloten zijn op een supersnel glasvezelnetwerk. Het merendeel van de antennes komt in de om­geving van Exloo in Drenthe. Het andere deel komt op kleine antennestations met 100 tot 150 antennes. Deze lopen langs vijf armen vanuit ons centrum tot in Duitsland en Denemarken.’

Kan dat niet met een schotelantenne?

‘Door met de computer de informatie van al die afzonderlijke antennes te combineren, boots je in feite een radiotelescoop na met een doorsnede van 350 km. Hoe groter het opvangend oppervlak van een telescoop, hoe meer zwakke signalen je op kunt vangen. En hoe verder je dus kunt terugkijken in de tijd. Op de conventionele manier met grote stalen constructies, zoals de beroemde Radiotelescoop in Westerbork, zou dat alleen al vanwege de kosten niet haalbaar zijn. Met deze nieuwe telescoop kunnen we ruim 14 miljard jaar terugkijken in de tijd. Men zegt dat de Big Bang 15 miljard jaar geleden heeft plaatsgevonden. Daar komen we dus heel dichtbij.’

Waar is LOFAR nog meer voor te gebruiken?

‘LOFAR is meer dan een sterrenkundig instrument. Het omvangrijke glasvezelnetwerk is ook op andere wetenschappelijke gebieden toepasbaar. Zo gebruiken geofysici het sensornetwerk om diepbodemonderzoek te doen. Je kunt je voorstellen dat dit in een gebied met veel gaswinning, bodemdaling en aardbevinkjes interessant kan zijn. De landbouw gaat het netwerk gebruiken voor onderzoek naar precisielandbouw. Zo kun je bijvoorbeeld exact bepalen op welke delen van een perceel de bodemvochtigheid of het mestgehalte te laag is.’

Drenthe krijgt dus mogelijk een primeur van wereldformaat. Zijn de Amerikanen al jaloers? 

‘Sterrenkundigen vormen een internationale gemeenschap. Met LOFAR kunnen onderzoekers in de hele wereld ook online waarnemingen doen. Het is dus goed mogelijk dat een astronoom in Australië een baanbrekende ontdekking doet naar het ontstaan van het heelal, met onze telescoop. Nee, competitie speelt niet zo’n rol in onze wereld. We delen graag onze kennis. Ook bijvoorbeeld door scholen toegang te bieden om zo in het klaslokaal kinderen naar het heelal te laten kijken.’ 

Al die antennes, is dat niet gevaarlijk voor de volksgezondheid? 

‘Dat is een misverstand. We vangen alleen maar signalen op. We stralen niks uit. Het is eerder andersom. We kunnen last hebben van hoogspanningskabels, mobiele telefoons en autoverkeer.’