|
Interview Jan Marijnissen
‘We zijn een land van watjes geworden’
Er zijn niet zoveel politici die hun loopbaan begonnen als constructiebankwerker. Jan Marijnissen wel. Hij verlangt nog wel eens terug naar de tijd dat hij aan het eind van de dag kon zeggen: ‘dit heb ik gemaakt’. Techniek verdient in zijn ogen een beter imago dan het nu heeft.
Hij komt nog heel vaak in metaalbedrijven en
opleidingscentra. Zeker sinds hij een week
per maand het land in gaat. Als Marijnissen
een werkbezoek aflegt op een scheepswerf
of een ROC dan vragen ze hem wel eens: ‘Kunt u dat
echt, lassen?’ En dan mag hij dat even bewijzen.
Marijnissen, in zijn kamer op het Binnenhof: ‘Ik heb
nog steeds veel met de metaal, dat gaat ook nooit meer
over. En lassen verleer je niet, net als schaatsen.’
Wat was nou zo mooi aan werken in de metaal?
‘Het is gewoon een schitterend vak. Ik deed alles wat
er in de kleinmetaal gedaan moet worden: zagen,
snijden, lassen, boren, hakken en zetten.’s Morgens
haal je een paar lengtes uit het rek, je knipt een paar
platen en ’s avonds staat er een kozijn met een deur
erin. En als die deur dan ook nog eens mooi in het
slot valt en het loopt allemaal precies zoals het hoort,
dan is dat toch prachtig? Iets maken van eerlijk staal
is het mooiste wat er is. Dat is een groot verschil met
hoe de dingen hier in de Kamer gaan: alles wat je
voor elkaar wilt krijgen duurt hier zó lang!
Niet dat de arbeidsomstandigheden overal zo goed
waren trouwens. Zo heb ik bij betonbedrijven gewerkt
waar we mallen moesten lassen. Veel slijpwerk dat
vervelend stof gaf. Ik ben nog van de generatie die
moest vechten voor een slijpbril. Dat vonden ze toen
nog maar luxe.’
Kon u niet goed leren, dat u in de metaal
belandde?
‘Dat lag niet aan mijn intellectuele vermogens, maar
op de hbs was ik in heel andere zaken geïnteresseerd
dan in crediteuren, debiteuren en buitenlandse boeken. Ik had meer belangstelling voor filosofie en
vooral voor politiek. En ik stortte me ook steeds meer
in het actiewezen.
Nadat ik de hbs voor gezien hield, ging ik aan de
lopende band werken. Maar na een paar jaar dacht
ik: mijn hele leven op één tegel staan, dat is toch niks.
Toen ging ik cursussen volgen: bemetel, autogeen en
elektrisch lassen. Waarom ik toen gekozen heb voor
de metaal? Ik vond het heel intrigerend: dat vloeibare
staal en lassen en solderen. Het was buitengewoon
stoer en macho natuurlijk.’
Een mooi verhaal, maar toch is techniek
tegenwoordig niet erg populair.
‘Dat is waar. Geen enkel beroep waarmee je met je
handen moet werken is nog populair in Nederland.
We zijn een land van watjes geworden, vind ik persoonlijk.
Daar heeft de politiek erg aan bijgedragen en de
werkgevers ook. Omdat ze veel te weinig campagne
gevoerd hebben voor die beroepen. Het negatieve
beeld zit hem vooral in de hoofden van mensen.
Dat allochtone jongeren nu massaal voor ambtelijke
functies kiezen, heeft bijna alles met imago te maken.’
Het is vast niet voor niets: dat slechte
imago van technische beroepen.
‘De arbeidsomstandigheden zijn niet meer zo slecht
als in mijn tijd, maar het imago is nog wel uit die tijd.
Dat het op scheepswerven nog steeds vies en stoffig is,
dat hoort erbij. Daar moet je tegen kunnen als je daar
gaat werken. Maar veel werkplaatsen,
zeker in de kleinmetaal, zijn niet meer
te vergelijken met vroeger. Hoe schoon
het daar is bijvoorbeeld, zou men veel
meer moeten laten zien.’
Witte en blauwe boorden
Marijnissen kan er zich nóg over opwinden.
Dat de Nederlandse industrie begin
jaren tachtig een gouden toekomst leek
te hebben, als ‘we’ maar volop waren
gaan vernieuwen en niet al onze kaarten
hadden gezet op de dienstverlening.
Want dat is wat er volgens hem gebeurd
is. Al die ouders die hun kinderen liever
met een ‘wit boord’ dan met een blauwe
zagen!
Daarbij zijn de lonen in de industrie
ook veel te laag, vindt de SP’er: ‘Voor
het imago is dat heel slecht. In de jaren
tachtig zijn de salarissen in de Duitse
industrie fors omhooggegaan; daar
bleven de lonen in Nederland sterk bij
achter. Dat zal wel veranderen, want
hoe moeilijker er lassers te krijgen zijn,
hoe meer ze natuurlijk gaan verdienen.
Dat is uiteindelijk ook in het belang van
de werkgevers.’
Dit lijkt een opeenstapeling
van gemiste kansen.
‘Ik moet eerlijkheidshalve ook zeggen dat er veel bedrijven zijn die erg hun
best doen. Laatst was ik op een ROC in
Enschede dat nauw samenwerkt met
het bedrijfsleven. Die bedrijven verlenen
ruimhartig steun aan het ROC.
Ze geven die leerlingen echt een kans
om iets te leren. Daar was ik wel van
onder de indruk, dat is toch niet meer
zoals vroeger.’
Enig idee van de arbeidsverhoudingen
in de kleinere en middelgrote
metaalbedrijven?
‘Dat is voor mij moeilijk te beoordelen.
Als ik op werkbezoek kom, staat de
directeur vooraan en dan denken de
werknemers: die komt vast voor de baas.
Dus dan moet ik moeite doen om even
met die werknemers te praten.
Maar ik heb de indruk dat het lang niet
meer zo hiërarchisch is als vroeger.
Bazen zijn nu toch vaker meewerkende
voorlieden.’
Wat kunnen werknemers in de
metaal eraan doen om zelf hun
positie te verbeteren?
‘Ik was lasser en heb alle lasdiploma’s
gehaald die er te halen waren. Dat vond
ik vanzelfsprekend; dat deed ik in de
avonduren en die cursussen moest ik
deels zelf betalen. Volgens mij zijn de
meeste werkgevers tegenwoordig niet
zo kortzichtig dat ze daar niet aan mee
zouden willen betalen.’
Heeft de metaal nog een
beetje toekomst?
‘De metaal zal altijd nodig zijn, net
als de bouw. In die zin is er een grote
toekomst. De scheepsbouw is gelukkig
voor Nederland behouden, de offshore
ook en de kleinmetaal blijft onverminderd
van belang. Dat zijn typisch van
die industriële ‘dienstverlenende’ bedrijven die niet zo gauw naar het
buitenland zullen vertrekken en de
regio blijven bedienen.
Je hoort nu goed nieuws: dat er niches
in de markt ontdekt worden: de jachtenbouw,
de offshore. De reeks van negatieve
berichten over de metaal is al jaren
geleden afgesloten.’
© Metaal Journaal 2005 – Alle rechten voorbehouden
